FILM

Eenogige moordenaar

True Grit

In een nawoord bij een nieuwe uitgave van Charles Portis’ roman True Grit (1968) plaatst auteur Donna Tartt dit tamelijk onbekende werk in een literaire en historische context. Aanvankelijk had het boek een grote impact: Roald Dahl verklaarde dat hij in twintig jaar niets beters had gelezen en begin jaren zeventig was het gebruikelijk de roman samen met werk van Walt Whitman en Nathaniel Hawthorne en Edgar Allan Poe op de middelbare school te lezen. Maar toen werd het in 1969 verfilmd. Met John Wayne in de hoofdrol. En al gauw raakte True Grit, het boek, in de vergetelheid, weerloos tegen de macht van het filmbeeld.
True Grit is Amerikaans cultuurgoed. Tartt ziet in Mattie, het tienermeisje uit Arizona dat in het Wilde Westen op zoek gaat naar de moordenaar van haar vader, een beschaafde versie van Huckleberry Finn. Waar Huck blootsvoets rondloopt en zielsgelukkig is als hij in een waterton kan schuilen, daar is Mattie het product van een strenge, presbyteriaanse zondagsschoolopvoeding, een bijdehante slimmerik die niet schroomt tegen Rooster Cogburn, dronkenlap van een marshall die haar helpt de schurk Tom Chaney op te sporen, te zeggen: ‘I would not put a thief in my mouth to steal my brains.’ Nuchter tot op het bot, hard als steen, misschien zelfs als een soldaat van de confederatie, zoals Tartt ze omschrijft: 'dead-eye killers with rumpled hair and serious angel faces.’
Dat is een ironische beschrijving van Rooster Cogburn zelf, of wat hij ooit geweest moest zijn voor zijn 'teloorgang’. Want Cogburn, zo lezen we in Portis’ roman, was lid van de moordenaarsbende van de geconfedereerde guerrillaleider Quantrill, verantwoordelijk voor de gruwelijke massamoord in Lawrence, Kansas, in 1863. De suggestie is dat Cogburn zijn legendarische 'wreedheid’ bij Quantrill had geleerd. En toch, in True Grit gaat het niet over het monstrueuze in de mens of in de soldaat, maar juist om het zoeken naar menselijkheid en wat het betekent eerlijk en rechtvaardig te zijn. Meer nog, het gaat om waardigheid.
Deze motieven komen sterker naar voren in de nieuwe filmversie van de gebroeders Coen, waarmee ze zich opnieuw als meesters van de boekverfilming tonen. Hun True Grit is niet alleen tekstueel getrouw aan het origineel doordat veel dialogen letterlijk zijn overgenomen, ook slagen de regisseurs erin de sfeer en toon van het werk cinematografisch te vertalen. Hierin zijn ze schatplichtig aan cameraman Roger Deakins. Het landschap, hard en grauw, krijgt poëtische kwaliteiten, in een scène waarin Mattie ver weg op de horizon te paard onderweg is, of wanneer sneeuwvlokken ’s nachts langzaam naar beneden dwarrelen. Ook de psychologie van de personages krijgt visueel vorm. In de rechtszaal waar Cogburn, briljant gespeeld door Jeff Bridges, als getuige aanwezig is, zien we hem door Mattie’s ogen: eerst in het donker half verscholen achter andere figuren, maar dan duidelijker, verlicht door een zachte zonnestraal. Dit spel met licht en donker kenmerkt de hele film; het bevat de kern van Cogburns karakter. Cogburn. Een man die te veel heeft gezien en gedaan en desondanks moreel overeind is gebleven.
De True Grit van de Coens is een literaire film met onvergetelijke beelden. Toch is de oude John Wayne-versie op één puntje beter: de beroemde scène waarin Wayne/Cogburn de bende van Tom Chaney in het open veld aanpakt door de leisels van zijn paard tussen zijn tanden vast te bijten (Engels: to grit, om te knarsen op) zodat hij met twee geweren tegelijk kan schieten. Geen enkele scène in beide films weet beter de waardigheid van een leven vol dapperheid en durf te illustreren. Hier krijgt Wayne’s Cogburn een dichterlijke kwaliteit: zijn paard in volle galop terwijl hij, schietende cowboy, eenogige moordenaar en dronkenlap, transformeert tot een edele ridder die in eeuwigheid zal worden bezongen. ’(…) he took the reins in his teeth and pulled the other saddle revolver and drove his spurs into the flanks of his strong horse Bo and charged directly at the bandits. It was a sight to see.’

Te zien vanaf 11 februari