Een zelfonderzoek in familieverhalen

Het probleem met familieverhalen is dat iedereen ze heeft. Ouders die er nooit waren of juist te vaak, excentrieke gezinnen of pijnlijk normale, lieve of monsterlijke kinderen – vrijwel alle mogelijkheden zijn al eens geleefd en vastgelegd, en de vraag is zodoende vooral wat je als schrijver met dit reservoir van verhalen aan moet: voeg je er slechts een eigen variant aan toe, of smeed je het bekende materiaal om tot een uniek nieuw werk?

Een paar jaar geleden droeg P.F. Thomése (1958) zijn duistere allegorische roman De onderwaterzwemmer (2015) op aan zijn overleden vader. Daarin verbeeldde hij onder meer de langdurige invloed die het vroegtijdige verlies van een vaderfiguur kan hebben, zonder dat meteen aan zijn eigen leven te verbinden. Dat thema herneemt hij nu op directer autobiografische wijze in Vaderliefde, een boek zonder genreaanduiding of aantekening over de mate van fictionaliteit.

In de openingspassages treffen we de schrijver zelf, omringd door de nagelaten documenten, paperassen, en dus ook verhalen van zijn overleden ouders: ‘En zo ben ik erfgenaam geworden van verhalen die ik niet kan navertellen, die zich aan me hebben gehecht als zeepokken aan een voorbijdrijvende schelp. Is dat niet de definitie van het begrip mythe: een verhaal dat is losgeraakt van de persoon en ook is losgeraakt van zijn eigen tijd?’ Het ouderlijk huis is leeggeruimd en nu is het aan de schrijver om orde te scheppen in deze warboel van anekdotes, biografieën en mythes voordat de vergetelheid zijn intrede doet. Daarom kiest Thomése voor de vorm van de familiegeschiedenis: in dit boek brengt hij tot wel tweehonderd jaar terug de levens van zijn voorouders, zowel van vaders- als moederskant, in kaart.

Thomése weet ook in het grijze verleden de meest kleurrijke personages te herkennen

Omdat de schrijver het genre vrij serieus neemt, lijdt Vaderliefde ook aan de kwaaltjes die eigen zijn aan dit soort persoonlijke geschiedschrijvingen: de trage chronologische opbouw, de hang naar volledigheid (er worden zelfs twee uitgetekende stambomen bijgevoegd) en ook wat herhaling. Maar dit naslagwerk wordt opgefleurd door Thomése’s romantische blik, waarmee hij ook in het grijze verleden steevast de meest kleurrijke personages weet te herkennen: zo is er een drankzuchtige corporale opa met de bijnaam ‘Champy Piet’, een godvrezende oma die tuinarchitect in de Britse stijl was en een aangetrouwde Canadese oorlogsheld met de naam Verne H. Atrill, eveneens raketbouwer en auteur van obscure monografieën als How All Economies Work en The Freedom Manifesto.

Meer dan om deze randfiguren gaat het echter om de ouders van Thomése zelf. Overigens had hij met hen, zoals de titel ook al suggereert, geen gelijkwaardige verhouding. Zijn moeder speelde slechts een bijrol, hoewel ze veel langer leefde dan zijn vader. Het is haar hardnekkige afzijdigheid die Thomése wrokkig maakte: ‘Mijn moeder vertelde nooit iets. Lang heb ik gedacht dat ik haar haatte, totdat ik merkte dat ik niet wist wie ik zou moeten haten. (…) Mijn moeder meed emoties als de pest, zeker die van haarzelf, maar ook die van anderen, om over die van ons, de kinderen, maar te zwijgen.’

Zijn vader was juist weer een oeverloze prater, die meer in zijn verhalen dan in de realiteit leek te leven. Gravend in diens oorlogsverleden ontdekt Thomése dat zijn vader, die zich liet voorstaan op zijn activiteiten in het verzet, ook in het verschrikkelijke dwangarbeiderskamp Groin (‘Kamp Rees’) heeft gezeten. Hoewel veel informatie ontbreekt, vermoedt de auteur dat deze gebeurtenissen het leven van zijn vader hebben gefnuikt: hij vond daarna nooit helemaal zijn weg in de maatschappij. Vervolgens droeg hij zijn schaamte en angst voor mislukking over op zijn zoon.

De fraaie slothoofdstukken, waarin de vader-zoonrelatie centraal staat, maken duidelijk waar het Thomése in dit boek uiteindelijk om te doen is: zelfonderzoek. Aan de hand van de levensverhalen van zijn ouders reconstrueert hij de ontwikkeling van zijn eigen psychologie. Hij laat zien hoe hij zich tegen hen afzette en onderzoekt de trekken die hij desondanks van ze heeft overgenomen. Zo belicht Thomése zijn ‘angst om iemand te zijn, definitief en onherroepelijk’ en zijn gevoeligheid, maar ook zijn aanhoudende verlangen om te verdwijnen in zijn eigen teksten en zich via de literatuur echt te laten gelden. Hier wordt een unieke, recalcitrante persoonlijkheid door zichzelf onder het mes genomen, en krijgen we te zien hoe de schrijver ontstond nadat Thomése afscheid nam van zijn stervende vader. Dat introspectieve, nietsontziende uitgangspunt heeft Vaderliefde tot een werkelijk origineel boek gemaakt.

‘De niet-vertelde verhalen, de half-vertelde verhalen, de onbewust of bewust verzonnen verhalen, ik zal erin moeten blijven ronddolen, radend, vermoedend en nooit iets zeker wetend’, schrijft Thomése op de laatste pagina’s. Toen hij eerder zo direct uit zijn persoonlijk leven putte, resulteerde dat in het breekbare Schaduwkind (2003), gewijd aan zijn overleden dochter. Dat boek werd opgevolgd door de magische kleine roman Izak (2005), waarin een verloren leven via de verbeelding een tweede kans krijgt. Het is te hopen dat P.F. Thomése lang genoeg in de nagelaten verhalen zal ronddolen om ook zijn merkwaardige, vaak tragische ouders en familieleden nog te doen herrijzen in zijn fictie.