Een zekere schoonheid

Mijn stelling is: elkaar vertrouwen levert voor alle partijen voordeel op. Maar iemand wantrouwen levert voor de wantrouwende partij een groter voordeel op.

Medium opheffer 41 11 wantrouwen

In het eerste deel van mijn leven heb ik altijd iedereen vertrouwd. Dat kwam neer op doen wat van me werd gevraagd. Ik deed mijn werk, ik trouwde, kreeg een kind, alles marcheerde, terwijl ik zelf min of meer onbetrouwbaar was. Of ik moet zeggen: terwijl ik zelf min of meer onbetrouwbaar bleek.

Niet dat ik geld stal, maar ik bedonderde mijn vrouw, ik vervalste wel eens een cijfer van een kind dat dreigde voor haar eindexamen te zakken (ik was leraar), alles ‘in goed vertrouwen’.

In de journalistiek – de beste leerschool des levens – leerde ik te wantrouwen.

Ik heb me vaak afgevraagd of dat wel psychisch en fysiek mogelijk was. Was ‘de mensen vertrouwen’ niet een facet van je karakter? Kon je dat wel veranderen? Anders gezegd: zat dat vertrouwen niet in je genen?

Ik geloof bijvoorbeeld dat mijn vader noch mijn moeder ooit iemand heeft gewantrouwd. Misschien zat ‘wantrouwen’ dus ook wel niet in mijn genen.

Gaandeweg merkte ik dat wantrouwen, domweg iedereen wantrouwen, een attitude was die heel goed bij me paste.

Een collega-journalist zei me destijds: ‘Je moet altijd een achterdeurtje openhouden.’ Heden ten dage weet ik niet meer wat hij daaronder precies verstond, maar toen begreep ik het als: ‘Wanneer iemand je heel betrouwbaar voorkomt, moet je toch altijd een beetje uitkijken.’

De wet van Opheffer stamt uit die tijd: ‘Wantrouwen plus ruziemaken levert primeurs op.’

Zo denk ik er nog steeds over.

Soms viel ik terug op vertrouwen omdat ik wist dat alle partijen daar voordeel van hadden. Zo kwamen er boeken tot stand, films, toneelstukken, een huwelijk, de aankoop van een huis.

Maar dat vertrouwen werd geschaad. De uitgever van de boeken ging failliet, de rechten van mijn film had ik om niet afgestaan, mijn huwelijk faalde. En zo voort.

Wantrouwen was het gebod.

Wantrouwen scherpte mijn geest. Wantrouwen maakte me rijker. Wantrouwen hield mijn beste vrienden weg bij mijn vrouw. Wantrouwen gaf en geeft mijn leven zin.

In wantrouwen zit een zekere schoonheid. Je kunt bijvoorbeeld alleen maar een leugen ontluisteren door wantrouwen. Wantrouwen is God een doorn in het oog. Het is de Duivel zelf. Want door wantrouwen weet je dat God niet bestaat.

Ik hoor tegenwoordig dat de financiële crisis een vertrouwenscrisis is. Natuurlijk is dat een vertrouwenscrisis. Vertrouw nooit een Griek. Een Italiaan ook niet. En een Fransman zeker niet. Een Belg wel.

De schoonheid van het wantrouwen: je ziet de corruptie in grote golven op je af komen.

Andere wet: als je wantrouwend bent, ontmoet je zeker twee corruptiegevallen per uur. Terwijl ik dit stukje schrijf, zie ik bijvoorbeeld Paul Witteman (Vara) reclame maken voor zijn boekje bij DWDD (Vara) bij zijn vriend Matthijs van Nieuwkerk (Vara). Dat is corruptie. Ook zie ik – binnen het uur – Gerd Leers (in kabinet-Rutte) excuses maken aan Geert Wilders (ook kabinet-Rutte welbeschouwd).

Het is allemaal redelijk onsmakelijk om te zien.

Is het erg?

Ja dus, maar ik heb te weinig macht en te weinig status om er iets aan te doen. Trouwens, ik heb er ook de moed niet toe, want ik ben geen held. Degenen die ik bestrijd hebben veel meer macht dan ik.

Daarom is het ook goed om wantrouwend te blijven. Wantrouwen schraagt het ego en het egoïsme enigszins – en dat is goed, want anderen schoppen dat voortdurend onderuit. Mensen die vertrouwen willen, beweren bijvoorbeeld ook dat je hoop moet hebben. Dat is dom. Hoop is niets. Mensen die wantrouwen weten dat de toestand hopeloos is. Die weten dat je genaaid wordt.

De vertrouwers zijn naïef. Ze vertrouwen tegen beter weten in.