Eendehartje

Het was een mooie uitstalling. Een hond leeft voort op schilderslinnen, maar voortaan zonder kop. Die zit verstopt achter een geschilderd stoepje. Aan details viel af te lezen dat de kunstenaar heus wel een hondekop kon verven maar er die dag net geen zin in had.

Felix Valloton. In 1914 legde hij een entrecôte vast op papier jaune, en nog mooier zijn de vijf rode pepers op een ronde, blank gelakte tafel van 1915. Of het zou de badscène met bijzonder okerkleurige dienstmaagd moeten zijn.
Daar is de ober. Hij beheerst praten en lachen tegelijk, de meest hinderlijke vermenging die er is. Een restaurant binnengaan behoort soms toch al tot de zwaardere oefeningen. Daarom wil je ook zo snel mogelijk zitten. Je aan andermans ooghoogte spiegelen en van daaruit overzicht krijgen.
Onregelmatige plopgeluiden stijgen op uit het fornuis aan de overkant. Doen denken aan het beleefd napruttelen van een hotelwastafel in de stad Nevers. Dat geluid bracht mij destijds de stem van Cees Buddingh’ in gedachten. Drie koks, waarop ook uitzicht, werken rustig door. Niet bang voor Cees.
‘Pour développer le palet’, ontvang ik een eendehartje. Het blijft nu lang rustig, en behalve de vrouw vol horizontale tanden en met cactuspoeder gepolijste wangen zie ik niets anders dan willekeurig gekleurde kiekendieven die trechtervormge mondjes omhoog houden waarin ze blijkbaar precies dat ontvangen wat goed voor ze is.
Kun je, moet je, mag je je een kluitje mensen in een restaurant misschien voorstellen als een nest jonge vogels? Wankele beestjes, hunkerend naar lekker en goeds de snaveltjes verlangend uitstekend naar een zorgzaam ouderpaar, hier tamelijk slaperig geacteerd door een stelletje zuidpoolachtigen.
Met kennis van zaken, als een suppoost die hart heeft voor zijn museum, wordt de uitgerukte beesteborst en loof en sappen die haar omringen omschreven. Azijn van menthol en olie van jonge mispelpitten, Franse scheuten van Grieks hooi. Het verbaast mij allemaal niets meer, kom maar op jongens!