Eenmalig

Als muziekrecensent ben je gewend om in de watten gelegd te worden. Je weet niet beter dan dat de beste plaatsen gratis voor je klaarliggen. Om met beide benen op de grond te blijven is het daarom goed je af en toe onder het gewone publiek te begeven. Bijvoorbeeld door geduldig in een lange rij te gaan staan en diep in de buidel te tasten voor een toegangsbewijs (voor iets waarvan je nog maar moet afwachten of het de moeite waard is) of door genoegen te nemen met een slechte plaats.

Dat laatste deed ik afgelopen zaterdag bij de opera Cardillac, een gezamenlijke produktie van Holland Festival en Matinee op de Vrije Zaterdag in het Concertgebouw. Voor het eerst in mijn loopbaan had men mij een stoel op het podium achter het orkest toebedeeld. Uit nieuwsgierigheid besloot ik daar ook daadwerkelijk te gaan zitten. Dat was eens maar nooit weer: de muziek komt in dit deel van de zaal zo verwrongen aan, dat het eigenlijk een schande is dat die plaatsen überhaupt verkocht worden.
Om te beginnen geldt dat voor het koor dat in dit geval recht achter het orkest gesitueerd was. Meedogenloos schetterden enkele tientallen zangers in mijn linkeroor. Een latente hoofdpijn barstte spontaan los en ik voelde slechts nog medelijden met de orkestmusici die de volle laag kregen. Geen wonder dat ze allemaal voortijdig doof worden.
De manier waarop het geluid van het orkest zich verspreidde had nog het meest weg van een fragmentatiebom. Bij gebrek aan tijd om te mengen vlogen er scherven muziek rond, ieder met een eigen snelheid en dynamiek. Het gevolg daarvan was dat de instrumentgroepen volkomen ongelijk klonken.
Over de zangers kunnen we kort zijn: hun stemgeluid komt zo indirect bij de luisteraar dat het lijkt of je watjes in de oren hebt.
Het aardige is natuurlijk dat je met je neus boven op de keuken zit en zelfs met het zicht recht op de chef-kok. Cardillac (1926) van Paul Hindemith stond op het menu. Cardillac (naar een verhaal van E.T.A. Hoffmann) was Hindemiths vijfde opera, maar zeker niet de eerste met een sinister onderwerp (zie bijvoorbeeld Mörder, Hoffnung der Frauen).
Cardillac is een edelsmid die stelselmatig zijn klanten vermoordt en zo zijn sieraden weer terugvordert. De figuur van Cardillac wordt wel beschouwd als een metafoor voor de ambivalente relatie tussen kunstenaar en maatschappij. Cardillacs dwangmatige moordzucht brengt hem in een lastig parket, wanneer allereerst de koning in zijn winkel komt en vervolgens zijn aanstaande schoonzoon een sieraad wil kopen. Met de meest onwaarschijnlijke praatjes probeert Cardillac de beide heren te beletten de gewenste aankoop te doen.
Dit sappige verhaal is in zogenaamde neo-barokke stijl gevat. Vaak is de muziek uitgesproken pompeus. Een dik meerstemmig weefsel met pathetisch uithalende zangers. Daartegenover staan ook sobere contrapuntische passages (bijvoorbeeld een duet tussen de viool en hoorn), enkele schitterende lyrische aria’s en lichte, virtuoze loopjes voor de houtblazers. Cardillac is dus eigenlijk een gedrocht met charmante trekjes. Een phantom of the opera.
Over de kwaliteit van de uitvoering durf ik nauwelijks iets te zeggen. Hoewel zelfs vanaf mijn positie duidelijk was dat beide hoofdrolzangers - John Bröcheler als Cardillac en Christine Brewer als zijn dochter - grote prestaties leverden, was het onmogelijk een goede indruk van de stemmen te krijgen.
Het Radio Philharmonisch Orkest, Groot Omroepkoor en Edo de Waart zijn oude en betrouwbare bekenden, dus dat zal wel goed zitten.
Alle goede voornemens ten spijt was dit een eenmalig experiment. Liever suizende oren en een stijve nek op de eerste rij dan dit ratjetoe van achteren.