Hoofdcommentaar

Eens een Iraniër, altijd een Iraniër

Toen op het Binnenhof de bureaus werden opgeruimd en half Nederland naar de zon vertrok, kondigden de ministers van Buitenlandse Zaken en Onderwijs in de Staatscourant van 1 juli een opmerkelijk besluit aan: wijziging van de sanctieregeling Iran 2007. Daarin staat dat het is verboden om Iraniërs toegang te verlenen tot onderwijs, onderzoek of locaties waarbij zij kennis en technologie kunnen vergaren die kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van een atoombom.
Hiermee geeft Nederland gevolg aan de resolutie van de VN-Veiligheidsraad waarin een kennisembargo voor Iran is vastgelegd. De argumenten hiervoor zijn evident. Iran stuurt al jarenlang bewust studenten, wetenschappers en promovendi de wereld in om (geheime) nucleaire kennis te sprokkelen. Of zij worden bij terugkeer in Iran onder druk gezet. Een dam opwerpen tegen deze kennisimport is vanwege de internationale veiligheid niet abnormaal. De poorten van alle niet-gevoelige opleidingen blijven verder open voor studenten uit het land van president Ahmadinejad.
Maar opgelet, het venijn zit in de staart. Terwijl in de tekst van het toegevoegde artikel 2a wordt gesproken over ‘Iraanse onderdanen’ staat aan het einde omineus: ‘In Nederland werken en studeren bijvoorbeeld personen met een dubbele nationaliteit, de Iraanse en de Nederlandse. In dergelijke gevallen – bijvoorbeeld vluchtelingen – is het niet zonder meer aannemelijk dat de Iraanse overheid van hun kennis zal profiteren. Onder meer om voor deze categorie personen geen onnodige belemmeringen op te werpen is er voorzien in de mogelijkheid tot ontheffing.’
In deze juridisch ingewikkeld geformuleerde zin wordt gesteld dat het eventueel mogelijk is dat deze groep wél in dienst werkt van de Iraanse overheid. Het is namelijk ook niet zo dat zij zonder meer wél te vertrouwen zijn.
Met deze nieuwe regeling voert de overheid formeel discriminatie van een bepaalde groep met een dubbel paspoort in. Hiermee is Nederland gidsland in de wereld. Zelfs Amerika, de initiator van de VN-resolutie, legt aan Iraanse Amerikanen geen enkele belemmering op en voert een actief beleid om Iraanse slimmeriken te werven voor de kenniseconomie.
Dat Nederland de resolutie zó strikt interpreteert is schokkend. Het signaal is: ook al ben je Nederlander, je blijft een Iraniër. Mensen die hier al jaren wonen en werken zijn aangemerkt als in potentie verdacht. Zij kunnen in hun academische vrijheid worden beperkt, tenzij ze aantonen dat ze in aanmerking komen voor ontheffing. Veel van hen werken aan de universiteit en doen, inderdaad, in bètavakken onderzoek of werken als ingenieur in een ‘gevoelige’ branche. Deze allochtonen zijn volgens diverse onderzoeken (zoals van het Centraal Bureau voor de Statistiek in 2006) zelfs maatschappelijk zeer succesvol en het meest geïntegreerd in de samenleving. Moeten zij nu gaan bewijzen dat ze loyaal aan Nederland zijn? Hoe doe je dat eigenlijk? Door al je fysieke bewegingen, reizen, bankafschriften, contacten en seksuele relaties te tonen?
De universiteiten en onderwijsinstellingen hebben bovendien de twijfelachtige eer om deze screening te initiëren. Aangezien dit kennisembargo is gericht op de aanbieders van kennis, en niet op de verwervers van kennis, zijn de universiteiten en onderzoeksinstellingen verantwoordelijk – en dus strafbaar – voor eventuele spionnen onder hun gelederen. De ontheffing moeten docenten en decanen voorleggen aan een speciaal loket van het ministerie van Onderwijs. Wat zal dat een gezellige sfeer opleveren aan de universiteiten van onze open democratie.
Niet alleen is ze een belediging aan het adres van één groep, ook schept de regeling een precedent voor andere Nederlanders met een dubbel paspoort. De discussie, vorig jaar aangezwengeld door Geert Wilders, kan opnieuw beginnen over bijvoorbeeld de vraag of een minister met toegang tot staatsgeheimen uiteindelijk betrouwbaar genoeg is om het ambt te bekleden.
De regeling, die inmiddels in werking is getreden, heeft wel geleid tot kritiek van rechtsgeleerden die nog niet op vakantie waren. Zij sabelen haar neer als strijdig met artikel 1 van de grondwet, waarin is vastgelegd dat discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook niet is toegestaan. Na de zomer zal de regeling wellicht bij het Europese Hof worden getoetst.
Blijft de vraag waarom Nederland zich opstelt als de braafste leerling van de klas. Dat heeft zeker te maken met het Abdul Khader Khan-trauma. De Pakistaanse atoomgeleerde wordt beschouwd als de geestelijk vader van de ‘islamitische atoombom’, waarvoor hij in de jaren zeventig heimelijk cruciale kennis in Nederland verwierf. Voor zijn baan bij Urenco slaagde hij indertijd voor het veiligheidsonderzoek van de BVD, maar pas toen hij na een vakantie in Pakistan in 1975 niet terugkeerde, waren de poppen aan het dansen.
Zijn geval zegt vooral iets over het rammelende onderzoek van de veiligheidsdienst, waarvoor Nederland zich internationaal terecht diep schaamt. Met een categorale uitsluiting zal dat echter niet voorkomen kunnen worden. Alle beweegredenen om te spioneren zijn denkbaar: geld, chantage, rancune, idealisme, terrorisme. Bij twijfel aan loyaliteit weegt nu kennelijk de dubbele nationaliteit van Nederlanders zwaar. Dat is verwerpelijk. Het is en blijft de taak van veiligheidsdiensten om met high profile screening te voorkomen dat individuele burgers – autochtoon of allochtoon – geheimen in handen spelen van vijandelijke staten of groeperingen.