De Indiaas-Canadese fotograaf Sunil Gupta toont de frictie tussen traditie en moderniteit, openbaar en privé en lichaam en lichaamspolitiek © Sunil Gupta

Het lijkt me onwaarschijnlijk dat er nog autobiografische boeken gaan verschijnen die, zonder eerst een grote (internationale) prijs te winnen, het massasucces zullen hebben van Oeroeg, Ik, Jan Cremer of zelfs Dorsvloer vol confetti. Dat wil zeggen, boeken die een individu en haar leefwereld openbaren aan een breed publiek, boeken dus die een diepe invloed hebben op het beeld van de Nederlandse lezer op een van haar schrijvende tijdgenoten en op de wereld waarin zij beiden bewegen. Tenminste, niet als ik zie in welken getale vlogs, Netflix-documentaires en Instagram-posts het op heel andere wijze gecureerde leven van individuen aan een groot publiek van ‘volgers’ openbaren en dat vervolgens afzet tegen de boekenverkoop.

Maar deze multimediale uitingsvormen zullen door hun keurslijven van algoritmen, hashtags en like-zucht zelden de diepgang bereiken van een geslaagd boek.

Half van Haroon Ali (1983), Ook mijn Holocaust van Maurits de Bruijn (1984) en Jaguarman van Raoul de Jong (1984) maken goed duidelijk hoe de egoliteratuur nog altijd een waanzinnig instrument is om het eigen ‘ik’ te ontrafelen, en hoe complex het is om individualiteit te typeren in deze steeds veelvormiger wereld. Deze drie boeken gaan, behoorlijk compromisloos, over identiteit, deels door af te wijken van de (veelal witte) heteronorm, maar vooral door de vraag met wie de vertellers allemaal verbonden zijn, en hoe dat hen heeft gevormd. Ook weten ze niet altijd even goed met wie ze verbonden zijn.

Verder zijn alle drie de schrijvers homoseksueel en hebben ze alle drie een variant geschreven van een Vatersuche. Toch zou de zin ‘drie jonge queermannen schrijven een Vatersuche’ hun werk onterecht reduceren, maar ook de inzet. Ten eerste omdat De Bruijn vooral de geschiedenis van zijn moeder onderzoekt. Ten tweede omdat als de auteurs hun vader of moeder vinden, ze hun overtuigingen vaak juist verwerpen en overvleugelen. Ten derde omdat de schrijvers in hun werk zelf weigeren te geloven dat hun identiteit kan worden begrepen door hen vanuit één gezichtspunt te beschrijven: homoseksueel, gereformeerd, ‘bruin’.

Allen gebruiken ze meerdere ingangen tot het doolhof van hun identiteit. Ze plaatsen hun eigen individualiteit en subjectiviteit in de historische context en in de wijdere, hedendaagse wereld: de Rotterdamse De Jong reist af naar Suriname, het geboorteland van zijn vader, en onderzoekt daar de Nederlandse slavernijgeschiedenis. De Bruijn, afkomstig uit het Westland, heeft als grootste onderwerp de holocaust en bezoekt enkele malen Israël (en Palestina). Ali reist naar Pakistan, het geboorteland van zijn vader. Daar (her)ontmoet hij, na twee vakanties lang geleden, zijn vaders familie en overdenkt hij zowel zijn vaders Pakistaanse jeugd als zijn eigen Amsterdam-West-kinderjaren.

Half is het debuut van Haroon Ali. Zijn vader, al vroeg wees, kwam begin jaren tachtig als twintigjarige Pakistaan naar Europa en ontmoette zijn Nederlandse moeder, een katholieke student verloskunde uit Bussum. Ze werden verliefd. Ali’s moeder bekeerde zich tot het geloof van zijn vader, de islam. Het huwelijk hield twintig jaar stand. Na hun scheiding hertrouwde Ali’s vader met een jongere, Pakistaanse vrouw. Ze kregen in deze kleiner wordende wereld een zoon. Ali is in de hedendaagse terminologie een ‘dubbelbloed’, wat men vroeger ‘halfbloed’ zou noemen, en zijn halfbroer is dus ‘volledig’ Pakistaans. Tijdens zijn jeugd al liet Ali’s moeder het geloof meer en meer los, hijzelf ook, mede ingegeven door zijn seksualiteit. Zijn vader werd juist steeds vromer en weigerde, en weigert, zijn seksualiteit te accepteren. Maar: Ali is homoseksueel. Hij is gelukkig. En hij wil niet verbergen wie hij is.

Het boek is een brief aan Ali’s halfbroer en in de vorm het meest traditionele van de drie. Half leest als een zeer vlot geschreven, lezenswaardig Volkskrant Magazine-artikel. Ali’s briefboek is een reisverslag langs familie en onbekenden in Pakistan, doorsneden met flashbacks naar zijn jeugd en vol prachtige landschapsbeschrijvingen. Ali contrasteert zijn blik en leven telkens scherp met de opvattingen en het levensverloop van zijn vader. Hij reflecteert duidelijk milder op Pakistan, het op een na grootste moslimland ter wereld, en op de geschiedenis van het land, op zijn leven als wereldreiziger, zoon, broer (ook voor zijn zus), geliefde en homoseksuele man in een open relatie in een seculier land.

Tijdens zijn reist doet Ali aan couchsurfen. Hij blijft een nacht bij Naveed slapen, in zijn ouderlijk huis. Naveed heeft maar één bed in zijn kamer, een tweepersoonsbed. Maar: alles is beter dan een matje. Ze zitten op bed en kijken televisie en praten wat. De gastheer heeft het over zijn veroveringen. Naveed zegt dat de meeste mannen in Pakistan biseksueel zijn: ‘Jij niet, toch?’ Ze praten over Nederland, Naveed vraagt of er ook ‘mannen’ op de Wallen staan en vraagt naar Ali’s vorige relatie, wat voor ‘een meisje het was’. Ali besluit te zeggen dat hij al een paar jaar met een man is. Gelukkig, merkt hij, komt er geen gedonder van.

Tijdens zijn reis leert Ali zijn vader begrijpen, maar hij keurt zijn gedrag niet goed. Hij neemt afstand van zijn vader

De volgende ochtend komt Naveed ongewenst tegen Ali aanliggen en stelt voor hem te masseren. Ali bevrijdt zich uit Naveeds knuffel en twijfelt; hij vindt Naveed niet echt aantrekkelijk, maar het is ook alweer een tijd terug dat een man hem zo heeft aangeraakt. De druk van zijn handen voelt fijn. Dan glijden Naveeds handen onder Ali’s boxer. En gaat hij overstag. Probeer dat maar eens op camera te krijgen of in een hashtag te vangen.

De scène beschrijft niet alleen treffend het grijze gebied van consent, maar ook een breed gedragen houding tegenover homoseksualiteit in Pakistan: we zijn niet homoseksueel, maar we hebben wel homoseks. Maar daar praten we verder niet over. Ali daarentegen schaamt zich niet voor zijn seksualiteit; hij voelt ook niet de behoefte die te verdedigen. Het boek overstijgt de familie-anekdotiek doordat Ali zijn halfbroer vertelt wat hij de rest van zijn familie niet vertelt: de decompressie van een sjieke hotelkamer na aankomst in Pakistan, de heimelijke bijeenkomsten van homoseksuele mannen in Pakistan die hem en hen in gevaar zouden kunnen brengen, zijn ergernissen over zijn vader.

Tijdens zijn reis leert Ali zijn vader beter begrijpen, maar hij keurt zijn gedrag tegenover hem niet goed. Ali neemt dus afstand van zijn vader en daarmee neemt hij ook afstand van zijn halfbroertje. Dat is uiteraard verdrietig, maar bovenal, voel je, vindt Ali het spannend hoe zijn halfbroer hem later tegemoet zal treden: met het kille conservatisme van hun vader of met de vrijere, grotere liefde die Ali zelf voor zijn broertje voelt? Een liefde waar iedereen bij hoort? Die twijfel, de intimiteit in de toon richting zijn broertje en de bereidheid niets persoonlijks achter te houden, maakt deze brief, dit egodocument, een boek dat een leven in breedte en diepte openbaart.

Maurits de Bruijn, auteur van twee eerdere romans, heeft een moeder die niet alleen kan slapen. Het is maart 2020, de angst voor corona waart door Nederland, dus ook door Maassluis, het dorp waar De Bruijn opgroeide en waar een van zijn broers nog woont. Een andere broer verhuisde, net als De Bruijn; nog een andere broer vertrok. De Bruijns vader zit vast in het buitenland. Dus gaat De Bruijn bij zijn moeder op bezoek om bij haar de nacht door te brengen.

De Bruijn groeit op in de jaren tachtig en negentig. Bij de dorpsjeugd die hij beschrijft in Ook mijn Holocaust zie je de oranje luifels van de verzorgingsflats voor je, de parasols bij de tennisclub, de AA-flesjes op tafel. In het dorp was het gezin voorbeeldig, met vier zoons, totdat een broer van de jonge De Bruijn psychische klachten krijgt en zijn vader en de broer uit huis gaan, voor de rust – maar die rust komt nooit terug. De broer vertrekt, met omwegen, naar India, en keert eveneens nooit meer terug. Hij verdwijnt. De Bruijns ouders komen niet meer samen.

Langzaam en dan plotsklaps is De Bruijns gezin uit elkaar gevallen. Tijdens de zoektocht naar een antwoord komt De Bruijn Nederlands grootste nationale trauma tegen: de Tweede Wereldoorlog. Zijn moeders leven wordt geregeerd door angsten, ze kan niet in afgesloten ruimtes zijn, slaapt slecht, vindt alleen zijn lastig; het zijn angsten die de volwassen verteller herkent. Zij is geboren in 1943, een joodse vrouw van wie de hele familie in Sobibór wordt vermoord. Zelf komt ze als baby terecht bij een gereformeerd echtpaar. Eenmaal volwassen trouwt ze en blijft in Maassluis, en krijgt daar, laat, vier kinderen, zonen. De Bruijn groeit op in de kerk.

Op zijn twaalfde, tijdens een reis naar Israël, beseft De Bruijn voor het eerst dat hij net als zijn moeder joods is. Het zet hem op het spoor van intergenerationele overerving van trauma’s, een zoektocht naar veiligheid. Als een oudere De Bruijn naar Israël afreist, voelt die zich daar in eerste instantie thuis (hij komt er zelfs achter dat hij het recht heeft naar het land te emigreren), maar al snel, en zeker bij latere bezoeken, denkt hij na over de prijs van die veiligheid, hoe de staat Israël omgaat met de Palestijnen. Blijkbaar is het mogelijk om én joods te zijn en kritisch te zijn over de gedragingen van veel Nederlanders tijdens de Tweede Wereldoorlog én joods te zijn en je kritisch uit te laten over de staat Israël. Probeer dat maar eens te bepleiten in een post of tweet (hallo, Esther Voet).

De Bruijns identiteitsvraag betreft veel minder zijn seksualiteit dan de vraag of zijn joods-zijn met andere identiteiten kan samengaan. Bijvoorbeeld: of iemand die gereformeerd is opgegroeid ook de pijn van de holocaust kan voelen. Nee, natuurlijk kan dat – de vraag is meer of die pijn voor anderen zichtbaar kan worden gemaakt, of De Bruijn als oorlogsoverlevende kan worden gezien. Niet om daaronder gebukt te gaan, of er kapot aan te gaan. De titel van het boek, die op het eerste gezicht licht dramatisch kan overkomen, blijkt een kalme, terechte observatie: de holocaust is ook dé oertragedie van De Bruijns leven.

'Jaguarman' is doortrokken van het besef dat we geen punt op een lijn zijn, maar een elektron in een nevelvat

Raoul de Jong, schrijver van het fenomenale De grootsheid van het al, gaat in Jaguarman ook tegelijkertijd zijn eigen kleine en de grote geschiedenis te lijf. De Jong is het enige kind van een Nederlandse moeder en een Surinaamse vader, die hij op zijn 28ste voor de tweede keer in zijn leven ontmoet. Er zijn veel overeenkomsten tussen de twee, maar ook verschillen. De belangrijkste overeenkomst: beide mannen geloven in het bovennatuurlijke. De vader vertelt zijn zoon bij hun ontmoeting dat zij een voorvader hadden die een medicijnman was die zichzelf in een jaguar kon veranderen. Zijn vader, een streng-christelijk man, wil niets van deze heidense geschiedenis weten, de zoon wel.

De Jong heeft de meest literaire knaldrang: Jaguarman is een brief aan een voorouder, een verhaal-in-delen, het boek is een dagboek van een meerdaags wintiritueel, maar bevat ook lezingen van andere Surinaamse auteurs, een reisverslag, en de scènes dus waarin De Jong onder meer ontmoetingen met zijn in zijn jeugd veelal afwezige vader beschrijft: ‘Alle zwarte mannen die langsliepen konden hem zijn’, schrijft hij. ‘Ik hoopte op een Denzel Washington of Humberto Tan.’ Maar: ‘Hij was net zo klein en iel als ik, met dezelfde diepe inhammen en hetzelfde smalle gezicht.’ Je ouders zijn voorbestemd een teleurstelling te worden, zelfs als ze het al zijn geweest, lijkt hij maar te willen zeggen. En dat is tegelijkertijd goed en niet goed.

De taferelen met De Jongs vader zijn indrukwekkend, net als de reportage van zijn speurwerk naar en over slavernij. Maar wat het boek zijn stuwing geeft, is niet teleurstelling of verbittering. Jaguarman is doortrokken van het besef dat een mens niet een punt op een lijn is, maar een elektron in een nevelvat. De Jong probeert het spoor van zijn eigen elektron te beschrijven, de keten van gebeurtenissen die hem Raoul de Jong maakte, met de bewondering van een jong kind voor al die elektriciteit.

Voor De Jong ligt de grootsheid van het al niet enkel in de schoonheid van heel gewone ontmoetingen, maar ook in magie, een groter antwoord op, bijvoorbeeld, de schandvlek van het Nederlandse slavernijverleden, de mensgemaakte hel op aarde: ‘Een van de manieren om “meesters” (ik voel de behoefte om dit woord tussen aanhalingstekens te zetten, al is dat nooit hoe het in de archieven van Het Monster geschreven staat) te doen vergeten dat het hier niet om gereedschap ging maar om mensen, was door deze mensen “slaven” te noemen’, schrijft hij. ‘Alsof een slaaf al een slaaf was voordat hij tot slaaf werd gemaakt. Vandaar dat we tegenwoordig liever “tot slaaf gemaakten” zeggen. Wat mij betreft dekt dat de lading nog steeds niet helemaal. Slachtoffers van de nazi’s noemen we ook geen “concentratiekampers” of “nazislachtoffers” of “vergasten”. We noemen ze Joden, zigeuners, homoseksuelen. Slachtoffers van de nazi’s waren méér dan wat de nazi’s met hen deden, slaven waren méér dan de slavernij, maar de Pairaoendepo (een inheemse naam voor de witte veroveraars) wiste hun dromen, tradities en verleden uit zijn versie van de geschiedenis.’

De Jong bezingt in zijn boek tegelijkertijd zijn helden, hun dromen en tradities, en de vrijheid van de menselijke geest; het verzet tegen alle knechtende krachten die je als mens kunt tegenkomen. Bij De Jong zelf zijn dat bijvoorbeeld: Hoe verhoud ik me tot mijn Nederlander-zijn en mijn Surinamer-zijn, dus mijn zwart-zijn? (Hij heeft het zelf liever over ‘bruin’.) Laat ik mezelf daar wel of niet door definiëren? In het begin was de schrijver vrij onwetend over wat het betekende om Surinamer te zijn, vanwege zijn afwezige vader, zijn jeugd in Rotterdam en zijn veelal witte omgeving: ‘Bouterse en broodjes zoutvlees.’ Het wordt veel en veel meer, waaronder: regenwoud en literatuur (van Anton de Kom tot Astrid Roemer), verleden en heden – van tot-slaaf-gemaakte en in-jaguars-veranderende-voorouders tot ketikoti en kroeshaar (‘Koop een kam!’ roept een passant in Paramaribo de schrijver na) – en de man die De Jong geworden is. Die hij wíl zijn. Iemand die alleen zichzelf is, en geen representant van een of andere groep: de zwarte mensen of de homo’s. Iemand die vanuit de loopgraven van het leven en de geschiedenis over het wonder van de blauwe lucht schrijft.

De schrijver van autofictie schildert een zelfportret niet door zichzelf te bekijken maar om zichzelf te bekijken. Dit onderzoek is gerichte belangstelling van het individu voor zichzelf, voor dat wat vervlochten is met de eigen levensloop. Daarbij horen ook: de verhalen van anderen. De Jong stelt zichzelf daarbij het meest opzichtig in een traditie van Surinaamse verhalenvertellers: hij citeert gretig en veelvuldig uit hun boeken en heeft getekende portretten van hen in zijn boek opgenomen.

Alle drie de boeken tonen hoe de schrijvers gevormd zijn door grotere historische processen – en hoe die processen weer zijn aangeslingerd door individuen, van Muhammad Ali Jinnah en, jawel, Adolf Hitler tot Anton de Kom. Bij Ali is het land van zijn vader een personage, zijn familie, zijn vroegere landgenoten. Bij De Bruijn is de geschiedenis van zijn moeder door de verdwenen mensen minder tastbaar, maar daardoor niet minder concreet; hij zit immers ’s ochtends weer met zichzelf en zijn getraumatiseerde moeder aan de ontbijttafel. Bij De Jong is de geschiedenis van de slavernij langer geleden, maar de mythologische figuur die hij oproept, de jaguarman, zijn voorvader, zit nog in hem. Maar alle drie de schrijvers komen vanuit zichzelf bij deze kleinere en grotere wereld uit.

De verhalen zijn vergelijkbaar maar niet hetzelfde; ze zijn niet tot slogans, hashtags of filmpjes terug te brengen. Wel bespreken ze vooroordelen en verwoorden ze gevoelens die meer mensen, binnen en buiten hun generatie, zouden kunnen herkennen. Op dat moment worden de boeken en wat zij proberen te zeggen intersubjectief. Zoek je bezinksel, een betekenis die je buiten het boek kunt verwoorden, dan kun je stellen dat Ali toont dat een vader als ouder valideert en dat, wanneer dit wegvalt, we zelf op zoek moeten naar validatie en acceptatie. Net zoals je je seksualiteit niet kiest, kies je je ouders niet.

De Bruijn, van de drie wellicht de schrijver met het fijnste pennetje, toont puntgaaf dat contradictie niet uitsluit, maar insluit, dat de werkelijke spanning niet tussen twee concepten bestaat die búiten iemand bestaan maar die in één iemand zitten, zoals de beste romans ook gaan over daders die slachtoffers zijn en vice versa. Je kunt én gereformeerd zijn opgevoed en joods zijn; je kunt én halverwege de jaren tachtig zijn geboren en de holocaust heel direct met je meedragen. Die contradictie is terug te voelen in elke papiervezel van De Bruijns boek. En De Jong geeft lang verzwegen stemmen een geluid, die van zijn vader en vele andere voorouders, en kiest uit dat koraal de woorden die hem het beste passen. Dát alles is individualiteit. En, durf ik te zeggen, het is ook wat literatuur is.