Een ziel met duizend maskers

Pim Wiersinga, Gracchanten. Uitgeverij Meulenhoff, 616 blz., f59,90.
REVOLUTIONAIREN waren het, de broertjes Tiberius en Gaius Sempronius Gracchus, de eerste Europese hervormers, volkstribunen die hun tijd ver vooruit waren. Romeinen van hoge komaf die een eind wilden maken aan de economische en bestuurlijke problemen waarmee de Republiek na 140 voor Christus steeds meer te maken kreeg.

Maar hun hervormingsvoorstellen stuitten op felle weerstand in de senaat. Vooral het plan om de verpaupering van de boerenstand te keren via herverdeling van land leidde tot een bikkelharde machtsstrijd en brak hun tenslotte de nek. Tiberius werd bij een zorgvuldig geensceneerd relletje door enkele jonge senatoren doodgeknuppeld op het Capitool. Een begrafenis kreeg hij niet, zijn lijk werd in de Tiber gegooid. Het lichaam van zijn jongere broer onderging hetzelfde lot.
Gaius probeerde tien jaar later het werk van zijn broer voort te zetten. Toen hij vanwege zijn functie een tijdje in Carthago zat, boette zijn invloed in Rome snel aan kracht in. Conservatieve senatoren kregen de overhand en zetten na zijn terugkeer straatgevechten op touw. Gaius wist nog wel aan zijn tegenstanders te ontkomen, maar werd op zijn vlucht door een slaaf gedood.
Historische feiten die in hun samenhang meer dan genoeg dramatiek bezitten om tot de verbeelding te spreken. Pim Wiersinga, die in 1992 verrassend debuteerde met Honingvogels, is dan ook niet de enige die zich door deze geschiedenis heeft laten inspireren. Scarlatti en Giraudoux gingen hem bijvoorbeeld voor met respectievelijk een opera en een toneelstuk. Toch is geen van beide broers hoofdrolspeler geworden in zijn vuistdikke roman die Gracchanten heet.
VERTELLER en fictieve hoofdpersoon van Gracchanten is Skamander, om allerlei redenen een nogal kameleontische figuur, een ziel met duizend maskers, bovendien een man zonder huis of vaderland. Hij is de zoon van een Macedonische generaal, verwekt bij een Aziatische vrouw, gunsteling, vertrouweling, spookkoning, slaaf, schandknaap, pleegvader en toneelspeler in alle betekenissen van dat woord. Dat alles maakt hem tot een uiterst gecompliceerde persoonlijkheid. Van jongs af aan heeft hij alles leren wantrouwen wat met Rome te maken heeft en toch is hij, na een onverwachte ontmoeting waarbij het liefde op het eerste gezicht was, een half leven lang als Enkidou, helper en schaduw van de legendarische held Gilgamesh, rusteloos op zoek naar Gaius Gracchus.
Op veertigjarige leeftijd zet hij zijn memoires op papier, gericht aan het adres van de moeder der Gracchen, Cornelia Sempronia, een bacchante. Zijn boezemvriend is dan dood. In een brief aan haar vat hij zijn inspanning als volgt samen: ‘Ik ben in de huid gekropen van de jongen die ik dertig jaar geleden was en heb de wereld geschilderd in de tinten waarin die zich voordeed aan zijn ongeoefende geest. Ik bezing de avonturen van zijn jeugd; zijn tanend ontzag voor de vader; zijn vroegere metgezellen; en als de muze mij welgezind is zal ik vertellen hoe zijn jeugd verwoest zou zijn als hij uw genegenheid was misgelopen en de vriendschap van uw zoon Gaius.’
Het geheel van deze herinneringen kan worden gelezen als een volstrekt eigen variant op het dodenboek en de elegie waarin de lof van de vriendschap wordt bezongen. Van alle personen waaraan Skamander zich in de achter hem liggende jaren heeft gehecht, die hij heeft gekend, waarmee hij bevriend is geweest en die hoofdstuksgewijs worden herdacht, is vrijwel alleen zijn tien jaar oudere jeugdvriendin Helena nog in leven. Terugkijkend overziet hij zijn leven vooral als een vorm van overleven. Maar hij kent de goddelijke wet: juist door dit gemis zal hij zichzelf leren kennen.
Skamander heeft, geheel in overeenstemming met zijn liefde voor het theater, zijn herinneringen gerangschikt volgens de regel die voorschrijft hoe het klassieke drama gestructureerd moet zijn. Daarmee geeft hij ruimte aan de suggestie dat het om de levensloop van een tragische held gaat. In vijf bedrijven vat hij het samen, vijf delen waarin allerlei vormen van schrijven worden beproefd: vertellen en beschouwen, herdenken, rekenschap afleggen en overbrieven.
Op de achtergrond is zijn grote voorbeeld Euripides voortdurend aanwezig. Met name diens Bacchanten, de tragedie waarin wordt verhaald over het verschrikkelijke einde van Pentheus, de koning van Thebe, die zich verzette tegen de Dionysos-cultuur. Skamanders adoratie voor deze Aziatische theatergod, tevens de godheid van de gedaantewisseling, de vreugden en de inspiratie verschaffende wijn, is volledig. Zoals Bacchanten een spel is dat een historische achtergrond illustreert, namelijk de invoering van een nieuwe religie in Griekenland, zo zou het theaterstuk Gracchanten dat hij, om de ideeen van Gaius Gracchus te ondersteunen, opvoert in de straten van Rome, het begin moeten worden van een modern Ro meins imperium. De opzet om het dionysische over het apollinische te laten zegevieren wordt in bloed gesmoord. Niet de muze maar het (politiek) geweld overwint, de verbeelding legt het als zo vaak af tegen willekeur en macht.
DECOR VOOR de roman is de opkomst van het Romeinse Rijk en daarmee samenhangend de terugval van de Griekse samenleving. Coordinaten op de kaart van het boek zijn Mesopotamie met de vlakte van de Tigris, steden als Babylon met zijn wereldwonderen, Alexandria, het eiland Kreta, Pydna waar de Griekse legers onder aanvoering van onder meer Skamanders vader een beslissende slag tegen de Romeinen verloren, Pella waar Euripides aan het eind van zijn leven verblijf hield, en Rome, de hoofdstad van het imperium. Maar meer dan landschappen, pleister- of woonplaatsen waardoorheen Skamander zijn weg zoekt, al dan niet geleid door zijn vader, het lot, het noodlot of de eigen wil, symboliseren ze de streken die de oorsprongen van het vertellen belichamen: het sprookje, het epos, de mythe en de tragedie.
Gracchanten is geen van alle, en in zekere zin alle in een. Pim Wiersinga heeft dit erfgoed gretig geplunderd, maar het op een geheel eigen wijze bewerkt en met behulp van een gedragen taalgebruik een sfeer van authenticiteit weten te geven. De roman is groots opgezet, hij bestaat uit een schier eindeloze reeks vertellingen, een nauwelijks in toom gehouden kluwen die begint in de streken waar de duizend-en- een-nachtverhalen thuishoren, wanneer Skamander zich onder de hoede van zijn vader in een karavaan westwaarts begeeft, richting Macedonie.
De geschiedenis van Skamanders leven zit boordevol wonderbaarlijke en avontuurlijke omzwervingen, vergelijkbaar met die uit de oude epen, verrassende ontmoetingen en ontsnappingen, gevoelens van wantrouwen en verraad, voorbeelden van achterdocht, bedrog en tweedracht. Zo wordt Skamander door zijn vader op het schild geheven als de nieuwe koning van de Macedoniers, maar nauwelijks een dag later is hij alweer op de vlucht. Vervolgens vestigt hij zich in Korinthe als schandknaap van de Romeinse gezant Blossius, komt hij op Kreta terecht als slaaf, ontmoet hij daar een van zijn liefdes, de toneelspeelster Alexandra, en haar broer Minos, die hij jaren later weer tegenkomt in Rome en na de dood van de beminde Gaius op verzoek van Cornelia Sempronia zal doden. Daar ook wordt hem de spreuk duidelijk die het orakel van Delphi hem ooit meegaf: 'Deze tempel van eendracht is op tweespalt gebouwd.’
En al die tijd zwerft hij rond met een ketting waaraan een steen van jade zit, met daarop de spreuk 'Ken uzelf’. Woorden van alle tijden en daarom ook van deze, die als een rode draad door het boek lopen en de psychologische portrettering van de hoofdfiguur helpen onderstrepen.
Gracchanten is door zijn overdaad aan zijpaden, verrassende wendingen en onverwachte omkeringen van het lot vooral een labyrintische roman geworden, goed gevuld met spanning en avontuur. Bij het lezend dwalen over de grillige plattegrond ervan raak je tenslotte het orientatie- en tijdgevoel kwijt. Zoiets kan een verdienste zijn van een boek. Maar anders dan elk labyrint heeft deze roman geen centrum en dat blijkt uiteindelijk een zwakte eraan.
Al in een vrij vroeg stadium wijst Cornelia in een brief de penvoerende Skamander erop dat hij maat moet houden: 'Onder dwang van de taal vertakken de herinneringen, of ze nu juist zijn of niet, zich steeds minutieuzer, ze verstikken elkaar en vliegen elkaar in de haren. Ook in jouw relaas gebeurt dit.’ Jammer, maar de waarschuwing die Pim Wiersinga zichzelf hier geeft, heeft hij vervolgens in de wind geslagen.