Een zitplaats!

Wolfgang Hilbig, De mare van de bomen. Vertaald door Gerrit Bussink, uitg. Goossens Manteau, 110 blz., 329,90
Schrijver staart naar leeg vel papier. Is er een afgezaagder begin denkbaar voor een verhaal? ‘Zo'n literatuur verdient geen belangstelling’, schrijft Wolfgang Hilbig terecht. Maar toch begint hij De mare van de bomen ermee. En naar blijkt: met recht.

Alleen wie van het kaliber van de Duitse, voormalig Oostduitse schrijver Hilbig is, kan zich veroorloven zo'n afgetrapt pad in te slaan. Een leeg vel papier. Er daalt as op neer. De as komt van buiten, van de vuilstortplaats aan de rand van de stad. Waller, de verteller, krast de eerste zin van zijn verhaal in de as op het papier. Hij komt niet verder, hij zit niet goed, niet lekker. ‘Een zitplaats, een zitplaats!’ klaagt hij. Hij gaat naar buiten, naar de vuilstortplaats. Avonden lang dwaalt hij door as, vuil, rook en onkruid.
Dat is Hilbigs favoriete landschap. Het figureert in menig verhaal van hem. Het beantwoordt aan het westerse cliché van de DDR: grauw, vervuild, non-descript, met de geur van bruinkool, afval en slechte benzine. Maar voor Hilbig is het veel meer dan een cliché: het is het ultieme symbool voor de stilstand in de DDR, voor de totale teloorgang van tijd, geschiedenis en herinnering.
Langzaam komen de herinneringen bij Waller boven. Hij herinnert zich hoe de vuilstortplaats ooit begrensd werd door een laan met bomen. Toen hij nog leerling was bij de fabriek, ging hij er wandelen met zijn vrienden. Ze noemden de laan de Kersenlaan. Er was ook een dorp, maar dat is inmiddels ten prooi gevallen aan de mijnbouw. En de kersebomen zijn ook verdwenen. Er was iets met die bomen, herinnert Waller zich. 'Op een keer, en ik vond het pijnlijk eraan terug te denken, had ik op een van die kersebomen gezeten om een vlucht te voltrekken die anderen een stuk gemakkelijker was gevallen. Zij waren gewoon via de westelijke grens naar het andere deel van het land verdwenen.’
In 'de zomer van de muur’ waren zijn vrienden gevlucht. Waller was op de fabriek blijven werken. Twintig jaar na die zomer beseft hij hoezeer hij zijn herinneringen en zijn gevoel voor tijd en geschiedenis is kwijtgeraakt. Hij begint te spijbelen van zijn werk om te dwalen door het landschap van zijn jeugd. Dat landschap is in een stortplaats voor het vergeten verleden veranderd, beheerd door een stel 'vuilnisarbeiders’. In de keet op de stortplaats richt hij een schrijfplek in. Dan keren de herinneringen een voor een terug. Ook die meest verdrongen herinnering, die aan zijn zitplaats op een zijtak van de kerseboom, twintig jaar geleden. En ja, er was iets, iets met een touw.
Wallers mijmeringen zijn dan allang ontstegen aan het gepieker achter een leeg vel papier. In de loop van het verhaal zijn ze de contouren gaan aannemen van een portret van de DDR. Een portret vol beelden, stemmingen en geuren, maar ook met hilarische karikaturen van de Oostduitse bureaucratie. Daarin lijkt De mare van de bomen op Ik, Hilbigs tot nu toe belangrijkste roman. Over een avant-gardedichter die in de webben van de Stasi verstrikt raakt. Ook al een hoofdpersoon die eigenlijk aan de andere kant van de Muur had moeten leven. Net als Hilbig zelf, die in 1985 uiteindelijk toch maar tot de sprong besloot.
In De mare van de bomen beschrijft Hilbig dus eigenlijk zichzelf, niet lang voor zijn sprong. Het is immers twintig jaar na de 'zomer van de muur’, dus begin jaren tachtig. Hilbig zal wel nooit meer loskomen van de DDR. Maar kan een auteur met zo'n poëtische verbeelding als Hilbig een betere bron wensen dan een land waar tijd, geschiedenis en herinnering meer dan twintig jaar alleen maar as hebben verzameld?