Rob Hartmans

Eenhoorn of bizon

In de zeventiende eeuw maakten de natuurwetenschappen in Nederland een ongekende bloei door. De bijbel bleek niet langer te voldoen om Gods wonderbaarlijke creaturen te doorgronden.Het Boeck der Natuere: Nederlandse geleerden en de wonderen van Gods schepping, 1575-1715

Primavera Pers, 510 blz., € 34,50

In 1577 werd Europa opgeschrikt door een spectaculaire komeet. Onmiddellijk begonnen tal van geleerden dit fenomeen te duiden. De Deense astronoom Tycho Brahe concludeerde dat in heel Europa onrust zou heersen, maar dat vooral de Nederlanden door ‘grosses bluetergiessen mit vil grosserm vnglück vnnd schaden’ getroffen zouden worden. Gezien de oorlog die hier woedde was dit een tamelijk veilige voorspelling, maar het feit dat veel andere geleerden soortgelijke beschouwingen schreven, geeft aan dat niet alleen het ‘gewone volk’ geloofde dat kometen voortekenen van onheil waren.

Niet alle hemelverschijnselen werden gezien als onheilspellend. In 1660 had Lodewijk XIV de Zuid-Franse stad Orange, de parel in de kroon van de Oranje-Nassau’s, geannexeerd. Omdat de Oranjes in de Republiek politiek op een zijspoor waren gezet, waren er weinig machtsmiddelen om deze inlijving ongedaan te maken. Na vier jaar noeste diplomatieke arbeid kon Constantijn Huygens op 7 mei 1665 tijdens een openbare plechtigheid het gezag van prins Willem III officieel herstellen. Exact op het moment dat de magistraten en de bevolking met opgeheven hand trouw zwoeren aan de prins, verscheen er rond de zon een corona.

Huygens, die niet alleen diplomaat maar ook een vooraanstaand humanistisch geleerde was, dichtte de volgende dag een Latijns epigram, dat in vertaling luidt: ‘Terwijl een blijde corona van mensen op het punt stond/ hun oeroude trouw te bevestigen aan de Oranjekroon/ heeft het de hemel niet weinig behaagd dat die twee kronen/ werden bekroond door een derde vanuit de hemel.’ Anders dan de omineuze kometen was een corona blijkbaar een teken van Gods instemming.

Dertien jaar later schreef Huygens in zijn autobiografie met meer distantie: ‘Het was een speling van de natuur, zoals ik zelf wist […]. Maar dat de natuur juist nu, precies op dit moment, die speling liet plaatsvinden, leek iets van een voorteken aan de dag te leggen, en bracht daardoor ook de aderen van epigrammendichters aan het stromen.’ In zijn in 1681 geschreven gedicht Cometen-werck is hij zelfs duidelijk geïrriteerd wanneer mensen hem naar de betekenis van de dat jaar verschenen komeet vragen. Hij stelt dat de aard van kometen volkomen duister is en dat het dus onmogelijk is voorspellingen te doen. Wel zijn kometen en andere natuurverschijnselen bewijzen van Gods ‘onbepaelde macht’.

Het verschil tussen de uitlatingen van Brahe en Huygens werd niet veroorzaakt door eventuele verschillen in karakter of wetenschappelijke visie, maar illustreert een ontwikkeling die zich in de loop van de zeventiende eeuw voltrok. Die ontwikkeling was toen nog niet voltooid, want juist na 1680 nam de vrees voor kometen enorm toe. Vanaf ongeveer 1700 verdween deze onrust weer en werden hemelverschijnselen in toenemende mate gezien als tekenen van Gods glorie.

De oorzaak van deze omslag in het denken lijkt voor de hand te liggen. Belangrijke auteurs die zich tegen de kometenvrees keerden, zoals Balthasar Bekker en Pierre Bayle, worden tegenwoordig gezien als vertegenwoordigers van de vroege en radicale Verlichting. Vaak wordt ook gewezen op het werk van Edmund Halley, die met behulp van de methode van Newton concludeerde dat kometen periodieke natuurverschijnselen waren. Op basis van observaties uit 1682 berekende hij dat ‘zijn’ komeet eind 1758 weer zou verschijnen, een voorspelling die exact uitkwam.Toen duidelijk werd dat kometen gehoorzamen aan natuurwetten, konden het dus geen signalen van een toornige God zijn, zodat de angst ervoor verdween. Deze visie past volledig in het door Dijksterhuis gemunte begrip ‘de mechanisering van het wereldbeeld’. Er was immers een ‘wetenschappelijke revolutie’ aan de gang, die noodzakelijkerwijs leidde tot ‘de onttovering van de wereld’.

In deze intellectuele omwenteling speelde de Republiek een belangrijke rol. Vaak wordt er een rechte lijn geschetst die loopt van Simon Stevin via Isaac Beeckman naar René Descartes en die vervolgens zou culmineren in het werk van Christiaan Huygens, de geniale zoon van Constantijn. Wetenschappelijke kennis was niet langer het resultaat van zorgvuldige interpretatie van teksten, maar van een rationele verklaring voor waargenomen verschijnselen. Die verschijnselen waren niet het werk van een altijd actieve God, maar vloeiden voort uit de wetten van druk-en-stoot.

In zijn dikke boeken over de Verlichting schrijft Jonathan Israel de hiermee gepaard gaande filosofische revolutie vooral toe aan Spinoza. Die legde het filosofische fundament van de moderniteit, waarin voor het geloof in een God geen plaats is. Volgens Israel zijn rede en geloof niet met elkaar te verzoenen, maar omdat het na zestien eeuwen christendom voor velen toch wat al te veel gevraagd was om God meteen maar bij het grofvuil te zetten – en het bovendien levensgevaarlijk was om dat openlijk te doen – kreeg God nog vaak de rol toebedeeld van architect, klokkenmaker of ‘eerste beweger’ van het aan onwrikbare natuurwetten gehoorzamende universum.

Volgens wetenschapshistoricus Eric Jorink is dit een anachronistische visie op het verleden, die sterk is gekleurd door de retoriek van Verlichting. In de achttiende eeuw stelden verlichte geesten het graag voor alsof hun nieuwe inzichten louter het resultaat waren van natuurwetenschappelijk onderzoek. In Het Boeck der Natuere laat Jorink zien dat het zinnig is de wetenschappelijke ontwikkelingen in de zeventiende eeuw niet te lijf te gaan met achteraf geconstrueerde begrippen als ‘mechanisering van het wereldbeeld’, maar om ze te analyseren met behulp van concepten die in die tijd zelf werden gebruikt.

Centraal in zijn boek staat de notie van het ‘Boek der Natuur’, een idee dat teruggaat tot Augustinus, die stelde dat God zich tweemaal had geopenbaard: in de bijbel, die door de geleerde kan worden gelezen, en in de wereld, die de ongeletterde (idiota) kan lezen en begrijpen. Vooral in de Reformatie speelde het idee van het Boek der Natuur een belangrijke rol. In de calvinistische geloofsbelijdenis wordt uitdrukkelijk gesteld dat wij God op twee manieren kennen. Ten eerste door naar de schepping te kijken, die ‘voor onse ooghen is als een schoon boeck, in welcke alle schepselen, groote ende cleyne, ghelijck als letteren zijn.’ Daarnaast was er natuurlijk nog de bijbel, waarin wij hem ‘noch claerder ende volcomelijcker’ leren kennen.

Iedereen die een openbaar ambt ambieerde – dus elke predikant, regent en professor – moest deze geloofsbelijdenis onderschrijven. Vandaar dat het christelijke idee van het Boek der Natuur zich nergens zo sterk in het collectieve bewustzijn had genesteld als in de Republiek. In zijn boek maakt Jorink duidelijk hoe essentieel deze notie is om de wetenschappelijke ontwikkelingen in Nederland te begrijpen. Tegelijkertijd toont hij aan dat juist het concept van het Boek der Natuur in de zeventiende eeuw een cruciale ontwikkeling doormaakte.

Volgens Calvijn was de bijbel de bril die nodig was om het Boek der Natuur op correcte wijze te lezen. Alle verschijnselen dienden aan de hand van Gods woord geïnterpreteerd te worden. Na verloop van tijd werd echter duidelijk dat dit twee problemen opleverde. Allereerst werden niet alle verschijnselen in de bijbel beschreven. Zo toonde de theoloog Johannes Graevius in 1665 aan dat er in de bijbel niet over kometen werd geschreven, zodat het onmogelijk was om aan deze fenomenen een voorspellende waarde toe te kennen. Ook werden er in de Nieuwe Wereld allerlei dieren en planten ontdekt die er evenmin in voorkwamen. Tegelijkertijd kwam geen enkele ontdekkingsreiziger de in de bijbel genoemde eenhoorn tegen. Bovendien bleek uit de toenemende kennis van oude culturen dat er al mensen waren vóór het moment waarop God volgens de bijbel de wereld schiep.

Het tweede probleem was dat de bijbel een bril vol krassen en doffe plekken was. Sinds de Renaissance had de kennis van het Grieks en Hebreeuws grote vorderingen gemaakt en was de filologie een hoogst verfijnde discipline geworden. Zo werd duidelijk dat de ‘eenhoorn’ uit de Statenvertaling de vertaling is van het Griekse monokerotos. Dat was echter weer de vertaling van het Hebreeuwse woord re’em, waarvan het volstrekt onduidelijk is wat het betekent en dat tegenwoordig vaak als bizon wordt vertaald.

Hoewel veel calvinisten bleven vasthouden aan een letterlijke lezing van de bijbel, werd steeds duidelijker dat Gods boek een problematische tekst was, die voor het ‘lezen’ van het Boek der Natuur ondeugdelijk was. Daarom werd dit ‘boek’ steeds vaker bestudeerd zonder er onmiddellijk theologische interpretaties op los te laten. Het bestuderen van de sterren, microscopisch onderzoek naar insecten en het verzamelen van de meest uiteenlopende dieren, fossielen, planten en rariteiten – dat alles werd in de zeventiende eeuw een razend populair tijdverdrijf. En al deze onderzoekers, amateurs én wetenschappers, bleven zich uitdrukkelijk verbazen over het wonder van de schepping. God had het toch maar voor elkaar gekregen om het microscopisch kleine oog van een bij te voorzien van niet minder dan achtduizend facetten!

Wat Jorink in dit prachtige boek aantoont, is dat de bloei van de natuurwetenschappen in Nederland niet zonder meer verklaard kan worden uit de cartesiaanse revolutie. Het was vooral het doorsnijden van de band tussen het Boek der Natuur en de bijbel dat deze opbloei bevorderde. En die scheiding tussen wetenschap en theologie was niet het resultaat van een overwinning van het rationalisme, maar van theologische en filologische debatten die voortkwamen uit een intellectuele ontwikkeling die al tijdens de Renaissance was begonnen. Jorink sluit hiermee aan bij een trend in de wetenschapsgeschiedenis die er de laatste decennia steeds meer toe neigt de ‘Wetenschappelijke Revolutie’ te beschouwen als een tijdvak en niet als een eenduidig proces. Dat is eenzelfde ontwikkeling als die de begrippen ‘Renaissance’ en ‘Verlichting’ hebben doorgemaakt.