De moordenaar van Louis Sévèke

Eenmansguerrilla

Hij was de meest principiële en radicale anarchist van allemaal. Nog voelde Marcel T., verdacht van de moord op Louis Sévèke, zich niet geaccepteerd door de linkse actiescene. ‘Van mij kan iedereen doodvallen.’

De ondertitel van zijn autobiografie vat het allemaal samen: ‘Het leven is een eenmansguerrilla’. Marcel T., de man die afgelopen week voor de rechtbank in Arnhem een moord, acht bankovervallen en vijf politieke aanslagen bekende, was een activist van zijn tijd. Hij was een individualist pur sang, een loner. Wars van eindeloos getheoretiseer voerde hij directe acties. De politieke onderbouwing daarvan was mager. De aanslagen voelden voor hem vooral ‘als een morele verplichting’. De psychologen die T. onderzochten spraken over ‘ethisch narcisme’, dat ook voorkomt bij streng gelovigen en principiële wetenschappers. De explosieven knutselde hij zelf in elkaar. Maar zijn anarchisme was minstens zo gericht op het zich onttrekken aan het kapitalisme als op het bestrijden ervan. Werken in loondienst was de hel. Marcel T. was ‘diy’, do it yourself.

Zijn tragiek was dat uitgerekend de Nijmeegse linkse scene, waarin die idealen centraal staan, hem niet accepteerde. Hij, die zichzelf het principieelst en het radicaalst van iedereen vond. In het informele actiemilieu met zijn ongeschreven regels, waar het nooit precies duidelijk is wie er wel en wie er niet ‘bij hoort’, bleef hij een buitenstaander. Zijn eigen achterdocht deed de rest. Marcel T. begon te vallen. Daar kwam pas een voorlopig einde aan op 15 november 2005. Met twee kogels uit een afgezaagd dubbelloops jachtgeweer vermoordde hij de Nijmeegse activist Louis Sévèke.

Het leven dat T. voor ogen stond, moet veel weg hebben gehad van dat van de hoofdpersoon in Die Glücklichen, de romantische ‘schelmenroman’ van de Duitse schrijver Peter-Paul Zahl. De Kreuzberger Jörg verdient de kost met kluizen kraken en auto’s stelen van de rijken, gooit stenen naar de politie en sluit zich aan bij het radicaal-linkse verzet. ‘Keine Freude gleicht dem Aufruhr’, is het motto. Uiteindelijk vliegt hij er samen met zijn dochtertje vandoor in een luchtballon. Haar moeder is zijn grote liefde Ilona, een uit de goot gevist heroïnehoertje dat hij gepolitiseerd heeft tot revolutionair.

Hoe anders het bij hem zou aflopen, kan Marcel T. niet bevroeden als hij begin jaren negentig het Nijmeegse actiewereldje betreedt. Als overtuigd anarchist meldt hij zich bij de linkse boekhandel Assata. Tegelijkertijd verdiept hij zich verder in zijn grote hobby, explosieven. Alleen daarom was zijn opleiding aan het Hoger Laboratorium Onderwijs interessant, zegt hij achteraf. Ook bekwaamt hij zich in het stelen van auto’s. Meestal oefent hij ’s avonds laat als hij uit de kroeg komt.

In 1994 voert T. zijn eerste illegale actie uit. Tijdens de door het Earth Liberation Front (elf) uitgeroepen ‘Earth Night’ slaat hij rond tien uur ’s avonds een ruitje in bij een BP-tankstation. Daarop gooit hij een molotovcocktail – waarschijnlijk in een Lambrusco-fles – naar binnen. Op de muur spuit hij een leus: ‘De vervuiler betaalt’. Is getekend: het elf.

T. besluit te stoppen bij Assata. Zolang hij daar werkt, is het niet verstandig verdere aanslagen uit te voeren. Het zou zijn collega’s maar in de problemen kunnen brengen. Vanaf dat moment houdt hij zich low profile. Hij doet niet mee aan demonstraties en andere acties. Maar hij zit niet stil. In oktober 1995 mislukt een bomaanslag op het Arnhemse filiaal van de Credit Lyonnais-bank. 1996 begint met aanslagen op Banque Paribas, eveneens een Franse bank, die vanwege de kernproeven in de Stille Oceaan een doelwit is.

De grote kentering in zijn leven zal later dat jaar komen. Op 16 april 1996 blaast een bom de entree uit het Nederlandse hoofdkantoor van basf in Arnhem. De aanslag wekt verbazing bij andere linkse actievoerders. ‘De keuze van sommige van onze kameraden om de extreem vervuilende multinational basf aan te pakken, komt op ons nogal willekeurig over’, zal het elf Utrecht later in een stuk schrijven. Voor de politie is ‘basf’ aanleiding het onderzoek naar de aanslagen te intensiveren. Het tot 25 rechercheurs uitgebreide Bastionteam bezoekt zo’n beetje alle kraakpanden in Nijmegen, Arnhem en omgeving en verhoort tal van activisten. Hoewel T. ergens in 1996 wordt aangehouden, waarbij hij een stuk of vijf autodiefstallen bekent, ontspringt hij wat betreft de aanslagen de dans. Maar er is wel iets veranderd. Mensen, zelfs goede bekenden, beginnen vreemde vragen te stellen. De sfeer is niet meer hetzelfde. Ook in het café. ‘Binnen radicaal-links denken ze nu zeker: ik ben een infiltrant’, schrijft Marcel T. in zijn dagboek, waarvan de politie vorig jaar zowel een handgeschreven als een uitgetypte versie vond in een opslagbox. T. vermoedt dat ze hem ervan verdenken voor de bvd te werken, een agent-provocateur te zijn. Misschien wel iemand die via een omweg moet infiltreren in rara. ‘Bij die laatste actie werd ik duidelijk gevolgd, en het was geen recherche’, zegt hij later. ‘Dat is daarna nooit meer opgehouden.’

Het is deze paranoia die hem én Louis Sévèke uiteindelijk fataal zal worden. Maar helemaal onbegrijpelijk is zijn achterdocht op dat moment niet. Toen hij bij Assata werkte, had een collega al eens wat gecheckt over hem, achter zijn rug om. Later vraagt een huisgenoot het op de man af: ‘Ben je een infiltant?’

Ook dat wantrouwen is verklaarbaar. Uitgerekend in 1996 verschijnt Operatie Homerus. Het is het resultaat van een vijf jaar durend onderzoek door onder anderen Sévèke naar de handel en wandel van agent-provocateur Cees van Lieshout. Die trachtte zijn medeactivisten mee te slepen in gewelddadige acties. De Nijmeegse scene is dus gewaarschuwd. Met alles wat hij weet over de aanslagen maar niet kan zeggen, zal de introverte, moeilijk communicerende Marcel T. in zo’n situatie al gauw een wat zonderlinge indruk hebben gemaakt.

Ingebeeld of niet, de gevolgen van de verdenkingen zijn desastreus voor T. ‘Heel mijn leven staat in het teken van anarchisme. En dan word je ervan beschuldigd infiltrant te zijn’, schrijft hij in zijn autobiografie. Hij belandt in een neerwaartse spiraal. Gaat steeds vaker naar de kroeg. Drinkt veel. Ergens in die periode pleegt een van de weinige mensen met wie hij goed kon opschieten, een voormalige collega van Assata, zelfmoord. Als klap op de vuurpijl komt Marcel T. op straat te staan. Platzak en dakloos.

Werk zoeken dan maar? Dat beschouwt hij als de ‘ultieme nederlaag’. Hij wil geen loonslaaf zijn. Met een eerste overval verdient hij duizend gulden. Als die op is, moet hij er toch aan geloven. Maar T. ziet een uitweg. Eigenaar Rodamco van het kraakpand waar hij sinds begin 1998 woont, de Krisis, wil de bewoners voor 12.000 gulden per persoon uitkopen. Daar gaan ze in eerste instantie mee akkoord. Maar bij de daaropvolgende discussie wordt ook de rest van de Nijmeegse kraakbeweging betrokken, waaronder Louis Sévèke. Uiteindelijk wint het argument dat krakers zich vanuit hun politieke idealen niet moeten laten omkopen door huiseigenaren.

Voor T. was een ander ideaal belangrijker: niet hoeven werken. Hij voelt zich achter zijn rug om belazerd door Sévèke, wiens mening een doorslaggevende rol zou hebben gespeeld. ‘Die verdient een plekje op de hitlijst, de lijst mensen die bezoek van mij krijgen op de dag van de grote afrekening’, schrijft hij in zijn dagboek. ‘Daar kan één jaar overheen gaan of tien jaar, maar op een dag kom ik langs.’ T. schrijft buiten zijn medebewoners om nog brieven aan Rodamco, maar het wil niet baten. Uiteindelijk wordt hem door de andere bewoners te verstaan gegeven het pand te verlaten. Als het vervolgens twee maanden stil is op zijn kamer besluiten zijn huisgenoten de deur open te breken en een kijkje te nemen. Zijn spullen worden op straat gezet. Voor een woedende T. is het het zoveelste bewijs dat hij bespioneerd wordt door links.

‘Erger dan een huwelijk dat stukloopt’, noemt Marcel T. de identiteitscrisis waarin hij belandt. Al die jaren dacht hij de daad bij het woord te voegen. Hij pleegde ‘economische sabotage’. Maar in plaats van medestanders kreeg hij wantrouwen. Als hij begin 2001 naar Rotterdam verhuist om een nieuwe start te maken, heeft hij het gevoel jarenlang op het verkeerde paard te hebben gewed. Met als gevolg dat hij zich nu gedwongen ziet ongeschoolde arbeid te verrichten. Hij gaat bij Albert Heijn werken. Als hij een aantal dagen last heeft van zijn elleboog wordt hij ontslagen. Dat is de druppel. ‘Ik ging nog wat meer tijd steken in Research & Development’, tekent hij in zijn autobiografie op. Vanaf nu is het afgelopen met de loonslavernij. Marcel T. kiest definitief voor de onteigening.

Een keiharde crimineel is hij nog steeds niet. T. toont zich eerder een tedere anarchist, zoals Louis Paul Boon zichzelf betitelde. Bij de eerste bankovervallen – het neppistool in de hand – zakt zijn sjaal van het gezicht. Hij trilt. Moet zelfs een keer huilen. ‘Het is niet makkelijk om te doen, het is niet leuk’, zal hij later tegenover de rechtbank verklaren. Toch gaat hij door. Hij wordt steeds koeler. Zegt na afloop ‘bedankt en tot ziens’ tegen het personeel. Wat stelt tenslotte de beroving van een bank voor in vergelijking met de oprichting ervan?

Met het buitgemaakte geld vertrekt hij naar Spanje. Later woont hij een tijdlang in Antwerpen. Telkens als hij in financiële nood verkeert, komt hij terug. Steeds weer is hij verbaasd dat hij niet opgepakt wordt. Ondertussen wordt T. hedonistischer. Hij gaat zich te buiten aan drank en vrouwen. Als hij zijn laatste politieke idealen heeft opgegeven, slaat zijn anarchisme om in nihilisme. ‘Van mij kan iedereen doodvallen, inclusief mezelf, of het nu van de honger is of van iets anders’, schrijft hij.

De overtuiging vat post dat het allemaal is misgegaan in Nijmegen. Het idee dat hij vroeg of laat zal afrekenen met dat verleden wordt zijn houvast. Hoe slechter het hem gaat, hoe steviger hij zich eraan vastklampt. Langzaam maar zeker komt het hem voor als een rationele oplossing. De koele financiële termen waarin hij hierover spreekt, zijn veelzeggend: ‘de rekening vereffenen’, het ‘betaald zetten’, ‘de balans opmaken’. Maar Marcel T. kent ook betere tijden. Dan verdwijnen de wraakgedachten naar de achtergrond. ‘The best revenge is living well’, noemt hij het zelf in zijn autobiografie.

Totdat het tweede breukpunt in zijn leven zich aandient. Als in de zomer van 2005 de Antwerpse prostituee Carmen hem afwijst, neemt hij het besluit. ‘Ik ging opnieuw naar de klote. Ik had niets meer te verliezen, niets te winnen. Alleen nog oude rekeningen te vereffenen.’ En: ‘Als je niks meer met jezelf op hebt, heb je dat ook niet met je medemens, zeker niet met bepaalde.’

Hij koopt een jachtgeweer en brengt een voorbereidend bezoekje aan zijn vroegere woonplaats Nijmegen. Daar gaat T. langs bij café De Bijstand, kraakpand de Grote Broek en de Krisis. Hij wil weten waar zijn vroegere medebewoners zijn gebleven, waar Louis Sévèke en diens kameraad Frank Schoenmaeckers wonen.

Later, op de dag van de moord, is Sévèke de enige bekende die hij ziet. Hij zit in de Grote Broek. Achteraf zal T. beweren dat hij het altijd al op hem, de bindende factor in de Nijmeegse scene, gemunt had.

Er zullen weinig mensen zijn geweest in Nijmegen die zo goed door hadden als Louis Sévèke wat paranoia en achterdocht doen met een politieke gemeenschap. Niet de infiltraties zelf, maar de angst daarvoor vormt de grootste bedreiging, vertelde hij in een interview in het linkse blad Grenzeloos: ‘Zo’n boekje als De tragiek van een geheime dienst beoogt juist openheid van zaken te geven, een gevoel van overwinning, van “zij infiltreren wel, maar je kunt zelf ook wat terugdoen”. Het frappante is dat het bijna een averechts effect heeft. Het maakt mensen juist eerder bang of paranoïde.’

Als er iemand niet lichtzinnig vermoedens zou rondstrooien over mensen, was het Sévèke. Toch voelde Marcel T. op de avond van 15 november 2005, eenmaal terug op zijn Tilburgse hotelkamer, opluchting. ‘Nou heb ik jullie toch te pakken gekregen, stelletje kankerlijers’. Maar er was ook spijt. ‘Ik ben veel te ver gegaan. Dat besef je meteen’, zei hij afgelopen week tegenover de rechtbank. Hij wist niet dat Sévèke een broer en een zus had. Met zijn ouders zou zijn slachtoffer vanwege zijn activisme wel gebroken hebben, nam hij aan. Op de vraag waarom hij uitgerekend Sévèke had uitgekozen om wraak op te nemen, terwijl uit het dossier bleek dat die hem nooit beschuldigd had, bleef het lang stil. Op een ander moment stamelde T. over zijn motief vrijwel onhoorbaar dat dat ‘nu dus anders blijkt te liggen’.

Heel even was Marcel T. in het reine geweest met zijn verleden en zichzelf.

Lees meer over Louis Sévèke in De Groene Amsterdammer:

[Een zonderling op een eiland](../../../2007/14/Vraagtekens_bij_BASF-aanslag)

[Het laatste raadsel rond Louis Sévèke](../../../adhoc/Het_laatste_raadsel_rond_Louis_S%C3%A9v%C3%A8ke/2)

[Tatort Nijmegen. Eén jaar na de moord op Louis Sévèke](../../../2006/45/Een_jaar_na_de_moord_op_Louis)

[Vermoorde activist Sévèke werd bedreigd](../../../adhoc/Vermoorde_activist_S%C3%A9v%C3%A8ke_werd_bedreigd/1)

[Louis Sévèke (1964-2005)](../../../2005/47/Louis_S%C3%A9v%C3%A8ke__1964-2005/2)