Revolutie van binnenuit kan wél

Een zwarte zwaan aan de Nijl

Door de fixatie op de islam hebben we de democratische revoluties in de Arabische wereld niet zien aankomen, betoogt Farid Boussaid.

EEN ZELFVERBRANDING in een provinciestad in Tunesië in december tot een miljoen demonstranten op de been in Caïro eind januari: het kan verkeren in de Arabische wereld. Het domino-effect komt als een verrassing. Net als met de huidige economische crisis is het soms ontluisterend om te zien hoe slecht voorbereid we zijn om belangrijke gebeurtenissen te voorspellen. Vlak voor de economische crisis schreef Nassim Taleb, een voormalige beurshandelaar en filosoof, de bestseller De zwarte zwaan over de impact van gebeurtenissen die we niet voor mogelijk hielden. De huidige omwentelingen in het Midden-Oosten lijken op het overvliegen van een zwarte zwaan. Een zwarte zwaan voldoet totaal niet aan onze verwachting dat alle zwanen wit zijn; het is niet te verklaren op basis van ervaringen uit het verleden. En toch is er de neiging om dit fenomeen binnen onze referentiekaders in te passen. Zo heeft een aantal benaderingen en beleidsaannames ons beeld van de gebeurtenissen in de Arabische wereld behoorlijk verkleurd en geleid tot een hoge mate van zwart-witdenken. Tegelijkertijd kunnen we nu al met een gerust hart een aantal mythes uit de wereld helpen.

Verreweg de meest desastreuze benadering van het Midden-Oosten is de neiging om alles te verklaren vanuit religie en cultuur. De Iraanse revolutie van 1979 en uiteraard 9/11 hebben geleid tot een fixatie op islam, fundamentalisme en terreur. Geen enkele verhandeling over jihad of exegese van de koran is nuttig in het voorspellen van de huidige omwentelingen.

Gerelateerd hieraan is de stelling dat de reden voor het uitblijven van democratie in het Midden-Oosten te vinden is in de islam. Kort samengevat: er is een sterke drang naar een autoritaire leider, geen cultuur van consensuspolitiek, en de nadruk ligt op het feit dat moslims een sterke leider (zaim) prefereren boven chaos (fitna). Dit vormt de basis van de verklaring waarom het Midden-Oosten in negatieve zin exceptioneel is op het gebied van democratisering. De demonstraties in Tunesië, Egypte, Jordanië en Jemen maken duidelijk dat de bevolking daar de dictators beu is. De vurige drang om zich van een dictator te verlossen en vrijheid op te eisen geeft aan dat de bevolking in die landen de basisnoties van democratie, vrijheid en vertegenwoordiging luid en duidelijk opeisen. Op het Tahrir-plein in Caïro wordt dat door zowel de moslims als de christelijke kopten gedeeld.

De fixatie op de islam leidt er tevens toe dat belangrijke ontwikkelingen onderbelicht bleven. Het neoliberale economische beleid dat de landen voeren heeft belangrijke sociale gevolgen gehad. Privatisering en handelsliberalisatie uitgevoerd in de context van een dictatoriaal regime leiden vaak tot corruptie en de verrijking van een kleine elite. Juist de middenklasse en de lagere klassen hebben de pijn gevoeld van hervormingen en recenter de economische crisis. Stakingen en met name rellen in textielsteden zoals Mahalla in Egypte geven aan dat er al lange tijd iets broeide. Cruciaal in het kanaliseren van deze onrust is het moment geweest waarop arbeiders, bloggers, activisten tegen politiegeweld, Moslim Broeders (met name de jonge garde) en seculiere democratische oppositiegroepen elkaar opzochten en vonden. Dit verklaart de diversiteit onder de demonstranten. Wie Egypte probeert te begrijpen door de lens van de islam ziet niet dat een textielwerker in Egypte waarschijnlijk meer gemeen heeft met een Italiaanse arbeider in hun concurrentiestrijd met China, dan met een welgestelde Moslim Broeder-zakenman uit Caïro.

De focus op islam en fundamentalisme leidt tot nog een probleem, namelijk de continue aandacht voor de Moslim Broeders. Autoritaire regimes in het Midden-Oosten zijn er lange tijd in geslaagd om de buitenwereld wijs te maken dat het enige alternatief voor de dictatuur een fundamentalistisch regime is. De revolutie in Iran in 1979 wordt gebruikt als voorbeeld. Dit scenario werd door westerse regeringen als een goed excuus gezien om de dictators te steunen in ruil voor samenwerking. De Europese Unie was content met de samenwerking op het gebied van migratie en terreurbestrijding. In het geval van Egypte kwam daar nog het handhaven van het vredesakkoord met Israël bij. Na 9/11 werd samenwerking op het gebied van terreurbestrijding prioriteit nummer één voor de Verenigde Staten. De net benoemde Egyptische vice-president Omar Suleiman heeft als baas van de veiligheidsdiensten hand- en spandiensten geleverd voor de CIA.

Krampachtig vasthouden aan de onderliggende veronderstelling dat er geen ander wenselijk alternatief is gaat compleet voorbij aan de ontwikkelingen in de landen zelf, de evolutie in het denken binnen de islamitische bewegingen en de veranderde internationale context. De bevolking in de regio is zeker op de hoogte van hoe de revolutie in Iran heeft uitgepakt. Nog los van het feit dat Iran sjiitisch is, met een andere rol voor de geestelijken dan in de rest van het overwegend soennitische Midden-Oosten. Een belangrijk model is niet Iran, maar Turkije. Daar regeert de AKP nu al jaren zonder de fundamenten van de seculiere kemalistische staat aan te tasten. De economische dynamiek, binnenlandse stabiliteit, voortdurende democratisering als onderdeel van EU-toetredingsonderhandelingen en de prominente rol van Turkije op het wereldtoneel kunnen ook de Arabische buurbevolking niet zijn ontgaan.

EEN BELANGRIJK bijeffect van het fundamentalistische doemscenario is dat in het verleden de seculiere krachten toch de regimes bleven steunen uit angst voor een theocratie. In Egypte heeft het inspelen op de angst voor de Moslim Broeders ook in het voordeel gewerkt van de conservatieve vleugel van deze beweging. Zij die geen heil zagen in democratische transitie prefereerden de status quo. Populariteit was gegarandeerd door zich te positioneren als enige oppositie tegen het regime. Zolang belangrijke rode lijnen niet werden overschreden werden ze door het regime getolereerd. En het regime kon op hun aanwezigheid wijzen als reden om niet te democratiseren. De seculiere oppositie en de democratisch gezinden binnen de Moslim Broeders bleven zo gemangeld en konden geen doorbraak forceren.

Het is tekenend dat de protesten op 25 januari niet door de Moslim Broeders waren geïnitieerd. Pas toen de protesten een paar dagen aanhielden en het regime al preventief Moslim Broeder-leiders begon te arresteren hebben ze zich gecommitteerd aan de protestbeweging. De eerste berichten duiden erop dat de jongeren binnen de Moslim Broeders meer enthousiasme toonden dan de conservatieve en pragmatische oude garde die nog de leiding heeft. De protesten in Tunesië en Egypte hebben in ieder geval aangetoond dat de mythe dat de enige oppositie van het regime de Moslim Broeders zijn, voorgoed naar het rijk der fabelen kan worden verwezen. Wat uiteraard niet wil zeggen dat de Moslim Broeders geen belangrijke rol zullen spelen in de nabije toekomst.

Maar de wereld heeft kunnen zien dat er meerdere maatschappelijke krachten zijn die pluralisme nastreven. De keuze is dus niet alleen tussen het islamiseren van moderniteit of het moderniseren van islam. Het gaat de demonstranten ten eerste om een einde aan dictatuur en corruptie en om vrijheid, gerechtigheid, waardigheid en economische ontwikkeling. In zekere zin is het een onafhankelijkheidsstrijd part two. Niet te onderschatten is dat Arabische solidariteit een nieuwe dimensie heeft gekregen, namelijk de drang naar vrijheid.

Een gebrek aan vertrouwen in de kracht van een bevolking om zich te keren tegen een dictator leidde tot de overtuiging dat verandering enkel van buiten kan komen. Regime change was naast de zogenaamde dreiging van massavernietigingswapens de reden voor de invasie in Irak in 2003. Impliciet werd aangenomen dat in Irak de bevolking nooit eigenhandig het regime omver zou proberen te werpen. Iets wat men in het geval van het Tunesië van Ben Ali ook voor onmogelijk hield: een dictator die niet met dezelfde paranoïde brutaliteit regeerde als Saddam, maar wiens politiestaat en repressieapparaat niet onderdeed voor het Irak van Saddam. En toch is het de Tunesiërs gelukt om eigenhandig een einde te maken aan Ben Ali’s dominantie zonder hulp van buitenaf, terwijl de invasie in Irak talloze levens en miljarden heeft gekost, nog los van de onzekere uitkomst wat betreft een democratisch bestel.

De hardnekkigheid van het idee dat niks van binnenuit kan komen speelde ook vóór de protesten oversloegen naar Egypte. Zelfs toen de Tunesiërs erin waren geslaagd om Ben Ali te verdrijven wezen commentatoren erop dat Tunesië in de grand scheme of things er niet echt toe doet. Met andere woorden, het kon plaatsvinden omdat buitenlandse mogendheden die Ben Ali steunden Tunesië niet strategisch belangrijk genoeg vonden. Was dat wel het geval dan zouden ze nooit de omwenteling hebben laten gebeuren. Deze wat denigrerende houding vis-à-vis people’s power is gelogenstraft door de gebeurtenissen in Egypte. Een regime dat er geostrategisch wel degelijk toe doet is aan het wankelen gebracht. En hoewel Moebarak een afgang à la Ben Ali vooralsnog bespaard is gebleven is het hoogst waarschijnlijk dat de protesten het regime op termijn zullen dwingen tot fundamentele verandering.

De keuze om dictators te steunen in ruil voor het behartigen van belangen in het Midden-Oosten is voor een groot deel gebaseerd op de valse hoop dat dictators stabiliteit kunnen garanderen. De val van de shah in Iran in 1979 heeft helaas niet geleid tot een heroverweging van dit beleid. Egypte en Tunesië laten nogmaals zien hoe instabiel de situatie in die landen werkelijk is. In zekere zin is het gokken op de korte termijn in de hoop dat het op de lange termijn goed uitpakt typerend voor democratieën. Elke gekozen Amerikaanse president heeft een tijdshorizon van maximaal acht jaar en zal het minder schelen wat de gevolgen op de lange termijn zijn van het steunen van deze dictators. En omdat het zo lang goed is gegaan wordt het bijna een mantra waar weinigen aan willen tornen. De analogie met de financiële sector dringt zich hier op. Ondanks de vege tekenen bleef men blind voor de mogelijkheid van een economische crash. Of zoals een van de hoofdpersonen uit de film La haine het verwoordde: ‘Een man die van een gebouw springt en bij elke verdieping zichzelf geruststellend toespreekt: tot nu toe gaat het goed.’

De hele wereld heeft kunnen zien hoe demonstranten de angst overwonnen en moedig de straat opgingen. Daarmee vergeleken is het een kleine moeite om de bril te vervangen waardoor we naar deze regio kijken. Dat wil nog niet meteen zeggen dat we de volgende zwarte zwaan wel zullen zien aankomen. Het is hoe dan ook hoog tijd om het analysegereedschapskistje te vervangen. Al was het alleen maar om de huidige ontwikkelingen beter te begrijpen en waakzaam te blijven voor generalisaties en analytische luiheid. Tunesië is geen Egypte en Libië is geen Saoedi-Arabië, net zo goed als België wel in Europa ligt, maar anders is dan Nederland. Een schot voor open doel, typerend voor het niveau van het debat dat het punt toch gemaakt moet worden.


Farid Boussaid is als promovendus verbonden aan de Oriental Studies-faculteit van de Universiteit van Oxford