Een zeer consequent afscheid

Tot en met 28 september (mogelijk nog een maand langer) in de Molenstraat in Geldrop, van dinsdag tot en met zaterdag. Reserveren: 040-2862681.
Afscheid is een hobbel die moeilijk te nemen is. De rituelen eromheen wennen nooit: onhandig zwaaien, wat weggeslikte tranen, een beverige omarming - en daarna een verleden dat nu definitief voorbij is, de rug toekeren.

Zelden zal het afscheid in een toneelstuk zo zijn samengevallen met het afscheid dat de theatermakers zelf te verwerken hebben, als nu bij De kersentuin door de groep Amai in het Brabantse Geldrop. Amai speelt de komende weken voor de laatste keer in de oude textielfabriek die ruim tien jaar hun thuis was. Iedere voorstelling zag dit pronkstuk van industriële archeologie er anders uit, steeds opnieuw werden we vergast op een andere entree, een nieuw zicht op het gebouw. En altijd waren er die prachtige ramen die zicht op dat ruige bosje gaven.
Nu is het voorbij. Ergens in de komende winter gaat de sloopkogel erop. Schrale troost: op de plek waar zoveel toneelzweet is vergoten, komt een parkje. Het zal - zo valt te vrezen - een keurig aangeharkt parkje worden.
Amai is het geesteskind van Jochem Royaards, ooit acteur, nu alweer jaren regisseur. Hij viert het afscheid met een lieveling, De kersentuin 1904), Anton Tsjechovs meest gespeelde stuk, diens zwanezang ook. Mensen uit vergane tijden kunnen geen afscheid nemen van hun landgoed, de vooruitgang haalt ze in, het verleden wordt weggekocht, de bomen omgehakt - er komen zomerhuisjes. De wasbleke schimmen uit vergane tijden zwermen uit naar alle windstreken. Ze zullen elkaar nooit meer terugzien. We maken de laatste terugkeer naar het landgoed mee, het weerzien dat het afscheid inluidt, de trage gesprekken over verleden en toekomst, de worsteling om geld en kansloze liefdes. Daarna is er tijd voor een laatste dronk, voor het feest uit Tsjechovs derde acte van De kersentuin, waar het resultaat van de fatale veiling bekend wordt: alles is verkocht.
In het laatste bedrijf zien we voor het laatst de fabriekshal in haar volle glorie: voor afscheid is veel ruimte nodig. Aan het eind hollen de verliezers weg, angstig en ontzet, zoals ze drie uur eerder met een mengeling van ontzetting en verwachting de ruimte betraden. Het portret van de verliezers dat de Amai-acteurs hier tonen, is hard en meedogenloos: met deze onnozele halzen valt geen land meer te bezeilen. Ze zijn wel lief, maar het ontbreekt hun aan enig inzicht in de wurgende omstandigheden waarin ze verkeren. Ze wervelen als dwaallichten door de ruimte, alsof ze ergens nog een verborgen houvast zoeken dat er allang niet meer is. Ljoebov, de eigenaresse van het landgoed, staat voor de koppige blindheid van de verliezer. Lopachin, de omhooggevallen zoon van een lijfeigene, vertegenwoordigt de nieuwe zakelijkheid. Hier staan ook de passie van de toneelmaker en het populisme van een Realpolitiker tegenover elkaar. Anders gezegd: het werkelijke afscheid theatermakers die hun huis kwijtraken) zit het afscheid van Tsjechovs personages die hun have en goed aan de bijlen van de nieuwe tijd moeten laten) dicht op de hielen. Misschien iets tè dicht. De voorstelling mist in haar kern de nuance. De koopman Lopachin is een lomperik, maar zijn bewondering voor de eigenaresse Ljoebov grenst aan verliefdheid. Hij vindt de woorden niet, zegt op het verkeerde moment de verkeerde dingen.
Van die onderstroom in de tekst eigenlijk de hopeloze liefde van de handelaar voor de levensartiest) is tussen Reinhilde Decleir Ljoebov) en Luk van Mello Lopachin) weinig te merken. Van Mello’s zakenman is agressief, de pathos en wanhoop van Ljoebow lijken hem niet te bereiken. Hun dialoog is er een van doven, ik mis de tegenkleuren, de contrastwerking.
Die zijn weer wel aanwezig in sommige bijrollen. In Ljoebovs broer bijvoorbeeld, Gajev, het personage dat vaak als een goede sul wordt neergezet. Mathieu Güthschmidt maakt van deze Gajev een intrigerende man, die heel oprecht naar zijn kindertijd lijkt teruggekeerd, althans naar een gebied waarin alles weer nieuw is. In de scènes waarin die keuze wordt bedreigd, wordt deze Gajev onbeheerst agressief - als bezeten door territoriumdrift. Zijn keuze aan het slot om een baan bij een bank aan te nemen, wordt bij Güthschmidt een tegelijk moedige en berustende stap: hij verlaat zijn kinderwereld, en het zal zeker zijn dood worden. Het afscheid tot de uiterste consequenties doorgevoerd.