Eens en voor altijd misplaatst

TOEN HIJ twee jaar geleden in Nederland werd uitgenodigd om een lezing over de roman te komen houden, verbood de Zuid-Afrikaanse schrijver John Coetzee dat hem vragen zouden worden gesteld over zijn persoon, over collega’s, politiek en wat al niet. Uiteindelijk wilde hij in een openbaar gesprek alleen praten over de lezing die hij zojuist had gehouden, ‘Wat is realisme?’

In oktober werd er in Frankrijk een boekenweek gewijd aan de Zuid-Afrikaanse literatuur, waaraan ook Coetzee zou deelnemen. Tegenover Le Monde weigerde hij een gesprek over welk onderwerp ook, en de lezing die hij in Aix-en-Provence zou houden, ‘Wat is realisme?’, was waarschijnlijk dezelfde. Ter compensatie citeerde Le Monde fragmenten uit het boek Doubling the Point (1992), dat een aantal essays van Coetzee bevat over onder meer Beckett, volkscultuur, Kafka, autobiografie, censuur en Zuid-Afrikaanse schrijvers, elk onderdeel voorafgegaan door een gesprek van David Attwell met de auteur, waarin hij reageert op de betreffende essays. Zo werd het een intellectuele autobiografie.
Maar waarom komt deze schrijver, die zo wars is van aandacht voor zijn persoon, nu met een autobiografisch werk? In Jongensjaren vertelt hij over de jaren 1948-1951 dat hij als jongen met een Afrikaner achtergrond op een Engelse school in de provinciestad Worcester zat, zo'n honderd kilometer van Kaapstad, in de tijd dat men van hogerhand probeerde te verhinderen dat kinderen van Afrikaanse afstamming Engels leerden spreken. Zijn moeder, wier voorouders uit het Duitse Pommeren kwamen, sprak perfect Engels, zijn vader Engels met een Afrikaans accent. Hoewel ze met geen enkele nationaliteit te doen hadden, werden ze tot de 'volksverraaiers’ gerekend.
Toen de vader na jaren eindelijk weer zijn beroep van advocaat kon uitoefenen, verhuisde het gezin Coetzee naar Kaapstad. De elfjarige jongen kwam als protestant op een niet al te beste katholieke school terecht, waar hij al net zo min werd geaccepteerd als op de protestantse school in Worcester. Daar had hij gedaan alsof hij katholiek was - zonder het aan zijn ouders te vertellen, die niks waren - met als gevolg dat hij net zo werd mishandeld als zijn joodse medeleerlingen.
JONGENSJAREN is het verhaal van een jongen die overal misplaatst is, maar van de nood een deugd maakt. Om zich bijzonder te kunnen voelen, leidt hij zoveel mogelijk een dubbelleven. Van alles maakt hij een persoonlijk geheim. Daarbij neemt hij op de koop toe dat hij zich voor alles en voor iedereen schaamt. In het bijzonder voor zijn vader, 'die man’ zoals hij tegen zijn moeder over hem praat. De moeder adoreert haar oudste zoon, zodat deze met niets anders bezig is dan zich aan haar verstikkende omhelzing te ontworstelen. Is hij op school een doetje, thuis is hij een tiran. Als de vader op het laatst aan lager wal raakt, wordt de moeder sterker; haar drijfveer is dat zij zich finaal voor haar twee kinderen wil opofferen.
Subtiel laat Coetzee zien hoe ingewikkeld de gevoelens van een buitenstaander zijn, zeker een die er zelf voor kiest anders dan anderen te zijn en er toch bij wil horen, als zijn moeder dat niet verhinderde. Iemand die nergens echt bij hoort kan zich bijzonder voelen en zich toch voor degenen die hij minacht doodschamen, omdat hij zich in alles bekeken en beoordeeld weet. Niettemin is hij slim genoeg om op het eind, als een tante tegen zijn moeder zegt dat hij een bijzondere jongen is en zij dat op haar beurt tegen hem zegt, de vraag te stellen: 'In wat voor opzicht bijzonder? Dat zegt nooit iemand.’
Tot zover lijkt Coetzees boek het voor een schrijver bekende levensverhaal van de buitenstaander. In het genoemde essayistische boek merkte hij zelf al op dat de autobiografie wordt beheerst door eigenbelang van de auteur: te achterhalen hoe hij - als persoon én als schrijver - geworden is wie hij nu is. En nadat hij in het begin gesteld heeft dat alle schrijven, ook voor hem, autobiografisch is, constateert hij na afloop dat de gesprekken in het boek vooral om de vraag gingen: hoe vertel je de waarheid in een autobiografie? In dat perspectief blijkt een groot essay uit 1985, 'Confession and Double Thoughts’, over Augustinus, Rousseau, Tolstoj en Dostojevski, een draaipunt in zijn werk.
MET DAT eigenbelang van de auteur bij deze jeugdherinneringen correspondeert dat van de lezer, die ze leest ter aanvulling op de romans. Ik zeg aanvulling, maar Jongensjaren geeft geen sleutel op het andere werk, althans niet direct; hooguit kun je zeggen dat de keuze voor misplaatste personen in de romans wellicht mede is ingegeven door persoonlijke ervaringen. Maar die romans hebben zo'n aanvulling niet nodig. Bij iemand die zich zo goed bewust is van wat hij doet, mag je daarom een ander motief veronderstellen.
Ik denk dat dit boek ook een strategische functie heeft, van literair-politieke aard. Coetzee is op z'n eenentwintigste naar Engeland geëmigreerd, waar hij zich met computerkunde bezighield; vervolgens ging hij in Amerika linguïstiek studeren en hield zich vanuit die hoek met literatuur bezig. Pas onder invloed van de Vietnamoorlog is hij zelf gaan publiceren. Zijn eerste boek, vertaald als Schemerlanden, is een tweeluik over Vietnam en de Zuid-Afrikaanse geschiedenis.
Toen hij na tien jaar terugkeerde naar Zuid-Afrika werd zijn werk - en zijn visie op zijn land - daar als dat van een buitenstaander gezien, te meer daar hij aansloot bij de moderne Europese literatuur. Literatuur diende vanuit een politiek standpunt rechtstreeks over actuele onderwerpen te gaan. Realisme heette dat, en zijn indirecte benadering kwam Coetzee op het verwijt van formalisme, escapisme, wereldvreemdheid te staan. Daar kwam bij dat hij systematisch weigerde in diverse zaken standpunten in te nemen. Op een indirecte manier legt hij in deze autobiografie uit waarom: hij heeft nooit ergens echt bijgehoord en had dus niets (geen partij, geen standpunt) om te verdedigen. Afrikaner is hij niet omdat hij in het Engels is opgegroeid en omdat hij nooit tot de Afrikaner cultuur heeft behoord. Als hij ergens bij hoort, dan bij degenen die nergens wortels hebben. Helaas is Afrikaans ook een ideologisch begrip geworden en hij beseft dat hij ondanks alles door zijn afkomst medeplichtig is aan wat de blanken Afrika hebben aangedaan.
In deze autobiografie komt dit alles alleen impliciet ter sprake, zo voorzichtig blijft Coetzee wel. Al weet hij nu dingen die hij als jongen niet wist, aan een analyse waagt hij zich niet; het leggen van rechtstreekse verbanden laat hij aan de lezer over. Bijvoorbeeld als hij de boerderij van zijn vaders familie in de Karoo beschrijft als een voor hem geschapen paradijs, waartoe hij behoort maar dat hem nooit zal behoren. 'Alles wat gecompliceerd is in zijn liefde voor zijn moeder is ongecompliceerd in zijn liefde voor de boerderij. Maar zo lang hij zich kan heugen, heeft deze liefde iets pijnlijks.’
De boerderij Vogelfontein is belangrijker dan zijn moeder, hij is zelfs bereid haar ervoor te verloochenen: bij zijn bezoek leert hij vooral wat voor leven hem wordt ontzegd, 'hij zal er nooit meer zijn dan een gast, een ongemakkelijke gast’. Nostalgie krijgt in het boek geen kans, want hij is in zijn vaders familie nooit opgenomen - en zo is Coetzee een vreemde in eigen land en in de eigen literatuur gebleven, met meer lezers in het buitenland dan thuis. De ondertitel 'scènes uit de provincie’ krijgt dan een bittere bijsmaak.