Chopin, tweehonderd jaar en nog steeds een der Grootsten

Een ziel zonder lijf

Bij de tweehonderdste verjaardag van Frédéric Chopin herluistert Bas van Putten diens werk. Er zit een onuitstaanbare grootsheid in: Chopin is er voor het hoogste, niet voor jouw verscheurde ziel.

Nooit noem ik Chopin, 1 maart tweehonderd jaar geleden geboren, wanneer me naar mijn favoriete componisten wordt gevraagd, terwijl dat wel zou moeten. Hoe is het mogelijk dat je Chopin nooit nodig denkt te hebben, terwijl je weet dat hij een van de Grootsten is, de man wiens Barcarolle, Balladen, Mazurka’s en Nocturnes behoren tot de indrukwekkendste en meest geconcentreerde pianomuziek ooit geschreven? Waar zit de afstand?

Lang heb ik gedacht dat het de onverkwikkelijke associaties waren met het geromantiseerde Parijs van zijn dagen. Het is Bollywood, een high society waarin een wegkwijnende Poolse emigrant op een dieet van gomwater en opiumdruppels als een hoestende schim aristocratische salons masseert met geparfumeerd intieme hartsbekentenissen vol smartelijke herinneringen aan het voorgoed verloren vaderland - zo, zijn alle trivia er vast in één keer uit. Maar Trivialbiographie heeft me bij Mozart evenmin weerhouden, en het vaak ongenaakbaar trotse van Chopins toon blijkt keer op keer zo'n krachtig medicijn tegen het kitschbeeld dat je je gaat afvragen waaraan hij het epitheton romanticus dan wel te danken heeft. Debussy’s vaststelling dat Chopin zich aan elke classificatie onttrok is allereerst zo waar omdat hij heel erg niet is wat hij soms zo lijkt: een dromer.

De somnambule dweperij die hem wordt nagedragen is een bijwerking van slordig horen. Chopin is kalm of woest afstandelijk, een bewuste alleengang. Er is een koelte in zijn gloed die samenhangt met het berekende van zijn beginselen. Chopins dandyeske levensstijl, tuberculeuze lijdensweg en de schijn van Candlelight-_intimiteit in zijn _Nocturnes verhullen classicistisch-objectieve, in veel opzichten onromantische opvattingen over muziek. Zijn modellen zijn Bach, Scarlatti, Haydn en Mozart, niet zijn grensverleggende Parijse vrienden Liszt en Berlioz, wier werk hij verafschuwt. Tijdens Chopins eerste bezoek aan Berlijn in 1828 beklijft van alle concerten en theatervoorstellingen die hij bijwoont alleen Handels Ode for St Cecilia’s Day; eigentijdse meesters als Spontini en Weber treffen geen doel.

Hij is wel en geen kind van zijn tijd. Frédéric François Chopin - of Fryderyk Franciszek Chopin - bewondert Bellini en negentiende-eeuwse belcanto-diva’s als Giuditta Pasta, maar Schumanns Carnaval, waarin de componist hem nota bene eert met een vriendschappelijk portret, heeft in zijn ogen niets meer met muziek te maken. Streng is hij ook voor Beethoven, wiens zogenaamde originaliteit volgens Chopin ten koste van de vorm bekocht wordt met de schending van ‘de eeuwige principes’. Bestaande muzikale wetten zijn hem blijkbaar heilig en waar Chopin, zoals hij ergens schrijft, een nieuwe wereld wil creëren, kan hij dat ancien regime niet laten varen. Dat is de moeite niet; die orde is hem aangeboren. Chopins veelstemmige verbeeldingskracht bekt van nature naar de regels van het spel. De onbegrensde harmonische en melodische gaven die hij met zijn helden Bach en Mozart deelt zijn door zijn leraar Jozef Elsner in Warschau zesmaal per week verankerd in een stijlvast contrapuntisch kader. In harmonisch opzicht is Chopin al jong de wellicht meest geavanceerde componist sinds Mozart. In zijn Etude Op. 10 nr 6 peilt de twintigjarige chromatisch tastend vergelijkbare ontheemde diepten, waar de verbaasde mens in rondzweeft als een verse engel in de hemel. Nergens tref je doodlopende noten aan in zijn onmerkbaar fijne harmonieën. Geen noot zo onbeduidend of hij zoekt verlossing.

Maar dat is evolutie of de eeuwigheid, het vissen in de erevijver die alleen de besten buit gunt. De echte revolutie voltrekt zich in de pianistische textuur die de gestrengheid van de stemvoering met een ragfijn virtuozenfluïdum vernevelt tot de pointillistische impressie die helaas alleen de grootste pianisten weer ontsluieren, waardoor zijn pièces de resistance zelden hun driedimensionale polyfone rijkdom openbaren; te dikwijls klinken scherzi en etudes als concourscorvee. In naakte akkoordformaties daarentegen, zoals die van de twintigste prelude, dringt een verholen preromantische koraaltoon steeds weer aan de oppervlakte, doorstikt met zo'n innig sterke Chopin-melodie die elke noot voor eeuwig lijkt te willen blijven zingen. In de Nocturne Op. 15/3 staat veelzeggend 'religioso’ boven zo'n passage, en dat is niet uit romantische koketterie met wat toen vroeger was - het vrome handwerk is het fundament van zijn arbeidsmoraal.

Volgens zijn biograaf Adam Zamoyski beschouwt Chopin zichzelf als een ambachtsman. Hij componeert spaarzaam en zorgvuldig, als een horlogemaker. Over het resultaat is hij zelden tevreden en hij hoort het anderen ongaarne duiden; voor hem is het alleen muziek. In Schumanns beroemde lofprijzing van zijn Mozart-variaties Opus 2 ergert de hermeneutische verklaarzucht hem dermate dat hij probeert publicatie in Frankrijk te verhinderen. 'Hört nicht gern über seine Werke sprechen’, noteert Schumann droogjes na een ontmoeting met de componist in zijn dagboek. Met zijn scherpe zinnen moet hij hebben aangevoeld dat Chopin zijn noten juister vond dan Schumanns woorden, en zal begrepen hebben.

Even onpathetisch is Chopins leven. Al geeft samen met de tbc een tweetal onbereikbare geliefden er een air van drama aan, het is een windstilte in vergelijking met het drieste mannenavontuur dat Liszt en Berlioz tot godsgeschenken voor hun biografen maakte. Met de bejubelde premières van zijn beide pianoconcerten in het Warschau van 1830 en zijn daaropvolgende vertrek uit Polen, het zigeunerachtige verblijf op Mallorca met zijn roemruchte minnares George Sand en een handvol publieke optredens in Wenen, Parijs, Engeland en Schotland heb je de voornaamste hoogte- en dieptepunten wel gehad. Chopins bestaan in Parijs is comfortabel onspectaculair en niet half zo star-like als de mare wil. Hij verdient er bijna doodgewoon zijn brood als pianoleraar van de betere standen, hoewel hij daar dankzij zijn reputatie als pianopedagoog uitstekend van kan leven. Chopin geeft kapitalen uit aan bloemen, ijs, een eigen rijtuig, zijn handschoenenverzameling en overige fatterige snuisterijen. Zijn appartementen zijn luxueus, zijn garderobes modieus, zijn muzikale kleinoden geliefd, zijn gaven als vertolker spoedig legendarisch.

Maar de pianogod blijft mens onder de mensen, volgens George Sand ernstig gehinderd door de makke dat hij niets van ze begrijpt, maar niettemin - of juist daarom - een graag geziene gast op de soirees van de Parijse bovenlaag, waar zijn aristocratische reserve zo goed valt dat hij geen toets hoeft aan te raken om te mogen blijven.

Over zijn zielenleven lijkt hij net zo discreet als over zijn werk. Chopins persoonlijkheid - nuchter, ironisch, onzeker met het delicate zelfbewustzijn van de diva - blijft vaag tot je zijn geestige en slimme brieven leest, die Sands beweringen over zijn wereldvreemdheid logenstraffen met bloedige oneliners over, onder veel meer, Liszts zelfverheerlijkende solidariteit met de Hongaarse zaak: 'Liszt wordt binnenkort afgevaardigde of misschien zelfs koning van Abessinië of Congo, maar de thema’s van zijn werken zullen worden vergeten.’ Liszts bonmot dat Chopin bereid was 'alles te geven behalve zichzelf’ verhoudt zich tot die dodelijke zin als een kalenderwijsheid tot een vonnis; het is, net als Liszts ijdele herenmoraal, te mooi om waar te zijn, terwijl je zijn bewering nog geen kwartslag hoeft te draaien om hem goed te krijgen.

Wat je aan Chopin hoort is iemand die bereid is alles op te geven, behalve zichzelf. In zijn aanvallende momenten is de fysiek breekbare pianist, die op het podium een mezzoforte liet verkeren in een donderslag, monumentaal onwankelbaar. Geen muziek die zo heroïsch dapper oprukt als het scherzo van de Tweede pianosonate; geen dans zo militair vermetel als een Polonaise van Chopin. Daar doet iemand schitterend zijn best om zich niet klein te laten krijgen. Daar staat wel degelijk a man in full met de ijzeren wil van de boze geest die namens the survival of the fittest ritueel de kachel aanmaakt met dat bloed spugende lijf.

'Imagine!’ filosofeerde Vladimir Horowitz bewonderend: 'He never weighed more than ninety-odd pounds. (…) But on paper he was never ninety pounds.’ 'A call to arms’ was zijn kunst, 'proud, heroic, chivalrous and in the grand manner.’ Dat komt al meer in de buurt. Er valt op af te dingen dat de strijder telkens afglijdt naar het esoterische. Midden in dat scherzo en de aansluitende treurmars van de Tweede sonate bevinden zich solipsistisch verstilde mijmerenclaves die doen vrezen dat hij erin blijft, en waarvan je nooit goed weet hoe je ze op moet vatten. Vlucht? Nederlaag? Een reculer pour mieux sauter, in aanmerking genomen dat hij de draad altijd weer oppikt? Dat zijn de klassieke chopiniaanse ontsnappingsmomenten, waar de sjamaan verdwijnt in het oog van de storm die hij zelf ontketende. In de Tweede ballade gebeurt met hetzelfde schokeffect het tegenovergestelde, als de sereniteit van het hartbrekende begin aan flarden wordt geschoten met gepantserd klatergoud. De adempauze tussen de stilte en de storm is het zwarte gat waarop de vrome Liszt net zo min vat kreeg als de ademloze sterveling van 2010. 'Normale’ grootmeesters worden familie van je, vaders, broeders. Chopin vaporiseert waar je bij staat.

Soms denk ik aan Chopin als ik naar paarden kijk. Waar ik woon, ver van de steden en de ruilverkaveling, beheersen ze als veldheren de landerijen. Waar de buikige pony’s als het lage vee in kudden optrekken, staan de grootste dieren majestueus alleen, sierlijke fabelwezens in een ongerepte tegenwereld. Wat zijn ze rank en sterk en mooi en wezensvreemd en schuldverwekkend, bedacht ik, toen me hun taal begon te dagen. Ik zie hoe prachtig ze bewegen, gracieus en toch exact, hoe ze de last van een aanzienlijk gewicht als dansers van zich afschudden en dravend spelen met de zwaartekracht, licht zonder luchtigheid, zoals Chopin is in zijn walsen en mazurka’s. Zo, dacht ik dan, zouden mensen moeten zijn, volmaakt zonder het met kleinmenselijke eerzucht na te streven. Volmaakt, omdat het in de genen is gebakken. Applaus, daar denkt een paard niet aan. Het beweegt zo, omdat het zijn aard is.

Zo is Chopin, groot van geboorte. Daar moet je tegen kunnen. Denkt een man in tweestrijd aan Chopin, dan voelt hij wat er aan hem schort: zijn luiheid en zijn geldingsdrang, zijn lelijkheid, zijn onbehouwen omgangsvormen. Chopins verte is perfectie. Hij is er voor het hoogste, niet voor jouw verscheurde ziel. Hij zingt van je af, niet naar je toe; onontkoombaar dat hij bijna uitsluitend voor piano solo schreef, op een publieksonvriendelijk privé-domein. Wie als pianist dit paard bestijgt moet helhorend als een kwieke nederige schaduw meebewegen om niet dood te vallen. Dit paard voert je mee, maar schenkt geen samenzijn. De speler zal alleen zijn met een ander die het ook is, en geroerd zijn door de even eenzame ontroering van de ander.

Liszt hoorde Chopin in zijn Nocturnes vliegen met gewonde vleugels. Totale onzin is het. Dan hoor je Icarus. Maar deze mythe kon niet vallen. 'Een ziel zonder lijf’ noemde Custine Chopin. Daar heb je het. Wat gewichtloos is, blijft stijgen tot de amateurvlieger moet afhaken. Daarom vergeet hij de grootsten, of hij onthoudt ze verkeerd.

Te koop in de webshop van De Groene Amsterdammer: Frederic Chopin, Chopin Collection - elf cd’s. Door Arthur Rubinstein, € 26,99