Een zondig hart ‘ach, ach, ach’, zei mijn vader dan, ‘het is toch wat met de zonde’, en dat uren lang

Gertjan van Dijk schreef het van zich af, in een boek over de denkwereld van de bevindelijk gereformeerden. ‘Hij heeft het losgelaten, maar is hij er ook vrij van? De levende vreze Gods is schaars.’ Een gesprek over gereformeerd nieren proeven.
Gertjan van Dijk, Het geloof der vaderen: De denkwereld van de bevindelijk gereformeerden. Uitgeverij Sun, 263 blz, 3 39,50
IN HET VOORJAAR VAN 1977 had mijn moeder me, buiten mijn medeweten om, opgegeven voor een cursus journalistiek bij het Reformatorisch Dagblad te Apeldoorn. Ik had mijn sporen al verdiend bij het huis-aan-huisblad Ede Stad en niets leek nog een glanzende loopbaan in de weg te staan.

In stilte hoopte mijn moeder dat de cursus bij het Reformatorisch Dagblad mij zou aansporen tot een hernieuwde geloofsbeleving. Enkele jaren daarvoor had ik de kerk verruild voor de kroeg. Het mensonterende lijden en sterven van mijn jongere broertje Gerard had bij mij tot een spontane geloofsafval geleid. Leukemie, destijds jeugdkanker geheten, was in die dagen nog ongeneeslijk. Volgens mijn ouders had Gerard het daarboven een stuk beter maar dat was een schrale troost. Met die genadeloze God wilde ik niets meer te maken hebben.
De in zwart pak en knellend overhemd gestoken hoofdredacteur, mijnheer Jansse, nam mij tijdens de introductiedag argwanend op en bromde dat ik eerst maar eens een kapper moest bezoeken. ‘En, mijnheer van Amerongen’, vervolgde hij, 'spijkerbroeken zien wij liever ook niet op de redactie.’ Uiteindelijk wist ik mij dank zij mijn uitmuntende bijbelkennis door de ballotage heen te wringen en een week later verscheen ik geknipt en geschoren en gekleed in een ribfluwelen broek en een stemmig grijs overhemd op de redactie. Voor de twee maanden die de opleiding ging duren stond een honorarium van duizend gulden en dat tikte mooi aan naast de uitkering.
De andere cursisten kwamen uit Uddel, Huizen en Genemuiden en speelden in hun vrije tijd orgel. Het kostte mij de nodige moeite om niet af en toe een krachtig 'jeetje’, op de redactie beschouwd als een serieuze bastaardvloek, uit mijn mond te laten ontsnappen. Als de dooie dienders tegen het middaguur blijmoedig hun broodtrommeltjes aanspraken, spoedde ik mij naar een troosteloos Apeldoorns café om een medicinale kopstoot naar binnen te gulpen. Krakend op pepermunt van King, een verantwoorde reformatorische lekkernij, toog ik vervolgens opgefrist weer naar de redactie.
Waar profane dagbladen des vrijdags een borrel geven, hield het Reformatorisch Dagblad een weeksluiting. Redacteuren en cursisten waren verplicht deze bij te wonen en zongen uit volle borst de psalmen mee, ondersteund door de niet-ritmische klanken van het orgel. In het slechtste geval was SGP-coryfee dominee Abma besteld. Zijn preken duurden zo lang dat je bijna kon spreken van een weekopening.
IK MOEST TERUGDENKEN aan deze verdrongen periode uit mijn leven toen ik Het geloof der vaderen van Gertjan van Dijk las. Het boek was een feest van herkenning en ik las het in een ruk uit. Zelden kom ik nog mensen tegen met dezelfde achtergrond als ik en de jaren dat ik troost vond bij Jan Wolkers en Maarten ’t Hart liggen ver achter mij. Bovendien heb ik de laatste jaren meer tijd doorgebracht met fundamentalistische moslims en joden dan met bevindelijk gereformeerden, die het onderwerp vormen van Van Dijks boek.
Van Dijk, antropoloog en publicist, wilde aanvankelijk een impressie geven van de culturele kenmerken van de bevindelijk gereformeerde kerk, ook wel eens denigrerend de zwarte-kousenkerk genoemd. Maar volgens de schrijver is het uiteindelijk een zoektocht geworden naar antwoorden op de vragen die hij zich ooit stelde: wie is die God van de Oude Waarheid, waarom heeft Hij de mensen gemaakt en wat wil Hij van ons?
Wat zijn de drijfveren van de schrijver?
Van Dijk (1952): 'Mijn vader heeft bijna 25 jaar voor de SGP in de gemeenteraad van Kampen gezeten. Hij was zeer bedreven in de tale Kanaäns, luisterde graag naar zichzelf. Hij bad hardop, dat kon hij heel lang volhouden en na het eten las hij altijd een heel hoofdstuk uit de bijbel, ongeacht de lengte van de tekst. In bepaalde kringen van onze kerk ging mijn vader door voor een bekeerd man. Hij praatte het liefst over de zonde, dat was een soort hobby van hem. 'Ach, ach, ach’, zei hij dan, 'het is toch wat met de zonde’, en dat uren lang. Het is in die kringen een must om vaak over de zonde te praten, daarmee kun je bewijzen dat je echt bekeerd bent. Alleen reeds bekeerde kerkgenoten kunnen nagaan of jouw ervaring echt en oprecht is. Op een dag komen die mensen naar je toe omdat ze via-via gehoord hebben dat je een ervaring hebt gehad. Dan gaan ze je overhoren, dat wordt ook wel het nieren proeven genoemd.
Je ervaring kan te licht worden bevonden. Als een aantal hooggeplaatste kerkleden je duidelijk heeft gemaakt dat je er nog lang niet bent, zul je het ook niet wagen om aan te zitten bij het Heilig Avondmaal. Zo'n afwijzing kan voor veel problemen zorgen, vooral als je ouder bent. Als je namelijk niet bekeerd bent, ga je naar de hel.’
DE DOGMATIEK van de bevindelijken is uiterst complex en ontoegankelijk. Een van de centrale thema’s is de erfzonde. Van Dijk: 'Adam en Eva hadden gezondigd in het paradijs, ze waren opstandig tegen God geweest en zijn er daarom uitgegooid. Vanaf dat moment was de band met het Goede, God dus, verbroken. Ze waren niet meer in staat het Goede te doen. Dat geldt ook voor hun nageslacht, het is een genetische kwestie. Wij zijn ook niet in staat om het Goede te doen en daarom hebben wij reeds bij de geboorte een slecht hart.
God heeft al lang bepaald wie er uitverkoren zijn, dus wie naar de hel en wie naar de hemel gaat. Dat is de uitverkiezing, ook al zo'n zwaarbeladen begrip. In mijn boek vertelt de Veenendaalse voorganger Van de Sluis dat je dat heel letterlijk moet nemen, dat God voor de schepping al de namen en adressen van de uitverkorenen en de verdoemden kende, tot op de dag van vandaag en tot aan het einde der tijden. God is gisteren, vandaag en morgen, dus eigenlijk is het vreemd dat er christenen zijn die niet in de uitverkiezing geloven; die mensen twijfelen aan de almacht van God. Als je echt in God gelooft, in de Alwetende voor wie één dag duizend jaar is en duizend jaar één dag, is de uitverkiezing een logisch feit. Wat dat betreft staan de bevindelijken dichter bij de waarheid dan de rest.
De zondeval verklaarde Van de Sluis als volgt: God wilde meer, Hij wilde de almachtige koning zijn, de grote genadeschenker die over dood en leven beslist. Hij wilde dat zijn schepselen over de grond zouden kruipen en Hem om genade zouden smeken. Maar Adam en Eva zaten in het paradijs en hadden geen genade nodig. Daarom moesten ze zondigen. God kon moeilijk zelf Adam en Eva overhalen te zondigen, dat was de rol van de duivel.
De duivel leeft heel sterk bij de bevindelijken, hij wordt regelmatig genoemd in het Reformatorisch Dagblad of het weekblad Terdege. De duivel haalt jonge mensen over naar de disco te gaan. De duivel haalt jonge meisjes over korte rokken te gaan dragen.’
'IK HEB ALTIJD gedacht dat je er net zo goed een potje van kunt maken omdat bij je geboorte toch al vaststaat of je naar de hel of naar de hemel gaat. Je kunt geen enkele invloed op je toekomstig lot uitoefenen. En toch houden de bevindelijken zich aan de christelijke wetten. Dat heeft zijn schoonheid, je wordt opgeroepen tot totale onbaatzuchtigheid, je moet werken zonder dat je iets verdient. Eigenlijk moet je als bevindelijke zeggen: “Ik ben zo zondig dat God rechtvaardig is als hij mijn nu ter plekke dood laat vallen en ik voor eeuwig in de hel moet branden. Dat heb ik verdiend en niets meer.” Dan laat je zien dat je al iets hebt ervaren, dan pas ben je op weg naar het ware geloof.
Ik ben naar verschillende kerkdiensten geweest en dan hoor je zo'n dominee de meest verschrikkelijke dingen zeggen. Maar het gros van de bevindelijken ervaart het leven helemaal niet zo deprimerend als buitenstaanders dat vinden, ze hebben plezier. Tijdens de preek lijken de meesten niet echt onder de indruk. De een slaapt, de ander luistert half en na de kerk wordt er gezellig gebabbeld terwijl ze net de meest gruwelijke zaken hebben gehoord. De buitenstaander grijpt zich naar het hoofd, die zit een dag later nog te trillen. De routine speelt een belangrijke rol. Dat is maar goed ook, anders zou je in een inrichting terechtkomen. Want stel je voor: je houdt je aan de regels, je bidt iedere dag om een nieuw hart en je krijgt maar niets van God, geen enkele religieuze ervaring, nooit eens troost. Je blijft maar denken: ik ben een slecht en zondig mens, God is rechtvaardig als hij me naar de hel stuurt.
Het loopt ook vaak mis, heb ik me laten vertellen. Ik denk dat er veel in stilte geleden wordt, vooral in de zwaardere kringen. Mensen die het daar moeilijk mee hebben, zullen echter niet gauw naar een dokter of psychiater gaan. Ze zoeken hun heil dan bij een mens maar heil kunnen ze alleen van God zelf verwachten. Als God het laat afweten, hebben ze dat blijkbaar verdiend dus houden ze hun mond en leven ze verder.
Rond mijn zestiende ben ik uit de kerk gestapt. Het was een snel maar natuurlijk proces. Het klinkt misschien aanmatigend, maar ik had nooit het idee dat de verkondigde leer waar was. Het klopte domweg niet. Al als klein jongetje weigerde ik te aanvaarden dat ik een slecht en zondig hart had.
Ik heb altijd moeilijk kunnen genieten van het leven, meestal had ik een gevoel van totale zinloosheid. Gelijk het gras is ons kortstondig leven, zegt de psalm, dus wat is dan de zin ervan? Ik kon niets doen wat goed was, daardoor kreeg ik een schuldgevoel. En als ik iets goeds deed, kwam dat louter door de genade van God. Nu ben ik van nature al somber, ik heb een Russische ziel. Toen ik nog regelmatig dronk, deed ik dat het liefst alleen, met een paar potten bier voor me en een pakje sigaretten erbij. Langzaam wegzakken, dat was mijn idee van het opperste genot. Dank zij mijn dochter, die nu vier is, heb ik leren genieten. Het is heerlijk om te zien hoe ze iedere ochtend weer blij en verwachtingsvol het leven inkijkt. Dat is zo totaal anders dan een kind dat dagelijks te horen krijgt dat het een slecht en zondig hart heeft.
Ik word er steeds kwaaier over. Pas werd er bij mij aangebeld, op zaterdagochtend. Op de stoep stond een vrouw met twee kleine dochters, Jehova’s Getuigen. “Mijnheer”, zei de moeder, “u weet ongetwijfeld dat de toekomst er reuze slecht uitziet, daar willen we met u over praten.” Ik werd woedend en zei: “Mevrouw, mijn toekomst ziet er helemaal niet slecht uit, die ziet er juist prachtig uit.” Ik wees naar mijn dochter en zei: “Ziet u dat meisje? Schitterend toch.” Ja, maar, stamelde ze. Ik had dat mens het liefst een klap voor haar hersens verkocht. Ga alsjeblieft weg, zei ik terwijl ik een van haar dochters over de bol aaide, ik wil niets met u te maken hebben.’
HET BOEK VAN Gertjan van Dijk heeft voor de nodige opschudding gezorgd in bevindelijke kringen. Het komt zelden voor dat een afvallige uit de school klapt, hetgeen het SGP-orgaan De Banier vertwijfeld deed uitroepen: 'Wat bezielt iemand om zo'n boek te schrijven? Wat heeft hij te vertellen en aan wie? Een leefwereld waarvan hijzelf, althans aan de buitenkant van het leven, afscheid heeft genomen. Is dit een onbewuste poging definitief innerlijk afstand te nemen van wat innerlijk nog steeds wordt meegedragen? Hij heeft het losgelaten, maar is hij er ook vrij van? Bedoeld of onbedoeld, ligt er in dit boek toch een les. De levende vreze Gods is schaars. En niet alleen in dit boek. En daarom zijn we, ook als SGP, niet alleen klein, maar ook machteloos.’
Gertjan Van Dijk blijkt niet erg onder de indruk van deze verkapte fatwa: 'Met dit boek wil ik juist betere informatie verstrekken. De media verspreiden veel onzin over het bevindelijke volksdeel. Ik beschouw het boek als een inleiding, ik heb de deur van binnenuit opengezet. Misschien maak ik te weinig duidelijk dat er een groot verschil is tussen leven en leer van de bevindelijken. Of het de waarheid is interesseert mij niet; zo is het mij verteld en zo heb ik het opgeschreven. Ik had echter geen behoefte om meer begrip te kweken voor de bevindelijken.’
VAN DIJK KON MET moeite genieten door zijn bevindelijke achtergrond. Bij mij ontaardde de wurgende angst voor de eeuwigheid in een ongebreidelde levensdrang die uiteindelijk zou ontaarden in totaal hedonisme. Een bevindelijke opvoeding laat zich echter niet oplossen in genot en genotmiddelen. Vroeg of laat zou ik de rekening gepresenteerd krijgen en ik zag mij al staan voor het Centraal Station, met een woeste baard en gehuld in lompen, schreeuwend dat het Einde der Tijden nabij is. Ik moest en zou met mijzelf in het reine komen en koos voor de shocktherapie. Als een chirurg wilde ik het geloof der vaderen ontleden en besloot daarom Hebreeuws te gaan studeren.
Er bleek een heilzame werking uit te gaan van de klinische en puur etymologische benadering van zwaar beladen begrippen als hel, zonde en uitverkiezing. Ik woonde in Jeruzalem en wandelde dagelijks door het Gehenna, de vallei waar ooit kinderen werden geofferd aan Moloch en die model zou gaan staan voor het bijbelse concept van de hel. Deze vorm van deprogrammeren was tijdrovend en omslachtig maar bleek doeltreffend. 'Het geloof der vaderen’ kon ik net zo waardevrij lezen als een boek over joodse of islamitische fundamentalisten.
Het fel begeerde brevet van het Reformatorisch Dagblad heb ik uiteindelijk in mijn bezit gekregen. Met de hakken over de sloot weliswaar want ik had zware onvoldoendes voor de onderdelen Heidelberger catechismus en kerkgeschiedenis. Van de twaalf cursisten kregen er tien onmiddellijk een baan aangeboden en zij zijn nu de sterverslaggevers bij de bevindelijke krant. Ik behoorde niet tot de uitverkorenen. De andere afvaller was een puisterige boerenzoon uit Lunteren. Zijn nieren waren wel goed bevonden maar hij bleek vaardiger met de mestvork dan met de pen.