Een zwarte joodse blankeal jolsons ‘toot toot tootsie’ werd het ‘grabgesang’ van de stomme film

THE JAZZ SINGER staat te boek als de eerste ‘sprekende’ hoofdfilm in de geschiedenis, ‘the pioneer talking picture’. De legendarische rolprent, met Al Jolson in de titelrol, wordt komende maand zeventig jaar en dat is, net als bij jubilerende klassiekers als Casablanca (was in 1992 vijftig) en My Fair Lady (in 1994 dertig) in de VS gevierd. Met ‘state-of-the-art-technology’ is daar gewerkt aan de ‘anniversary-edition’ op beeldplaat, te weten een box met laserdiscs onder de titel The Al Jolson Collection. Er staan maar liefst zeven Jolson-films op, met als toegift de uit 1936 daterende Warner Bros-cartoon I Love to Singa, met de muzikale uil ‘Owl Jolson’ die auditie doet voor de radio bij konijn Jack Bunny.

Of de naar Hollywood-maatstaven gemeten kleinschalige maar in filmhistorisch opzicht belangrijke onderneming een financieel succes gaat worden, is nog maar de vraag. Buiten Amerika is Al Jolson nooit echt populair geweest, het verhaal van The Jazz Singer is namelijk nogal sentimenteel, om niet te zeggen aan de drakerige kant. De remakes uit 1953 (met Danny Thomas als de jazz-zanger) en 1980 (met Neil Diamond) zijn in dat opzicht al niet veel beter dan het oorspronkelijke melodrama uit 1927. Terwijl Al Jolson in de VS nog steeds een legendarisch entertainer is van wie veel materiaal op cd, videocassette en laserdisc wordt verkocht, weet de gemiddelde Europese cinefiel in het gunstigste geval slechts dat Al Jolson ‘die als neger geschminkte figuur’ uit The Jazz Singer is.
TOEN JACK WARNER, een van de vier Warner-broers, in 1926 nog net in het tijdperk van de 'silent cinema’ voor 50.000 dollar van Samson Raphaelson de filmrechten kocht van diens Broadway-musical The Jazz Singer, werd daar in de vakpers nauwelijks aandacht aan besteed. Wat moest dat immers voor een film worden met in de hoofdrol een zanger die je niet kon horen? De musical stond daarentegen op het moment dat het contract werd getekend vanaf de première op 14 september 1925 al 38 weken aan een stuk op het programma. Met in de titelrol George Jessel, een trotse joodse acteur die vooral naam maakte met een serie 'Jewish films’, met als hoogtepunten Private Izzy Murphy, Sailor Izzy Murphy en Ginsberg the Great. Het lag voor de hand dat 'Georgie’ Jessel ook in de bioscoop de rol van de jazz-zanger zou vertolken. Jessel was niet alleen als acteur en zanger de lieveling van het publiek, ook zijn conférences waren meer dan geliefd ('Hello, mom? This your son Georgie. You know, from the checks!’).
Toen Jessel hoorde dat het om een Vitaphone-versie zou gaan en hij dus voor camera en microfoon zou moeten zingen, het risico lopend door zo'n raar 'nieuwigheidje’ z'n loopbaan te schaden, eiste hij 10.000 dollar extra aan honorarium. Jack Warner stemde toe, Harry Warner niet, en broer Sam ('in charge of production’) zag van Jessel als crooner/ acteur af.
Tweede keus was de destijds eveneens populaire joodse entertainer Eddie Cantor, maar die wilde niet onder Jessels duiven schieten: hij sloeg het aanbod van de Warners af en bood zelfs aan tussen Jessel en Sam Warner te bemiddelen zodat Georgie alsnog aan de klus zou kunnen beginnen.
Remplaçant op het lijstje van Sam Warner, daar op gezet door de jonge assistent-producer Darryl Francis Zanuck, was Al Jolson, net als Eddie Cantor en George Jessel lid van het English-Jewish Theater Guild en net als zij een 'blackface comedian’ cq. een entertainer die de traditie van het vaudeville en de minstrelshow met een als neger geschminkt gelaat met succes voortzette. Een man met lef en een tomeloze energie, z'n koolzwarte 'banjo eyes’ keken altijd aanstekelijk olijk schuin omhoog. Al Jolson schroomde niet zichzelf aan te prijzen als 'the World’s Greatest Entertainer’ en in zekere zin was het nog waar ook.
Al Jolson liep nooit rustig het toneel op, hij kwam aanhollen, z'n handen met gespreide vingers naar voren gestoken alsof hij het licht uit de schijnwerpers wilde pakken. Al Jolson is de uitvinder van 'big singing’. Hij stond niet bewegingloos bij de microfoon op standaard, hij kronkelde, viel op z'n knieën, gooide z'n hoofd achterover, huilde om 'Mammy!’; hij knokte met het publiek, het móest van hem houden, hij dwong affectie af. Tot op de dag van vandaag blijken songs, gebracht in die specifieke electrifying stijl van Al Jolson, overeind te blijven. Sterker, ze behoren tot graag gehoorde, tijdloze klassiekers: 'Swanee’, 'Mammy’, 'Rockabye Your Baby with a Dixie Melody’, 'Toot Toot Tootsie’, 'There’s a Rainbow 'round My Shoulder’, 'I’m Sittin’ on Top of the World’.
OORSPRONKELIJK verscheen The Jazz Singer als verhaal in een blad. Samson Raphaelson schreef als student een 'magazine story’ onder de titel 'The Day of Atonement’ (De Grote Verzoendag, voor de toneelbewerking werd de titel The Jazz Singer gekozen). Na een optreden sprak hij met Al Jolson over diens carrière en levensloop. Jolsons verhaal vormde uiteindelijk de basis voor The Jazz Singer.
Al Jolson werd op 26 mei 1886 in Srednik aan de Pools-Russische grens geboren als Asa, jongste zoon van de orthodoxe rabbi/ voorzanger Moses Reuben Yoelson en diens vrouw Naomi. Moeder Yoelson emigreerde in 1894 met de kinderen Rose, Etta, Hirsch en Asa naar de VS; vier jaar eerder vertrok vader al naar New York. In de Nieuwe Wereld zongen Hirsch en Asa Yoelson graag (en goed) in de synagoge van Moses Reuben Yoelson in Washington. Na een paar jaar als krantenjongens wat geld te hebben verdiend, ontvluchtten Hirsch en de vier jaar jongere Asa het streng-joodse milieu om in New York als The Joelson Brothers en later als The Jolson Brothers als komisch duo te gaan werken in vaudeville-theaters en in burlesque-shows. Op advies van veteranen als Joe Palmer en James Frances Dooley trad Asa in 1905 als Al Jolson toe tot het leger blackface comedians, een genre dat in die dagen graag werd gezien en gehoord. Al Jolson zette zich, net als Jackie Rabinowitz in The Jazz Singer, af tegen z'n 'roots’. Wilde Al Jolson niet als Asa Yoelson door het leven gaan, Jackie Rabinowitz zet in The Jazz Singer alles op alles om als artiest Jack Robin naam te maken in de showbusiness.
Sam Warner stond met The Jazz Singer een 'stomme’ film voor ogen met muzikale intermezzi en dialogen op tussentitels. Niemand, ook regisseur Alan Crosland niet, rekende echter op het onstuimige karakter van Al Jolson. Die had weinig ervaring met de cinematografie. Hij werkte in 1923 weliswaar met D.W. Griffith aan Mammy’s Boy, maar zag van het project af omdat de resultaten hem tegenvielen; in 1926 deed hij mee aan een geluidsfilmexperiment, resulterend in de korte Warner-film April Showers.
Al Jolson was een artiest die het moest hebben van een publiek dat hij kon aankijken, aan een 'dood’ camera-objectief had hij niets. De historische scène waarin Al Jolson in The Jazz Singer spreekt, zit na het moment waarop Jack Robin (Jolson dus) in Coffee Dan’s het liedje 'Dirty Hands, Dirty Face’ heeft gezongen. Toen Crosland in de Warner-studio een teken gaf om te beginnen met het opnemen van het daaropvolgende 'Toot Toot Tootsie’ en dirigent Louis Silvers z'n stokje hief, reageerde Al Jolson precies zoals hij dat al jaren gewend was op de planken: hij riep, geheel buiten het script om, tegen het figurantenpubliek: 'Wait a minute. You aint heard nothin’ yet. Wait a minute, I tell yer. You wanna hear “Toot Toot Tootsie”? All right, hold on… Lou, listen. You play “Toot Toot Tootsie”. Three choruses, you understand, and in the third chorus I whistle. Now give it to 'em hard and heavy. Go right ahead.’
Pas daarna deed Al Jolson wat hij volgens het script en regisseur Crosland direct al zonder inleiding had moeten doen: gewoon 'Toot Toot Tootsie’ zingen. Niemand schreef de recht uit z'n artiestenhart komende claus voor hem op, Jolson verzon hem ter plekke voor een draaiende camera, terwijl tegelijkertijd synchroon een geluidsopname plaatsvond op een plaat. Zo leverde hij de eerste tekst voor een 'sprekende’ film. Al Jolson beschouwde de technische ploeg, dirigent Louis Silvers en de musici (in het begin van de geluidsfilm nog lijfelijk op de studiovloer aanwezig) en de edelfiguratie als zijn publiek. Daar trad hij voor op en niet voor een denkbeeldige bioscoopzaal ergens 'achter de camera’.
Terwijl Alan Crosland na afloop van de scène overwoog alles nog maar eens netjes, zonder de gesproken introductie, over te laten doen, namen Sam Warner en Darryl F. Zanuck tegen de zin van Harry Warner een besluit dat beslissend is geweest voor de toekomst van de filmindustrie: zij lieten Jolsons aan 'Toot Toot Tootsie’ voorafgaande geïmproviseerde monoloog in de film zitten, waardoor The Jazz Singer als tweede Vitaphone-'photoplay’ (Don Juan was de eerste) onbedoeld iets spontaans kreeg, iets volkomen natuurlijks dat aan eerdere probeersels met de combinatie beeld en geluid ontbrak. Al Jolsons 'Toot Toot Tootsie’ werd op die manier het 'Grabgesang’ van de stomme film: de geluidsfilm zou binnen een jaar de wereld alsnog veroveren met de snelheid van een vlam in een poppenhuis. Het vakblad Variety verklaarde: 'Jazz Singer Marks End Of Silent Pictures!’ In 1927 installeerde Western Electric in 75 cinema’s in de VS een Vitaphone-installatie; The Jazz Singer werd in New York 35 weken geprolongeerd, in Los Angeles en Chicago draaide de film nog langer.
Technisch was het Vitaphone-systeem overigens onvolmaakt. Film en plaat moesten perfect synchroon blijven, in de film kon niet worden geknipt zodat montage onmogelijk was. Vandaar dat de Warners niets voelden voor een honderd procent 'talking picture’; het geluid van een orkest en een vocalist waren op die manier nog gelijk te leggen met het beeld, met gesproken woord was dat een stuk lastiger, om niet te zeggen onmogelijk. Het tot op de dag van vandaag toegepaste 'optische’ geluid, waarbij de geluidsband als het ware gefotografeerd aan de zijkant van de film is aangebracht, verdrong overigens na korte tijd voorgoed het 'sound-on-disc’-procédé, dat kort functioneerde als scharnierpunt tussen de stomme en de geluidscinema.
'HEAR JOLSON’S Golden Voice on the Silver Screen!’ luidde de slogan waarmee de Warner-studio The Jazz Singer uitbracht. Daarmee werd niets te veel gezegd: Jolson was inderdaad te horen, maar in totaal spreekt hij 354 woorden: zestig voor hij aan 'Toot Toot Tootsie’ begint en 294 tegen moeder Sara Rabinowitz (Eugenie Besserer). Van die woorden is het grootste deel door hem bedacht op het moment van de opname. 'Moes’ Sara brengt dertien woorden ten gehore, rebbe Rabinowitz één. Als Al Jolson als Broadway-artiest Jack Robin thuiskomt op de verjaardag van z'n vader, verwelkomt de moeder haar zoon met, naar we mogen aannemen, kippesoep en tederheid. Jolson pingelt aan de piano Irving Berlins 'Blue Skies’ en hij zou, althans volgens de filmgeschiedschrijving, vanachter het klavier hebben gezegd: 'Come on, Ma, listen to this.’ Een videoregistratie van The Jazz Singer laat echter meer horen: 'You like that, Mama? Well, I’m glad of it. You know I’d rather please you than anybody I know of. Darling, will you give me something? Shut your eyes, Mama…’
Een ontroerend moment, de zoon wil een kus van haar stelen, zegt een bontjas voor haar te zullen kopen, ze zullen allemaal naar de Bronx gaan, zij van Friedman van de slager zal jaloers op haar zijn… Rebbe Rabinowitz komt binnen, ziet het tafereel aan en roept: 'Stop!’ Waarna The Jazz Singer weer een tijdje een stomme film wordt met de vertrouwde tussentitels.
MEER NOG DAN DOOR de sensatie van geluidsfilm sloeg The Jazz Singer aan omdat Al Jolson er de hoofdrol in speelde. Iedereen die er de verhoogde toegangsprijs van vijf tot tien dollar voor over had, wilde de film zien en vooral horen. Al Jolson promoveerde van koning van Broadway tot de nieuwe keizer van Hollywood. Douglas Fairbanks en Charles Chaplin (die de 'talkies’ overigens hartgrondig haatten) gingen gewillig met hem op de foto, de Warner-broers waren wat verguld met hun 'Jolie’.
Een tragische bijkomstigheid is dat Sam Warner, de man die het meest verantwoordelijk was voor The Jazz Singer, twee dagen voor de première die met gevoel voor traditie op 6 oktober 1927 (Jom Kieppoer) was vastgesteld, aan de gevolgen van een hartaanval overleed. Op de avond van Grote Verzoendag werd hij in Californië begraven; Harry, Jack en Albert Warner waren niet in het Warner Theater in New York aanwezig toen The Jazz Singer voor het eerst werd vertoond.
Sam Warner werd 38 jaar en heeft niet kunnen meemaken hoe het medium geluidsfilm, waarin hij zo geloofde, zich ontwikkelde. Al Jolson verwisselde al even plotseling, tijdens een spelletje kaart, het tijdelijke voor het eeuwige: in San Francisco, op maandag 23 oktober 1950, ’s avonds even na tienen, blies hij de laatste adem uit.
Het bericht van zijn heengaan stond de volgende dag op de voorpagina van bijna elke krant in Amerika, het nieuws verdrong voor een dag de opgefokte stukken over de heksenjacht van McCarthy op vermeende communisten. In aanwezigheid van een hotel-EHBO'er, een paar vrienden en de inderhaast bestelde hartspecialist dr. William Kerr, voelde Jolson, 64 jaar oud, het einde naderen: 'I’m going’, waren z'n laatste woorden, hij zakte terug in z'n kussen en ging.
OVER GEEN FILM is de afgelopen zeven decennia meer gezegd en geschreven dan over The Jazz Singer. Invalshoeken te over: technische (de toevoeging van geluid), inhoudelijke (vader-zoonrelatie), economische (Warner ontliep er een bankroet door), sociologische (de neger arriveerde in het medium geluidsfilm in de persoon van een zwartgeschminkte joodse blanke: 'one minority disguised within another’, aldus criticus Neal Gabler), enzovoort.
In Nederland ging The Jazz Singer in 1928 in Tuschinski als 'stomme’ film met tussentitels in première; Max Tak zorgde met zijn orkest als vanouds voor de muzikale begeleiding. Een groot mannenkoor zong, achter het doek opgesteld, het plechtige lied 'Kol Nidre’ terwijl twee solozangers beurtelings Al Jolsons songs 'in play back’ uitvoerden. In 1929 kwam de film er ('op algemeen dringend verzoek’) als talkie terug. L.J. Jordaan maakte er alsnog korte metten mee. In Filmliga schreef de immer wrevelige nestor van de vaderlandse filmkritiek over die hervertoning: 'En zo krijgen we weer Al Jolsons melancholieke glimlach, Als ondeugende twinkelogen en Als meewarige hoofdknik van voren af aan ad infinitum. Voor hen die film willen zien is het echter stierlijk vervelend.’ Het publiek liet zich er niet door van de wijs brengen en stroomde massaal toe.
In de VS lag dat al niet anders: men genoot van 'Jolie’ en zwijmelde bij z'n vertolking van 'Toot Toot Tootsie’ in een nachtclub en van het gevoelig gebrachte gebed 'Kol Nidre’ in de 'Schul’ van z'n stervende vader. Miljoenen Amerikanen, verdeeld over legio Al Jolson-fanclubs, laten zich er tot op de dag van vandaag door ontroeren. Al Jolsons leven, z'n vier huwelijken (Ruby Keeler was mevrouw Jolson nummer drie), z'n werk, het is allemaal uitgebreid beschreven en in 1946 en 1949 vol pathos verfilmd in The Jolson Story en Jolson Sings Again. De vijftig jaar oude 'docudrama’s’ worden in Amerika op video en laserdisc nog steeds goed verkocht en bekeken, evenals Jolson-films als The Singing Fool (1928), Mammy (1930) en The Singing Kid (1936). Aan de andere kant van de oceaan is men, terecht of niet, zuinig op oudgedienden van het witte doek.