‘eens met het bestaan’

HET FORMULIER is gedateerd 1 mei 1952. Het werd ingevuld door Remco Wouter Campert:
‘Geboortedatum en -plaats: Den Haag, 28 juli 1929. Opleiding: Amsterdams Lyceum (geen eindexamen). Tegenwoordige functie: dichter. Loopbaan: beter van niet.’

Hij schiet in de lach. ‘Hoe kom je dáár aan?’ Ja, hij herkent zijn handschrift, maar waarvoor hij de vragenlijst 46 jaar geleden heeft ingevuld weet hij niet meer. 'Als dit een sollicitatieformulier was, dan heeft dat ene zinnetje me natuurlijk genekt.’
Dat was waarschijnlijk ook de bedoeling. Remco Wouter Campert solliciteerde naar een afwijzing. 'Ik was er al vrij vroeg van overtuigd’, zegt hij nu, 'dat ik geen vaste baan moest hebben met een pensioen enzo. Dat heb ik altijd als een soort verstarring gezien, en terecht. Maar dat ik dat tóen al dacht, op mijn tweeëntwintigste - dat was ik vergeten.’
Het is er dan ook nooit van gekomen, die vaste baan. De loopbaan wel, toch? 'Nee joh’, protesteert Campert opgewekt. 'Schrijven is geen loopbaan. Schrijven is een liefdesaffaire. Als het goed is, ga je wat beter schrijven dan je in het begin deed. Maar daarmee stijg je nog niet op de maatschappelijke ladder.’ Hij rilt bij dat woord. 'Wanneer je schrijft, is er nergens in je buurt een ladder te bekennen. Je bouwt ook niet aan iets, je schrijft gewoon door.’
Klimmen, stijgen, bouwen - ha! Bouwen aan een oeuvre zeker? Welnee. 'Ik schrijf wat me voor de voeten komt’, zegt hij. 'En ik schrijf uitsluitend uit liefde voor het schrijven. Liefdesaffaires heeft men soms meerdere in het leven, terwijl schrijven voor mij een blijvende liefde is. Eeuwige trouw aan het schrijven is voor mij net zo vanzelfsprekend als zo lang mogelijk trouw blijven aan ademen. Een levensbehoefte.
Ik kan me ook niet voorstellen dat die behoefte ooit verdwijnt. Als je schrijven als een loopbaan beschouwt, dan denk je misschien op een dag: ik ben nu zo en zo oud, ik heb me bewezen, nu ga ik vissen. Maar bij mij zal het schrijven nooit ophouden. Wil ik door leven, en dat wil ik graag, moet ik schrijven.’
WE DRINKEN WIJN en eten Italiaans en praten over zijn nieuwe, pasverschenen verhalenbundel Een mooie jonge vriendin. Waar hij met merkbaar veel plezier, 'schrijflol’ zoals hij het noemt, aan werkte. Negenenzestig is hij nu, en een mooie jonge vriendin houdt hij er niet op na, zegt hij. De vriendin uit het titelverhaal is geen droom van een aardige oude schrijver. Nee, zij was mooi en jong in de jaren vijftig, toen ze 'seksjuweel’ verkeerde met een lelijke jonge dichter. Dat gaf de nodige glans aan diens dichterschap. Campert schrijft: 'Ik was een jonge dichter, maar geen mooie. Een mooie jonge vriendin met een mooie jonge dichter zou waarschijnlijk te veel van het goede zijn geweest. De combinatie van een lelijke jonge dichter met een mooie jonge vriendin werkt veel overtuigender. In zo'n geval kan het niet anders of de poëzie van de lelijke jonge dichter moet goed zijn, want hoe zou hij anders aan zo'n mooie jonge vriendin gekomen zijn?’
Het recensentenvolk lijkt niet goed raad te weten met de bundel, zoals wel vaker. 'Omdat ik het luchtig opvat’, denkt Campert. 'Het genre dat ik beoefen, het lichtvoetige, bestaat in Nederland eigenlijk niet of nauwelijks. Enige Wichtigmacherei is Nederlandse schrijvers niet vreemd. Je kunt mij niet goed vergelijken met anderen. Dat is een beetje een probleem geloof ik, maar niet mijn probleem. In wanhoop roept Carel Peeters nu dat ik de Annie M.G. Schmidt van de Nederlandse letterkunde ben. Een eervolle vergelijking, maar ik zie behalve ons gevoel voor humor toch niet zoveel overeenkomsten tussen haar en mij.’
Peeters schreef ook dat jij van jezelf een personage maakt: een antiheld.
Hij grinnikt. 'Ik kan niet zeggen dat ik als de meest gewiekste baas door het leven ga, maar in mijn werk overdrijf ik mijn onhandigheid. Het type van de stuntelaar is gewoon een traditie in de humor waar ik altijd erg van heb gehouden. Maar ik heb een beetje genoeg van die rol. Ik voel me ook helemaal niet zo. Ik heb me altijd meer een zondagskind gevoeld dan een brekebeen.’
Een zondagskind dat óók stuntelig en verlegen was.
'Verlegen ja, dat was ik vroeger als de pest. Nog steeds een beetje. Toch dacht ik, in al mijn verlegenheid: het komt allemaal goed. Ik zeil er wel doorheen, mij kan niets gebeuren. In geval van tegenslag hield ik mezelf voor dat het leven nog van alles voor mij in petto had. Een onverwoestbaar vertrouwen. Ik denk trouwens dat de hele generatie dichters uit de jaren vijftig dat had.’
HIJ DENKT en schrijft dezer dagen veel over de jaren vijftig, zegt Campert. 'Er is in die tijd zo veel gebeurd in mijn leven. Verliefdheden, huwelijken, het dichten, het ontmoeten van die hele kunstenaarskluit. Daar zit nog veel in. Leuk materiaal om mijn fantasie op los te laten, want het moet niet te feitelijk, te biografisch worden. Ik wil niet mijn memoires schrijven. Dan wordt het zo “opa kijkt terug”. Ik zou natuurlijk veel specifieker kunnen schrijven, bijvoorbeeld over Lucebert en Schierbeek. Daar ben ik ook al mee bezig, maar ook daar wil ik niet te letterlijk mee omgaan. Ik wil mijn eigen dingen schrijven.’
Een serieuze studie over de Vijftigers hoeven we van zijn hand niet te verwachten. Hij vertelt er wel graag over. Hoe ze inbraken in de vaderlandse letterkunde om te laten zien dat er een tijdperk voorbij was. Hoeveel hoon er in het begin was en tegenwerking en beschimping. Maar al na een paar jaar kwam de waardering voor hun 'experimentele’ poëzie, werd hun werk uitgegeven en positief besproken. Zondagskinderen. 'Wij waren dan wel een nieuwe generatie, maar iedere Vijftiger had natuurlijk zijn favoriete dichters uit de vorige generaties. Poëzie is iets dat dóórgaat, je gooit niet het kind met het badwater weg. Wat wij wel probeerden was het badwater weggooien en het kind overnemen.’
Uit zijn gedicht 'Winter 1950-1951’: 'Parijs en Lucebert/ beiden had ik net ontdekt/ een mooier begin van een leven/ waarin ik tot dan toe weinig fiducie had/ kon ik me niet wensen/ mijn poëzie ging open in zijn nabijzijn.’
Toen hij de Vijftigers ontmoette, zegt Campert, vond hij een vorm. 'Niet in het schrijven, want daarin wist ik van mijn gezond nog niet af. Maar ik kwam bij een familie.
Het gezinsleven in mijn jeugd was een ramp. Mijn vader verliet ons toen ik drie was. Mijn moeder was actrice en werkte hard, dus ik werd vaak uitbesteed. Ik logeerde nu eens hier, dan eens daar. Bij opa’s en oma’s of bij kennissen of bij Klaartje Eggink - daar bleek mijn vader opeens mee getrouwd te zijn. Zat ik daar een half jaar, kregen ze ruzie, ik weer terug naar mijn oma. In de oorlog heb ik bij een andere familie gezeten, terwijl mijn moeder in de stad toneelspeelde. Een opgebroken jeugd. Daar heb ik wel de zekerheid aan ontleend dat ik mij goed kan redden in allerlei omstandigheden. Ik heb altijd mijn eigen plan moeten trekken.
Na de oorlog kwam er een periode van grote onzekerheid. Ik had drie jaar op het platteland gewoond, ik droeg klompen, en toen moest ik naar mijn moeder in de stad. Eindelijk een vaste situatie, maar die maakte me erg onzeker want onvastheid was altijd mijn zekerheid geweest, als ik eens mag psychologiseren. Nu kreeg ik opeens een soort beroep: ik was weer zoon.’
Bovendien een zoon van zijn vader, schrijver Jan Campert. Dat heeft hem lang achtervolgd. 'En dat terwijl ik geen enkele band met hem had. Ik kende hem nauwelijks. Maar van de buitenwereld moest ik een band met hebben. Ik moest trots op mijn vader zijn, niet van mijn moeder, maar van iedereen daaromheen.’ Zelfs van de koningin. Toen koningin Wilhelmina uitgeverij De Bezige Bij vlak na de oorlog met een bezoek vereerde en de piepjonge auteur Remco Campert in een net pak haar een handje mocht geven, vroeg zij of hij in de voetsporen van zijn vader zou treden. 'Nou majesteit, liever niet’, antwoordde hij, waarop hij schielijk bij haar vandaan werd getrokken.
'Laatst, tijdens een televisie-interview, beweerde ik dat “De achttien doden” het enige gedicht is dat ik uit mijn hoofd ken. Dat moest ik dan maar eens laten horen. Middenin stokte ik, ik wist het niet meer. Ik sloeg dicht, bij zoiets essentieels! Dat schokte me ontzettend. Toen ik na afloop naar huis liep, door de mist en de regen, dacht ik: ik moet in orde komen met mijn vader. Ik kan maar niet blijven doen of ik niks met hem te maken heb en hij niks met mij. Ik moet dichterbij hem komen.’
EN ZO KOMT HET dat tijdens de Boekenweek, die komend jaar in het teken van 'familie’ staat, een essay verschijnt van Remco Campert over Jan Campert. Hij is ervoor naar het Riod geweest, en naar het Letterkundig Museum. Hij heeft de brieven van zijn vader gelezen, waaronder ook brieven uit de gevangenis in oorlogstijd, en is inderdaad wat dichterbij gekomen. 'Maar het blijft toch een stem van heel ver weg die uit die brieven spreekt. Het was voor mij eerder documentair dan emotioneel om te lezen. Ik vind het wel een opluchting dat ik eindelijk een eind heb gemaakt aan mijn bokkige puberhouding tegenover mijn vader en nu aandacht heb besteed aan die verhouding van ons. Die non-verhouding, zou ik haast zeggen. Want ik heb eigenlijk maar twee herinneringen aan hem.’
Samen naar de bioscoop. De Cineac in Amsterdam. Sneeuwwitje en de zeven dwergen draaide, en Remco was doodsbang toen de boze stiefmoeder door de bliksem werd getroffen. Na afloop nam zijn vader hem mee naar een appartement aan het Singel waar een mooie jonge vrouw op hem wachtte en hem hartstochtelijk omhelsde. Remco stond erbij en begreep het niet. Nu wel. 'Hij was toen nog met Clara Eggink getrouwd, maar hij had veel vriendinnen.’
Uit de gedichtencyclus Jong: 'Mijn vader wist niet hoe ’t moest/ met zijn zoon/ en omgekeerd/ maar zijn woede/ om al het grote falen/ ben ik niet vergeten.’
De tweede ontmoeting vond plaats in de oorlog. Niet lang voor zijn arrestatie bezocht Jan Campert zijn moeder, bij wie Remco was ondergebracht. 'Opeens was hij daar, het hele huis in rep en roer: Jan is er! Hij was toen al ondergedoken, dus het was alsof de verloren zoon thuiskwam. Mijn oma ging de tafel mooi dekken, ik morste soep en kreeg een dreun…’ Daar houdt de herinnering zo'n beetje op.
Met zijn zoon wist vader Campert niet hoe ’t moest, maar verder was hij een leuke man. 'Een bohémien, altijd in voor een pretje’, zegt Campert. 'Maar ook een heel aardige, trouwe vriend. Innemend. Zo komt hij naar voren uit de beschrijvingen van anderen.’ Hij stierf toen Remco dertien was. Uit 'Januari 1943’: 'De Duitser had per kaart gemeld/ mijn vader hij was dood/ in Neuengamme bitter oord/ daar hadden ze hem vermoord./ Ik voelde niets/ maar wist dat ik iets voelen moest/ (….) eerst later voelde ik pijn/ die niet meer overging/ die nog mijn lijf doortrekt/ nu ik dit schrijf.’
'WAT SCHRIJVEN is leerde ik van mijn opa, niet van mijn vader’, zegt Campert uren later in het café. 'De vader van mijn moeder schreef feuilletons en toneelstukken. Als kind van vijf werd ik weleens bij opa geparkeerd. “Als je maar stil bent”, zei hij, want hij wilde gewoon doorwerken. Achter elkaar zat hij te schrijven, zijn sigaar lag te smeulen, ik dacht: wat doet opa? Ik wist niet wat schrijven was.’
Nog maar een sigaret. Hij rookt aan één stuk door.
Hij vindt het eigenlijk zo vreselijk, zo'n 'intervjoew’, en dat hij dan de hele tijd aan het woord is. 'Ik voel me alleen thuis op dat vel papier’, zegt hij verontschuldigend. En achter zijn ouderwetse 'schrijfmasjien’. Daar heeft hij er twee van op zijn werkkamer. Hij tikt er zijn hele oeuvre bij elkaar: zijn columns voor de Volkskrant, zijn gedichten, verhalen.
Maar nee, oeuvre is geen woord voor hem. Schouderophalend: 'Goed, ik schrijf veel. Maar “oeuvre” heeft iets gewichtigs, als een blok dat in de cultuur staat en waar je niet omheen kunt. Steeds weer bots je met je kop tegen dat blok. Ik zou mezelf geen oeuvreschrijver willen noemen, ik ben een penny-a-liner. Mijn grootvader was dat, Dickens was dat - een penny per regel. Een broodschrijver. Dat is een eretitel, hoor.’
Je schreef eens: 'ik wil wel graven/ naar poëzie/ maar niet te diep’.
'Ja, ik ben een beetje oppervlakkig. Of althans: ik houd wel van de oppervlakte. Ik lees ook graag kranten. Ik zou natuurlijk Hegel en Heidegger moeten lezen, maar dat heb ik nou nog nooit gedaan. Ach, ik denk weleens - ik denk niet zoveel hoor, als ik poëzie schrijf - maar soms denk ik: mocht er diepte in mij aanwezig zijn, dan komt die er vanzelf wel uit, op papier.’
Het lijkt of je steeds persoonlijker gaat schrijven. Minder vorm, meer vent.
'Dat weet ik nog zo net niet. De vent is ook maar een vorm. Een mooie jonge vriendin is vrij persoonlijk, maar ik heb bewust voor die vorm gekozen. En het boekje over mijn vader wordt natuurlijk heel venterig, maar ik had ook nog nooit in die essayvorm geschreven.
Mijn persoonlijkheid vind je vooral in mijn columns, denk ik. Als je mijn stukjes allemaal achter elkaar zou lezen, wat ik niemand aanraad, dan zie je één vent, één mannetje.’
Wat is dat voor een type?
'Een aandachtige liefhebber van het bestaan.’ Hij lacht verlegen. 'Ja, daar komt het wel op neer. Beetje Carmiggelt, eigenlijk. Ik herkende als jongen al veel in zijn werk. Het heeft zich bij mij ontwikkeld tot iets anders, ik ben allang mijn eigen mens geworden, maar ik heb wel een beetje zijn manier van doen. Ik houd het ook graag klein, net als Carmiggelt, maar op verschillende terreinen. Ik heb in mijn verhalen en columns meer onderwerpen dan hij.’
Die column in de Volkskrant - daar gedijt Campert bij. Heerlijk, zegt hij, zo'n eigen hoekje waar hij drie keer per week zijn verhaaltjes kan vertellen. En dan al die reacties. Stapels post, bijna altijd aardig. 'Er is iets mis met me, denk ik. Als columnist moet je toch wat hate mail krijgen?’ Op straat, zegt hij, en hij straalt erbij, wordt hij voortdurend aangeschoten: meneer Campert, wat u gisteren schreef… Of iemand stopt met een auto: Hé, Remco! 'Dat gebeurt soms drie keer per dag, en ik loop er niet speciaal voor door de stad. Ik heb dat ondanks mezelf bereikt, want ik zit niet voortdurend met mijn snufferd op de televisie. Carmiggelt had dat ook. Is dat roem, erkenning? Ik weet het niet. Hérkenning, denk ik. Het is het meest directe contact dat je met je lezers kunt hebben, en ik vind het fantastisch. Het hoort bij mijn zondagskindgevoel.’
REMCO CAMPERT is geen man van stemverheffingen. Hij zal niet snel, waarschijnlijk nooit, in zijn column een polemiek met iemand voeren. Hij proest bij het idee.
Maar je windt je soms wel op.
'Mwah, met mate. Ik laat me liever niet te veel afleiden door dingen, door ergernissen. Er gebeuren natuurlijk heel grote drama’s in De Wereld. Dat kun je geen ergernissen meer noemen, daar kun je alleen maar radeloos van worden. Maar in het dagelijks leven is voor radeloosheid geen plaats. Je gaat niet radeloos naar de bakker. Zo kan ik mezelf ook niet radeloos schrijvend voorstellen. Dan zou ik rare manifesten moeten schrijven of politieke pamfletten. Maar ik heb een gezond mechanisme…’ Hij stokt, en mompelt: 'Hè gat, wat zit je toch gauw over jezelf op te scheppen als je wordt geïnterviewd. Ik wou dat ik iets vervelends over mezelf wist, weet jij niet iets?’ Hij lacht, drinkt van zijn wijn, herneemt zich dan braaf: 'Zodra ik ga schrijven, doe ik alsof er niets aan de hand is. Nee, dan ís er niets aan de hand. Dan ben ik niet verdrietig of gelukkig, dan is er alleen maar het schrijven. Ik kan me ook geen staat van ongeluk voorstellen die zo groot is dat ik niet meer zou schrijven.’
Ongepolijste kwaadheid leidt alleen maar tot slechte schrijfsels. Zoals hij beschrijft in het gedicht 'Gemompel’: 'Hoe duidelijker ik ’t wil zeggen/ hoe slechter ik uit mijn woorden kom/ dat lijkt me een typisch verschijnsel/ van het een of ander.’
Hij zegt: 'Je ziet in een aantal van mijn gedichten dat ik in de wereld sta, het is geen gesloten werk. Ik laat de wereld binnen in mijn poëzie.’
Meer dan in je proza.
'Ja, poëzie leent zich daar beter toe omdat het meer een hartekreet is. In mijn gedichten kun je een vorm van engagement vinden waarvan ik hoop dat het niet modieus is. Ik zou het liever begaanheid noemen, met de dingen die om ons heen gebeuren. Ik verbind daar verder geen conclusies aan; ik zou me niet gauw aansluiten bij een beweging die voorgoed een einde wil gaan maken aan alle ellende en verdriet in de wereld. Het enige dat ik kan doen is af en toe laten blijken dat ik begaan ben.’
HIJ LEEST de laatste tijd niet veel meer van anderen. Geen tijd, geen rust voor. Dat is het beroerde van ouder worden: je krijgt een gevoel van haast, zegt Campert. 'Ik zit soms zelfs te rekenen: wat zit er nog in? Nou, voor ik doodga moet ik toch nog twee bundels poëzie kunnen schrijven, verzeker ik mezelf dan. Nog een mooie verhalenbundel, een korte roman, misschien nog een film met Hans Keller. Een paar reizen… Je gaat er ernstig rekening mee houden dat je misschien niet lang meer leeft.’
Vind je dat beklemmend?
'Nee, het geeft een zekere urgentie aan alles en dat is niet onprettig. Maar ik vind het gek dat ik daar vroeger nooit over nadacht. Toen was er zo'n ruimte in de tijd. Nog steeds is elke dag een grote ruimte in de tijd, maar alle dagen bij elkaar - dat wordt een beperkte ruimte. Je ziet een einde.
Ik heb het daar niet moeilijk mee. Met het ouder worden ben ik ook heel wat angsten kwijtgeraakt. Ik had het moeilijk toen ik veertig werd. Dat is zo'n rare helft van je leven. Wat heb ik nou eigenlijk gedaan, vroeg ik me af. Niks, dus zal het de komende jaren ook wel niks worden. Niets lukte me voor mijn gevoel, terwijl ik gewoon doorschreef. Maar wel minder, en op de automatische piloot. Het ging niet goed met mijn huwelijk, niet met de verhouding met mijn kinderen. Ik had ook een drankprobleem waarvan ik dacht: daar kom ik nooit meer van af. Voor het eerst en ook voor het laatst dacht ik er toen serieus over om een eind aan mijn leven te maken. Dat heeft een half jaar geduurd, en toen was het over. Waarom toch?’ Hij denkt hardop, komt er niet uit. 'In mijn situatie was niet veel veranderd, en toch dacht ik opeens weer: leven is het leukste dat er is.’
Dat gevoel heeft hem niet meer verlaten, dat het leven 'vurrukkulluk’ is. Wanneer je hem vraagt wat er nog te wensen valt, zou hij het werkelijk niet weten. Een Ontdekking van de hemel door Remco Campert? 'Dat heb ik wel gewenst ja, zo'n dik boek dat je roem voorgoed vestigt. Nee. Daar zit mijn kracht niet. Mijn kracht zit in goede verhalen, mooie gedichten, korte stukjes. De Dikke Roman - het zit er niet in. Dat vond ik jammer, een tijdlang, want ik dacht: ik ook, ik ook!’
Je zei eens: als ik doodga wil ik niets meer hebben om over te tobben.
Smartlapsgewijze licht hij toe: 'Dat ik niet in schuldgevoelens sterf, van dit heb ik niet gedaan en dat heb ik fout gedaan, met kinderen en werk en geliefdesà’ Zonnig: 'Nou, dat gaat op het moment allemaal heel goed dus ik moet er eigenlijk nú uitstappen. Je brengt me nog op een idee! Ik kan net zo goed onder lijn 2 komen. “Op de toppen van het gulluk stapt Campert eruit” - dat is wel een goede kop in de krant.’ Hij kijkt vergenoegd en schenkt nog eens bij en pruttelt wat door over dat woord geluk. Raar woord, geluk. Zou hij in poëzie nooit gebruiken. Een non-woord, eigenlijk. ’“Eens met het bestaan”, maak dat er maar van.’