Kurt Vonnegut over het socialisme: leve ons clubje!

Een zoetwater-Amerikaan

«Socialisme» is net zomin een lelijk woord als «christendom». Het christendom en het socialisme prediken beide een maatschappij die gebaseerd is op de gedachte dat alle mannen, vrouwen en kinderen gelijk zijn geschapen en niet van honger mogen sterven.Leve ons clubje!Dixit Kurt Vonnegut. Een voorpublicatie uit zijn nieuwe boek.

Weet je wat een twerp is? Toen ik 65 jaar geleden op Shortridge High School in Indianapolis zat, was een twerp een gast die een kunstgebit in zijn reet stak en de knopen van de achterbanken van taxi’s afbeet. (En een snarf was iemand die aan de zadels van meisjesfietsen rook.) En ik beschouw iedereen als een twerp die het beste Amerikaanse korte verhaal, namelijk Occurrence at Owl Creek Bridge van Ambrose Bierce, niet heeft gelezen. Het is in de verste verte niet politiek. Het is een onberispelijk voorbeeld van Amerikaanse genialiteit, net als Sophisticated Lady van Duke Ellington, of de Franklin-kachel.

Ik beschouw ook iedereen als een twerp die Over de democratie in Amerika van Alexis de Tocqueville niet heeft gelezen. Over de sterke en zwakke punten van onze regeringsvorm kan nooit een beter boek worden geschreven. Wilt u een proefje van dat geweldige boek? Hij zegt, 169 jaar geleden, dat in geen land ter wereld de liefde voor het geld de gevoelens van de mensen zo beheerst als in het onze. Niet slecht, hè?

De Frans-Algerijnse schrijver Albert Camus, die in 1957 de Nobelprijs voor literatuur won, schreef: «Er bestaat maar één werkelijk serieus filosofisch probleem, en dat is zelfmoord.» Van de literatuur wordt een mens doorgaans niet vrolijk. Camus kwam om het leven bij een auto-ongeluk. Zijn data? 1913-1960 na Chr.

Weet u dat alle grote literatuur – Moby Dick, Huckleberry Finn, A Farewell to Arms, The Scarlet Letter, The Red Badge of Courage, de Ilias en de Odyssee, Misdaad en straf, de bijbel en The Charge of the Light Brigade – erover gaat wat een afknapper het is om een mens te zijn? (Is het geen opluchting om iemand dat eens te horen zeggen?) De evolutie kan me gestolen worden. We zijn één grote vergissing. We hebben deze heerlijke levende planeet – de enige in de hele Melkweg – met een honderd jaar durend transportfeestje dodelijk verwond. De Amerikaanse regering voert toch een oorlog tegen drugs? Laat ze de aardolie aanpakken. Over een dodelijke verslaving gesproken! Je stopt wat van dat spul in je auto en je kunt honderdvijftig scheuren, de hond van de buren doodrijden en de atmosfeer verzieken. Hé, als we dan toch homo sapiens zijn, waarom zouden we het dan kalm aan doen? Kom op, we breken de tent helemaal af. Heeft er nog iemand een atoombom? Wie heeft er geen atoombom, vandaag de dag?

Maar ik moet ter verdediging van de mensheid dit zeggen: in onverschillig welk tijdperk in de geschiedenis, zelfs in het paradijs, was iedereen er nog maar net. En in elk tijdperk, behalve in het paradijs, bestonden al die spelletjes al waar je gek van ging doen, als je al niet gek was van jezelf. Tot de gekmakende spelletjes van tegenwoordig behoren liefde en haat, liberalisme en conservatisme, auto’s en creditcards, golf en damesbasketbal.

*

Ik ben een Amerikaan van de Grote Meren, een zoetwater-Amerikaan, niet iemand van de zee, maar van het binnenland. Als ik in zee zwem, heb ik het gevoel dat ik in kippensoep zwem. Net als ik waren veel Amerikaanse socialisten zoetwatermensen. De meeste Amerikanen weten niet wat de socialisten in de eerste helft van de vorige eeuw hebben gedaan met kunst, met welsprekendheid, met organisatietalent, om het zelfrespect, de waardigheid en het politieke inzicht van de Amerikaanse loontrekkers, van onze arbeidersklasse, te verhogen. Dat loontrekkers, zonder maatschappelijke status, hogere opleiding of geld, verstandelijk minderwaardig zouden zijn, wordt beslist gelogenstraft door het feit dat twee van de grootste sprekers en schrijvers over de diepzinnigste onderwerpen in de Amerikaanse geschiedenis autodidactische arbeiders waren. Ik bedoel uiteraard Carl Sandburg, de dichter uit Illinois, en Abraham Lincoln uit Kentucky, daarna Indiana, en ten slotte Illinois. Beiden waren, met permissie, binnenlandse zoetwatermensen, net als ik. Ook een zoetwatermens en een groot redenaar was de presidentskandidaat voor de Socialistische Partij, Eugene Victor Debs, een voormalige treinstoker die geboren was in een middenklassegezin in Terra Haute, Indiana.

Leve ons clubje!

«Socialisme» is net zomin een lelijk woord als «christendom». Het socialisme heeft net zomin Josif Stalin en zijn geheime politie en geblindeerde kerken gepredikt als het christendom de Spaanse inquisitie. Integendeel, het christendom en het socialisme prediken beide een maatschappij die gebaseerd is op de gedachte dat alle mannen, vrouwen en kinderen gelijk zijn geschapen en niet van honger mogen sterven.

Adolf Hitler, tussen haakjes, was een man van twee halen, één betalen. Hij noemde zijn partij de nationaal-socialisten, de nazi’s. Hitlers swastika was geen heidens symbool, zoals vaak wordt gedacht. Het was een christelijk kruis van de werkende klasse, gemaakt van bijlen, van werktuigen.

Wat de geblindeerde kerken van Stalin en het China van nu betreft: deze onderdrukking van de godsdienst werd zogenaamd gerechtvaardigd door de verklaring van Karl Marx dat godsdienst «opium voor het volk» was. Marx zei dat in 1844, toen opium en opiumderivaten de enige pijnstillende middelen waren die men tot zijn beschikking had. Marx had ze zelf gebruikt. Hij was dankbaar voor de tijdelijke verlichting die ze hem hadden gegeven. Hij constateerde alleen maar dat godsdienst op een vergelijkbare manier degenen die in economische of maatschappelijke nood verkeerden tot troost kon zijn, en veroordeelde dat beslist niet. Het was een terloops uitgesproken gemeenplaats, geen dictum.

Toen Marx deze woorden schreef, hadden wij onze slaven nog niet eens bevrijd. Wie denkt u dat destijds in de ogen van een barmhartige God meer genade kon vinden, Karl Marx of de Verenigde Staten van Amerika?

Stalin maakte van die gemeenplaats van Marx dankbaar een decreet, net als de Chinese tirannen, omdat die hun schijnbaar een vrijbrief gaf om alle geestelijken monddood te maken die van hen en hun doeleinden mogelijk kwaad zouden kunnen spreken. Door Marx’ uitspraak hebben ook veel mensen in Amerika zich gerechtigd gevoeld te zeggen dat socialisten anti-godsdienst zijn en anti-God, en dus absoluut weerzinwekkend.

Ik heb noch Carl Sandburg noch Eugene Victor ooit ontmoet, en dat betreur ik. Ik zou in de nabijheid van zulke nationale helden met mijn mond vol tanden hebben gestaan. Eén socialist van hun generatie heb ik nog wel gekend: Powers Hapgood uit Indianapolis. Hij was een typische Indiana-idealist. Socialisten zijn idealisten. Hapgood was net als Debs een burgerman die vond dat de economische gerechtigheid in Amerika beter kon. Hij wilde eenvoudig een beter land.

Na zijn studie aan Harvard werd hij mijnwerker en spoorde hij zijn medemijnwerkers aan zich te organiseren om een beter loon en veiliger werkomstandigheden af te dwingen. Ook leidde hij een protestdemonstratie tegen de terechtstelling van de anarchisten Nicola Sacco en Bartolomeo Vanzetti in Massachusetts in 1927.

De familie Hapgood bezat een goedlopende conservenfabriek in Indianapolis, en toen Powers Hapgood die erfde, deed hij haar over aan de werknemers, die het bedrijf te gronde richtten. Ik ontmoette hem aan het eind van de Tweede Wereldoorlog in Indiana. Hij was bestuurslid geworden van de vakcentrale cio. Tijdens een stakingsactie was er een knokpartij en toen de zaak voor de rechter kwam, trad hij op als getuige. De rechter zette alles stop en vroeg hem: «Meneer Hapgood, u bent afgestudeerd aan de Harvard Universiteit. Waarom zou iemand in uw positie ervoor kiezen te leven zoals u doet?» Waarop Hapgood antwoordde: «Nou, vanwege de bergrede natuurlijk.»

Nogmaals: leve ons clubje.

*

Ik kom uit een familie van kunstenaars. En ja, ook ik verdien mijn brood in de kunst. Ik heb er niet voor hoeven rebelleren. Het is alsof ik het benzinestation van de familie heb overgenomen. Mijn voorouders zaten allemaal in de kunst, dus verdien ik mijn brood gewoon in de gebruikelijke familiestiel. Maar mijn vader, die schilder was en architect, was zo getraumatiseerd door de Depressie, waarin hij zijn brood niet kon verdienen, dat hij vond dat ik me verre van de kunst moest houden. Hij waarschuwde me tegen de kunst omdat die hem als bron van inkomsten zo nutteloos was gebleken. Ik mocht van hem alleen naar de universiteit als ik iets serieus ging studeren, iets praktisch. Als student aan de Cornell Universiteit koos ik scheikunde als hoofdvak omdat mijn broer een belangrijk scheikundige was. Sommige critici vinden dat iemand geen serieus kunstenaar kan zijn als hij ook, zoals ik, een bètavak heeft gestudeerd. Ik weet dat taalvakgroepen van universiteiten de gewoonte hebben, zonder te weten waarom, studenten angst in te boezemen voor de studies techniek, natuurkunde en scheikunde. En die angst werkt volgens mij door in de kunstkritiek. De meeste van onze kunstcritici zijn producten van alfastudies en koesteren een diep wantrouwen jegens eenieder die zich voor techniek interesseert. Hoe het ook zij, ik heb dus scheikunde gestudeerd, maar ik ben altijd docent aan vakgroepen Engels geweest en heb zo de literatuur met wetenschappelijk denken verrijkt. En dat is me zelden in dank afgenomen. Ik werd een zogenaamde sciencefictionschrijver toen iemand decreteerde dat ik een sciencefictionschrijver was. Ik wilde niet als zodanig worden ingedeeld, en ik vroeg me af wat ik had misdaan om niet als serieus schrijver te worden erkend. Ik kwam tot de slotsom dat het was omdat ik over techniek schreef, en de meeste Amerikaanse schrijvers van hoogstaande literatuur weten niets van techniek. Ik kreeg het label van sciencefictionschrijver opgeplakt omdat ik over de stad Schenectady in de staat New York schreef. Mijn eerste roman, De grote pianola, ging over Schenectady. In Schenectady staan enorme fabrieken en verder niets. Ik en mijn medewerkers waren technici, natuurkundigen, scheikundigen en wiskundigen. En toen ik over de General Electric Company en Schenectady schreef, dachten critici die er nooit waren geweest dat het een toekomstfantasie was. Volgens mij geven romans waarin geen techniek voorkomt het leven even gebrekkig weer als Victoriaanse romans waarin geen seks voorkomt.

*

In 1968, het jaar waarin ik Slachthuis Vijf schreef, werd ik eindelijk volwassen genoeg om over het bombardement van Dresden te kunnen schrijven. Het was de grootste massaslachting in de Europese geschiedenis. Ik weet natuurlijk wat er in Auschwitz is gebeurd, maar een massaslachting is iets wat zich plotseling voltrekt, het doden van heel veel mensen in heel korte tijd. In Dresden werden op 13 februari 1945 in één nacht zo’n 135.000 mensen door een Engels brandbombardement om het leven gebracht. Het was een totaal onzinnige, nutteloze vernietiging. De hele stad werd door brand verwoest en het waren de Engelsen die deze gruweldaad begingen, niet de Amerikanen. Ze stuurden nachtbommenwerpers die met een nieuw soort brandbom de hele stad in een vuurzee veranderden. En zo ging alle levende materie, behalve het kleine groepje krijgsgevangenen waarvan ik deel uitmaakte, in vlammen op. Het was een militair experiment om uit te vinden of je een hele stad in de as kon leggen door er brandbommen op te strooien.

Natuurlijk moesten wij als krijgsgevangenen de handen uit de mouwen steken en dode Duitsers uit kelders halen waarin ze waren gestikt en naar een reusachtige brandstapel brengen. En ik heb gehoord – niet gezien – dat ze daarmee ophielden omdat het te langzaam ging en het in de stad al flink begon te stinken, en dat ze toen maar mannen met vlammenwerpers hebben laten komen. Waardoor mijn medekrijgsgevangenen en ik het hebben overleefd, weet ik niet.

In 1968 was ik schrijver. Ik was een broodschrijver. Ik schreef alles waar iets mee te verdienen viel. En verdomd nog aan toe, ik had het gezien, ik had het meegemaakt, dus zou ik wel even een boek over Dresden schrijven, een boek dat geld in het laatje zou brengen. U weet wel, het soort boek waarvan ze een film zouden maken waarin wij door Dean Martin en Frank Sinatra en de rest zouden worden gespeeld. Ik probeerde dat boek te schrijven, maar ik kreeg het niet voor elkaar. Het was en bleef pulp wat ik schreef. Dus zocht ik een vriend op – Bernie O’Hare, die destijds mijn maatje was. Samen probeerden we leuke herinneringen op te halen aan onze tijd als krijgsgevangenen in Dresden, sterke verhalen en zo, het soort verhalen waar je een jofele oorlogsfilm van kunt maken. Maar toen kreeg zijn vrouw, Mary O’Hare, er genoeg van. Ze zei: «Jullie waren gewoon nog jochies, toen.»

En dat geldt ook voor soldaten. Dat zijn eigenlijk ook jochies. Het zijn geen filmsterren. Geen John Waynes. Toen ik dat doorhad, was ik eindelijk in staat om de waarheid te zeggen. We waren kinderen en de ondertitel van Slachthuis Vijf werd De kinderkruistocht. Waarom kon ik pas na 23 jaar schrijven over wat ik in Dresden had meegemaakt? We kwamen allemaal thuis met verhalen, en we wilden er allemaal op de een of andere manier een slaatje uit slaan. En wat Mary O’Hare zei, was in feite: «Waarom vertel je voor de verandering niet hoe het werkelijk was?» Ernest Hemingway schreef na de Eerste Wereldoorlog een verhaal met de titel A Soldier’s Home, over hoe onbeschoft het is om aan een teruggekeerde soldaat te vragen wat hij heeft gezien. Ik denk dat veel van hen, ikzelf incluis, hun mond hielden als een burger hun iets over het front, over de oorlog, vroeg. Dat was goed gebruik. Een van de meest indrukwekkende manieren om je oorlogsverhaal te vertellen, is weigeren het te vertellen, weet u. Dan dwong je de burgers om zelf allerlei heldendaden te verzinnen.

Maar ik denk dat de oorlog in Vietnam mij en andere schrijvers heeft bevrijd, omdat die aantoonde hoe pover en stompzinnig ons leiderschap en onze motieven waren. We konden nu eindelijk praten over iets ergs dat we de slechtst denkbare mensen, de nazi’s, hebben aangedaan. En wat ik zag, wat ik te vertellen had, liet zien hoe afschuwelijk de oorlog was. De waarheid kan hard aankomen. Terwijl je het niet verwacht. Een andere reden om niet over de oorlog te praten is natuurlijk dat de oorlog iets onbeschrijfelijks is.

Kurt Vonnegut (1922, Indianapolis) is de auteur van o.a. Slaughterhouse Five. Eind april verschijnt Man zonder land (A Man without a Country, Bloomsbury, imp. Penguin), vertaald door Ko Kooman, bij Meulenhoff