Asis Aynan hoeft zich niet te verantwoorden

Een zichtbaarder generatie

Asis Aynan, zoon van een laaggeletterde Marokkaanse gastarbeider, werd schrijver. Maar doet hij het daarmee ook beter dan zijn ‘onzichtbare ouders’?

Je zou zeggen dat de 32-jarige Asis Aynan het verder heeft geschopt dan zijn vader, die zijn brood in het zweet zijns aanschijns moest verdienen: aan de lopende band in een honden­brokkenfabriek, en als ‘scholstapelaar’ in de haven van IJmuiden. Asis is docent Nederlands aan de Hogeschool van Amsterdam, waar hij vooral schrijfles geeft, heeft twee boeken op zijn naam staan, en schrijft een column in het ­universiteitsblad Folia Magazine.

Toch twijfelt hij. ‘Mijn vader had hier een eigen huis, ik woon nog steeds in een krappe huurwoning. Hij had een rijbewijs, dat heb ik ook niet.’

We spreken elkaar in die huurwoning, op de eerste etage van een klein grachtenpand in het centrum van Amsterdam. Vooral de boeken in de woonkamer vallen op: een overvolle boekenkast, daarnaast nog metershoge stapels op de grond. Terwijl zijn moeder analfabeet is, en zijn acht jaar geleden overleden vader, zoals Asis het zelf noemt, ‘laaggeletterd’ was. Asis is de vijfde uit een gezin met negen kinderen, die in­middels tussen de twintig en 42 jaar zijn. Van die kinderen is Asis de meest zichtbare. Het lijkt dan niet toevallig dat hij het geregeld over juist de ónzichtbaarheid van zijn ouders heeft.

Zoals deze maand in zijn column in Folia. Daarin schrijft hij over zijn moeder die, zoals zoveel eerste-generatie Marokkaanse vrouwen, het Nederlands nooit goed heeft leren beheersen, en voor wie hij soms moet tolken: ‘Ik heb het altijd onnatuurlijk gevonden om haar woordvoerder te zijn. Het zijn haar woorden en die zou ik niet moeten uitspreken. Ik weet, of nee, ik voel dat zij hier hetzelfde over denkt.’

Maar op haar volkstuintje in Haarlem heeft zijn 63-jarige moeder zijn hulp soms nodig. ‘Ze vindt het fijn om daar onder de mensen te zijn. Ze verstaat ook wel Nederlands, maar ze durft het nauwelijks te spreken. De onzekerheid over die taal zit zo diep, de angst om het verkeerd te doen…’ Om die reden laat ze zich bij vergaderingen van het complex liever vertegenwoordigen door haar zoon – haar manier, zo schrijft Asis in zijn column, om aanwezig te zijn zonder er daadwerkelijk te zijn. Hij noemt het lot van zijn moeder in Nederland daarom ‘een bestaan zonder Zijn’.

Ze wil, zegt Asis, op die vergaderingen niet eens naast hem blijven zitten. ‘Anders zouden mensen misschien extra moeite voor haar gaan doen, om het voor haar ook begrijpelijk te maken. En zoveel aandacht wil ze niet voor zichzelf opeisen. Ze wil ook voorkomen dat voor de dertigduizendste keer tegen haar wordt gezegd: je moet Nederlands leren! Zo voelt zich toch al zo een blok aan het been van de samenleving.’

Hij haast zich eraan toe te voegen: ‘Ze had niets liever gedaan dan Nederlands leren, maar het kon niet, het mocht niet, te veel kinderen ook, te veel zorgen. Het is er gewoon nooit van gekomen.’

Onzichtbaarheid werd ook het lot van zijn vader, die begin jaren zeventig naar Nederland kwam, toen hij een jaar of dertig was, en hier vervolgens ruim dertig jaar woonde en werkte, maar na zijn overlijden in Marokko werd be­graven. Mede door het ontbreken van een graf in Nederland is het voor Asis ‘alsof hij hier nooit is geweest’.

In de documentaire Nieuwkomers van Wim Brands, begin deze maand uitgezonden door de vpro, zei Asis dat hij, bij afwezigheid van zelfs een graf voor zijn vader, de behoefte had gevoeld een monument voor de man op te richten. Hij had het over het samen met Hassan Bahara geschreven Ik, Driss, een fictief verhaal over de belevenissen van een Marokkaanse gastarbeider. ‘Dat was echt bedoeld om die eerste generatie een literaire stem te geven. Want die oudjes zijn niets anders dan cijfers die door het Hollandse landschap wandelen. Hoeveel hebben er suikerziekte, hoeveel hebben er een uitkering, hoeveel geld maken ze maandelijks over naar familie in Marokko, hoeveel gaan er uiteindelijk terug.’

Zijn vader had het volgens Asis in zich een levensgenieter te zijn, een bohémien: ‘Thuis was het altijd erg gezellig als hij op zijn luit ging spelen. Voordat hij zijn gezin naar Nederland haalde, in 1980, het jaar waarin ik werd ge­boren, speelde hij ook in bandjes. Daar moeten nog radio-opnamen van zijn, maar daar heb ik vergeefs naar gezocht. Die man heeft hier echt weinig sporen nagelaten. Hij is met spelen gestopt toen ik nog erg jong was, hij begon steeds religieuzer te worden. Het was een kentering, hij ging plotseling overmatig bidden en las dagelijks urenlang in de koran. Ik denk dat hij het gevoel had dat hij boete moest doen voor zijn wilde jaren. Maar er waren natuurlijk ook veel kinderen en er moest brood op de plank komen, het huis moest afbetaald. Ik denk, maar dat is speculatie, dat hij zijn oude leven alleen achter zich kon laten door te breken met alles. Nu zijn vrouw en kinderen hier ook waren – daar hoorde geen muziek bij, geen alcohol, en bepaalde vrienden ook niet meer.’

Het heeft de jeugd van Asis voor een deel vergald: ‘Dat bidden, de eindeloze sessies in de moskee, de koranlessen, de ramadan, ik vond dat allemaal echt niet leuk. En toch ben ik de islam ook dankbaar, want daaraan ontleende mijn vader vermoedelijk de kracht om goed voor zijn gezin te zorgen. Hij was er altijd. Bracht ons naar de moskee, deed boodschappen, ging naar ouderavonden, bracht ons naar het ziekenhuis voor inentingen. Hij heeft zijn ouderlijke plicht vervuld, terwijl hij eigenlijk een man van rock-’n-roll was. De muziek, de feesten, de meiden, hij heeft het allemaal afgezworen.’

Voor migranten is de generatiekloof doorgaans groter dan voor autochtonen. De tweede generatie spreekt de taal beter, vernederlandst onherroepelijk. De eerste generatie blijft min of meer trouw aan het land van herkomst. Abdelkader Benali zei het eens in ongeveer deze woorden: ‘Het zijn mijn ouders die tussen twee culturen leven, niet ik. Zij zitten tussen Marokko en Nederland in, zij zitten met het eeuwige verlangen terug te keren, ik niet.’ Ook Asis zegt dat hij ervoor heeft gekozen, als je het nog een keuze kunt noemen, Nederlander te zijn: ‘Ikzelf zit in twee culturen, niet ertussen. Mijn moeder zit in geen enkele cultuur.’

Waarmee hij opnieuw haar onzichtbaarheid benadrukt, dat ‘bestaan zonder Zijn’. Maar hoe zit het met zijn eigen zichtbaarheid, in háár ogen? Zijn boeken en columns kan ze niet lezen. Of ze de documentaire Nieuwkomers heeft gezien, weet Asis op het moment dat we elkaar spreken nog niet – terwijl die vijf dagen eerder werd uitgezonden. Ze heeft hem er in ieder geval niet over gebeld. Hij denkt dat ze wel trots op hem zou zijn: ‘Maar veel belangrijker voor haar is dat ik een baan heb. Ze vindt het ge­weldig dat ik op de hogeschool werk.’ Maar wat hij daar precies doet, weet ze ook niet. ‘Ik vertel haar daar natuurlijk wel over. En dan luistert ze altijd goed.’

De broers en zussen van Asis hebben allemaal gestudeerd, of doen dat nog. Degenen die hun studie hebben afgerond werken. ‘Op dat gebied’, zegt Asis, ‘zijn de dromen van mijn ouders wel uitgekomen. Maar niet op religieus terrein. Het doet mijn moeder echt pijn dat ik niet meer geloof. Ik denk dat ze in elk gebed voor mijn ziel bidt. Ze zegt nog altijd: ik hoop dat je op een dag weer gaat bidden.’ Bijna losjes voegt hij eraan toe: ‘Het is eigenlijk wel raar, want voor mij is het geloof helemaal geen issue meer. Ik denk niet dat ik verloren ben of in de hel terechtkom.’

Het komt hem ook wel goed uit dat zijn moeder niet kan lezen wat hij schrijft: ‘Ik hoef me niet in te houden, niet te verantwoorden. Dat scheelt me veel kopzorgen. Tegelijkertijd vind ik het jammer dat mijn moeder een bepaalde kant van mij niet kan zien, voor mezelf en voor haar.’

Zijn vader had wat hij schrijft misschien wel kunnen lezen, maar die overleed vlak nadat Asis was begonnen te schrijven. Asis de­buteerde in Contrast, een blad voor de multi­culturele samenleving, waarvoor hij reportages en columns schreef, soms samen met Hassan Bahara. ‘Gingen we bijvoorbeeld naar een Marokkaans bordeel, die heb je in Nederland. Dat brachten we dan heel smeuïg.’ Dat hij voor Contrast begon te schrijven, heeft hij zijn vader nooit verteld. Zal hij het zijn moeder straks wel zeggen als hij – wat toch een mogelijkheid is – met een Nederlandse vrouw gaat samenwonen? ‘Ik heb altijd gedacht dat dat niet zou kunnen. Maar eigenlijk vind ik dat slecht van mezelf, want dat betekent dat ik een voor­oordeel over mijn moeder heb. Door te denken dat ze dat nooit zou accepteren maakte ik in mijn hoofd toch een soort demon van haar. Zus mag niet, zo mag niet. Nu denk ik vooral: het gaat er gewoon om dat ze zo iemand ontmoet. Ik denk dat wij van de tweede generatie onze ouders heel erg onderschatten. Er valt best met ze te praten, maar dat moet je dan wel doen, en daar schrikken de meesten voor terug. De tweede generatie is vooral erg bezig haar ouders te pleasen. Mijn vader is gewoon naar Europa ver­trokken, zeer tegen de zin van mijn opa in, want die wilde dat hij op het land bleef werken. Die menta­liteit zie ik niet bij mijn generatiegenoten. We kijken soms neer op onze ouders, schamen ons zelfs voor ze, soms, maar eigenlijk hebben ze het heel goed gedaan. Mijn moeder heeft negen kinderen opgevoed, toch niet niks. Mijn vader durfde in een ander land te gaan wonen, ik durf dat helemaal niet. Als je je afvraagt of wij het beter doen dan onze ouders moet je ook naar dat soort dingen kijken.’


Turkse makelaar

Een groeiende groep allochtone midden­klassers, zo schreef het Instituut voor multiculturele vraagstukken Forum in 2008, ‘dringt de laatste vijf, zes jaar door in alle haarvaten van de samenleving’. Een Turkse makelaar, een Kaapverdische organisatieadviseur, een Marokkaanse docent, een Antilliaanse beleidsambtenaar, een Servische geluidstechnicus – het zijn geen gróte uitzonderingen meer. –Maar verhoudingsgewijs is de allochtone middenklasse nog altijd kleiner dan de Nederlandse. Van de Surinaamse en Antilliaanse beroepsbevolking zou je ruim vijftig procent tot de middenklasse kunnen rekenen, terwijl dat percentage bij autochtone Nederlanders op ongeveer zeventig procent ligt. Voor Turken en Marokkanen ligt het op ruim 35 procent. Wel groeit de allochtone middenklasse harder dan de Nederlandse. De omvang ervan is de afgelopen twintig jaar verdubbeld.

Dat maakt die allochtone middenklasse nog niet onmiddellijk zichtbaar. De kans, zo schrijft Forum, dat een inwoner van Nederland die kriskras door het land fietst een allochtone middenklasser in de leeftijd van 25 tot 34 jaar tegenkomt – iemand als Asis Aynan – is nog altijd 25 keer zo klein als de kans een autochtone middenklasser van dezelfde leeftijd ‘in het wild’ tegen te komen.