Een zeventiende-eeuws feest in mineur

Feesten, dat konden de zeventiende-eeuwers wel. Dat blijkt eens te meer uit de werken van Jan Steen, die worden geëxposeerd op de tentoonstelling De Gouden Eeuw viert feest. Bij Steen hangt er in de huizen en herbergen de walm van tabak en de geur van een door alcohol doortrokken houten vloer.

Medium judith leyster  pekelharing  16291
Medium jan steen dansend paar 1000

Het is druk op de binnenplaats. Tegen de achtergrond van een kerktoren in een licht glooiend landschap zitten twee muzikanten links op een venster bij de klimop. De ene speelt fluit, de andere viool. Er staan houten tonnen op de grond en een Goudse pijp ligt ondersteboven op een lemen pot. Aan de andere kant staat een gedekte tafel waar vrolijk ogende mannen en vrouwen aan zitten. De keukenmeid achter in de deuropening lijkt met een tinnen bord weg te willen lopen, maar wordt tegengehouden door een man die haar wel erg dicht nadert. Alle anderen kijken naar de simpel geklede man en de deftige dame links van hen. De man neemt haar aan de hand en trekt haar de vloer op. Ze kijkt wat verlegen naar de toeschouwer en staat stijf en strak, terwijl de man al een been omhoog gooit op de melodieën van de viool en fluit. Hij slaat haar guitig gade en heeft zijn gulp openstaan. Tussen hen ligt op een bankje, prominent in beeld, een witte pijp. De steel wijzend naar de dansende man. De kop, waar de tabak in wordt gestopt, in de richting van de dame.

Het dansende paar van Jan Steen is een van de geëxposeerde schilderijen op de tentoonstelling De Gouden Eeuw viert feest in het Frans Halsmuseum te Haarlem. Feesten, dat konden de zeventiende-eeuwers wel. Jan Steen is beroemd om zijn voorstellingen van het alledaagse leven. Met name zijn (ontregelde) huishoudens en herbergtaferelen genieten veel bekendheid. Het is daarom niet verwonderlijk dat Jan Steen goed vertegenwoordigd is op deze tentoonstelling. Op zijn schilderijen zijn ook de vrouwen dansend, drinkend en met de pijp in de hand afgebeeld. Bij Steen hangt er in de huizen en herbergen de walm van tabak en de geur van een door alcohol doortrokken houten vloer. Samen met de mannen des huizes en herbergbezoekers dronk de vrijgevochten Hollandse vrouw zich zat en zette zij de ruimtes blauw.

De tabak die de Hollanders rookten kwam rond het einde van de zestiende eeuw vanuit de Engelse en Spaanse koloniën in Amerika de havens binnen. De matrozen die de gewoonte van het roken overnamen uit de Nieuwe Wereld leerden de Hollandse dokwerkers en landrotten hoe ze moesten roken. Zij namen de pijpen mee vanuit Engeland, waar al eerder voor het genot werd gerookt. In eerste instantie werd in de Republiek vooral de geneeskracht van de plant benadrukt. Tabak werd voorgeschreven bij kiespijn en wormen, maar ook voor ‘vrouwenkwaaltjes’ zoals weeën.

De gedroogde bladeren werden met name aangevoerd vanuit Maryland, Virginia en de Caribische koloniën door de West-Indische Compagnie. De reis die tabak moest afleggen was lang en onzeker en maakte het product erg duur, totdat de markt in 1640 veranderde door een opmerkelijk initiatief. Rond 1615 werd er rond de weilanden van het Zeeuwse Veere en het Utrechtse Amersfoort tabak geteeld. Het product was grover dan de tabak uit Amerika, maar goed te vermengen met de duurdere variant vanuit de koloniën waardoor een veel goedkoper eindproduct ontstond. Er zijn ook aanwijzingen dat in de zeventiende eeuw de tabak werd vermengd met meer bedwelmende kruiden, zoals bilzekruid en hennepproducten.

Overigens was het telen van de tabaksplant niet de enige economische winst die het genotsmiddel de Republiek bracht. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw was de Goudse pijp, een witte variant met een lange steel, het voornaamste rookattribuut. De pijpen werden geëxporteerd naar Engeland, Spanje, Rusland, Amerika en Nederlands-Indië. Engelse huurlingen uit het leger van prins Maurits hadden zich in het begin van de zeventiende eeuw in Gouda gevestigd. Ze zagen potentie in de vele ongebruikte pottenbakkerijen in de stad. De Goudenaren leerden het vak van hen en produceerden in 1641 meer pijpen dan hun Engelse leermeesters. In 1660 werd het eerste pijpenmakersgilde opgericht en was het de handel in dit rookgerei die verantwoordelijk was voor de economische bloei van de stad. Niet erg handig als de Hollandse vrouw het zuur verdiende geld in een herberg op ging drinken en vervolgens op het stoepje buiten in slaap viel met de pijp nog slapjes in haar hand, te zien op Steens De gevolgen van onmatigheid. De rest van het geld wordt gejat door een van de kinderen die zich om haar heen hebben geschaard.

De Goudse pijp komt veelvuldig voor als genotsmiddel op de feesttaferelen. Tot de komst van de sigaar in de negentiende eeuw is de pijp een fallussymbool en een teken voor schunnige toespelingen. De pijp fungeert op de feesttaferelen als symbool voor seksuele spanning, zo valt ook waar te nemen op Het dronken paar van Jan Steen - helaas niet te zien op de tentoonstelling. Hierop is een bruine herberg afgebeeld waar een vrouw straalbezopen in de schoot ligt van een dronkenman die zijn glas heft. De vrouw heeft een pijp in haar hand die in haar kruis rust. De tabak valt uit de omgekeerde kop. Volgens Vazquez, een Spaanse militair op doortocht, waren de Hollandse vrouwen niet weg te slaan uit de herbergen. Zeer waarschijnlijk omdat ze er ter plekke hun roes uitsliepen.

Dat de Hollandse vrouw een vrijer leven kon leiden en meer macht had dan haar seksegenoten in het buitenland is door veel historici erkend. Voorzover je daarover kunt spreken was de Hollandse vrouw in de zeventiende eeuw redelijk geëmancipeerd. Binnenshuis was het de vrouw die de lakens uitdeelde, zij bewaakte huis en haard. Johannes Vermeer schilderde deze zelfbewuste vrouw veelvuldig, die in alle rust en eenvoud het huishouden deed: op een schilderij van Vermeer een serene bezigheid. Ook wanneer haar man thuis was had de Hollandse vrouw de touwtjes in handen. Beroemd is de anekdote van de Engelse diplomaat William Temple waarin hij bij de Amsterdamse burgemeester Hooft over de vloer komt, en daar al keuvelend meermaals op de vloer spuugt. De burgemeester zegt hem dat het maar goed is dat zijn vrouw niet thuis was. Die had hem bij het zien van deze daad onmiddellijk de deur gewezen.

Het grote verschil met het buitenland is de vrijheid buitenshuis die de vrouw werd gegund. Het valt veel van de buitenlandse tijdgenoten op doorreis op dat de Hollandse vrouw zich bezighoudt met mannentaken zoals handelen, en nog schokkender, dat ze in het bezit is van geld. Ze zien de vrouw munten in hun buidels stoppen, afrekenen en afdingen op de markten. Volgens de economisch historicus Jan Luiten van Zanden is de verandering van het patriarchaal huwelijkspatroon naar een gelijkwaardiger samenzijn verantwoordelijk voor de economische bloei na de late Middeleeuwen. Met deze veranderingen ging een beperking van de macht van mannen over vrouwen gepaard. De Hollandse vrouw had misschien wel voor het eerst in de geschiedenis meer eigen vrijheid, ook om buiten het huishouden dingen te ondernemen en zich uit te leven. Dit is goed te zien op de schilderijen van Steen, maar de gegeven vrijheid gaat haar niet goed af wanneer ze in haar vrije tijd aan het feesten gaat.

De Hollandse vrouw die buitenshuis plezier gaat halen eindigt laveloos in de goot of wordt beroofd. En als ze dan eens niet een tinnen kroes bier of een Goudse pijp vastheeft maakt dit fallussymbool vanuit een mannelijk standpunt wel de seksuele intenties duidelijk in het feestgedruis. Op Het dansend paar is de schunnige toespeling van de pijp te zien, maar die feesten die doorgingen tot in de late uurtjes zijn niet te zien op de tentoonstelling. Op de schilderijen waar vrouwen wel feestend worden weergegeven kan de toeschouwer eigenlijk alleen maar medelijden met haar hebben. Ze bezwijkt onder de gevolgen van de genotsmiddelen, waarvan de weergegeven mannen minder last lijken te hebben. Zij zijn nog in staat een vrouw aan te klampen, zoals op _De handtastelijke gast_te zien is. Een goedlachse, wijdbeens zittende herberggast grijpt een langslopende meid bij haar rok. Ze schrikt en legt haar hand op zijn arm. De man met de rode baret bekijkt de situatie en maakt vulgair handgebaar. Hij steekt zonder zijn blik af te wenden van het paar zijn pink in de kop van de pijp, die in handen van een man symbool staat voor zijn lusten. Wanneer de vrouw een pijp in de hand heeft is het een genotsmiddel dat aangeeft dat ze de situatie buitenshuis niet aankan. De vrouw lijkt in haar feeststemming haar waardigheid en controle over de situatie te zijn verloren.

De zeventiende-eeuwse Hollandse vrouw lijkt geen maat te kunnen houden. Hoewel ze binnenshuis alle controle nog lijkt te hebben en gelijkwaardiger aan haar man is dan ervoor glipt deze controle uit haar handen als ze zich verlekkert aan de excessen van de buitenwereld. De Hollandse vrouw blijkt helemaal niet zo vrijgevochten, ze is nog steeds de zwakkere wanneer ze een voet over de drempel van haar huis zet. Als ze gaat feesten als haar man heeft ze een garantie op een overweldigende kater. Haar feestje eindigt altijd in mineur.


Beeld (groot): _ _ Jan Steen – _Dansend paar, late jaren 1650, olieverf op paneel. Particuliere collectie Frans Hals Museum, alle rechten voorbehouden_

Beeld (klein): Judith Leyster - Pekelharing, 1629, olieverf op doek. Frans Hals Museum, in langdurig bruikleen van het Rijksmuseum, Amsterdam (Pekelharing wordt niet besproken in het verhaal, is wel te zien op genoemde tentoonstelling)