Verslaafd aan het behagen

‘Eentje is te veel en duizend niet genoeg’

Niet kunnen laten wat telkens weer behaagt, dat heet verslaving. Maar het genot is steeds van korte duur en langzaam raakt de verslaafde in de versukkeling. Het onbehaaglijke leven van Jan Willem (drank), Anneke (seks) en Wiebe (drugs).

JAN WILLEM WOONT in een imposante villa. Zijn vrouw ontvangt me met appeltaart. Uit het keukenraam kijk je uit op het net aangelegde zwembad. We zitten in zijn werkkamer en gedurende ons gesprek komen de kinderen thuis van school en komen even hun vader begroeten. ‘Mijn verhaal begint in mijn jeugd met het vertrek van ons gezin uit een klein plattelandsdorp naar een mondaine stad in de Randstad. Mijn vader was kapper. Wij waren de enigen uit ons dorp die zo’n grote stap zetten. Mijn ouders scheidden toen ik twaalf was, tot opluchting van mijn zusjes en mij. Als mijn vader thuiskwam, dronk hij een paar borrels en wij wachtten af hoe die zouden vallen. Hij overleed toen ik zeventien was in een auto-ongeluk, hij had te veel gedronken. Hij was 49, ik nu 47, ik nader steeds meer zijn leeftijd. Pas drie jaar geleden besefte ik dat hij ook een alcoholist was. En dat dat van vader op zoon wordt doorgegeven.
Rottigheid heeft soms twee kanten. Mijn geschiedenis heeft me een sterke drive gegeven, een overlevingsmechanisme dat me maatschappelijk veel succes heeft opgeleverd. Maar ik heb ook een haat-liefdeverhouding met alcohol. Ik ben er nu van af, maar ik herinner me goed de momenten van groot geluk. Zonder die verslaving zou ik nu niet zo in het leven staan als ik doe. Ik heb geleerd dat je door het verslaafd zijn je echte gevoelens probeert te dempen. Zonder die verslaving en mijn ontwenning was ik misschien mijn leven lang een beetje blijven doorsudderen.
Ik zie het zo: als kind steek je letterlijk je armen uit om opgepakt te worden. Als dat niet beantwoord wordt, ga je op een andere manier aandacht zoeken. Ik deed dat door destructief gedrag. Dingen kapotmaken, mijn zusjes pesten, op school niks meer doen. Op mijn dertiende was ik voor het eerst dronken, op mijn vijftiende rookte ik mijn eerste joint. Al op jonge leeftijd hield ik mijn gevoelsleven buiten schot. Om dat weer te surviven pakte ik de drank erbij. Ik was de jongen die altijd omviel, die geen maat kon houden. Die in de tuin lag te kotsen.
Ik heb nooit mijn school afgemaakt, ik hobbelde van de ene opleiding naar de andere. Uiteindelijk kwam ik bij het bedrijf te werken dat nu mijn bedrijf is. Ik werkte keihard, door de week had ik wel de discipline om me tot een fles wijn te beperken, maar in het weekend gingen alle remmen los. Het leven was voor mij een snoepwinkel. En dat werd erger naarmate ik in de hiërarchie steeg en dus ook meer verdiende. Ik zat veel in het buitenland. Nam ik me voor de avond rustig aan te doen, kwam ik toch pas om acht uur ’s ochtends op mijn hotelkamer terug zonder enig idee waar ik geweest was. De dag erna deed ik hetzelfde, zat ik al met een dubbele wodka met ijs bij het ontbijt. Alles bij elkaar heeft dit wel twintig jaar geduurd. Ik presteerde het om de dag nadat ik me ’s nachts volstrekt lam had gezopen en maar drie uur had geslapen toch weer op het scherp van de snede te onderhandelen. Ik heb de ziekte van meer. Alles moet altijd meer. “Eentje is te veel en duizend niet genoeg.” Dat is mijn ding, ik kan niet opgeven.
Annelies, mijn vrouw, ontmoette ik tijdens de begrafenis van mijn vader, heel warm en lief pakte ze mijn beide handen. Ik ben dus al dertig jaar met haar. We hebben twee kinderen. Zij is een oermoeder en zat al die jaren als een vogel op haar eieren. Ze tolereerde me. Januari 2007 kwam ik weer eens om acht uur ’s ochtends laveloos thuis met m’n onderbroek op mijn rug bij wijze van spreken. Toen zei Annelies: “Ik ga nu de kinderen naar school brengen en als ik thuiskom ben jij weg.” Stond ze met een Samsonite-koffer voor me: “Je mag er zelf wat in gooien, maar jij gaat weg.”
Ik huurde een hotelkamer in de buurt en heb daar de hele dag gefuifd. Eind van die dag was mijn kamer een grote teringzooi. Ik heb alles opgeruimd, pakje sigaretten fijngeknepen en in de prullenbak gegooid, laatste restje wodka weggespoeld. Ik ben gaan slapen en heb Annelies gebeld: ik wil weer naar huis.
Vanaf dat moment heb ik niet meer gedronken, nu bijna drie jaar geleden. Ik heb mijn vrouwelijke mededirecteur in vertrouwen genomen, ik wist niet meer wie ik was. Die zei: we gaan hulp halen. Zo ben ik bij Dick gekomen. Hij pakte na de intake mijn hand en zei: Jan Willem, ik ga jou helpen. Dat was zo’n houvast, ik dacht die hand moet ik pakken. Maandenlang heb ik het afkicken boven al het andere gesteld. Ik ben lid van intervisiegroepjes geworden, workshops gaan volgen. Doordat ik zo diep door het stof moest, sta ik nu heel anders in het leven. Pas deed ik een workshop: Hoe raak ik je aan. Ging over de cirkel ontmoeten, hechten, intimiteit, afscheid en rouw. Zo kom ik nu ook bij mijn vader uit en mijn verhouding tot mannen in het algemeen.
Mijn grootste wens is om deze dingen met Annelies te delen. Ik weet nu dat ik bij haar moet blijven. Maar zij kan zich moeilijk vinden in mijn nieuwe route. Annelies is meer van: hou toch eens op met dat zweverige gedoe. Vorige week hadden we nog een moeilijk gesprek en viel ik terug in oud gedrag. Ik ga schreeuwen uit onmacht. We verdwijnen dan in een spaghetti van woorden. In mijn groepje kan ik me heel kwetsbaar opstellen, huilen ook, maar bij haar lukt dat niet.
Ik denk niet dat ik ooit nog sociaal kan drinken. Most of the time kan ik heel goed zonder. Maar bijvoorbeeld gisteren nog, ik reed terug van een intervisiegroep en ik was moe. Opeens bekroop me het verlangen naar het genot van onderuitzitten op de bank en drie glazen wijn en een sigaret. Ik schrok ervan. Zou ik zomaar kunnen doen als ik thuis ben.’

ANNEKE IS MOOI, slank, met sprankelende ogen en donkere korte krullen. De zitkamer in haar eengezinswoning wordt gedomineerd door een enorme bank waarop rechtop zitten niet voor de hand ligt. Tijdens mijn bezoek komt haar zoon thuis van school, ze begroet hem met een stevige kus.
‘Ik zag het nooit als een verslaving. Ik dacht: ik vind het gewoon lekker, ik heb fijn veel mannelijke hormonen in mijn lijf. Als onzekere puber ontdekte ik al dat het heel makkelijk was om seks te hebben. Thuis werd er erg weinig moeite voor mij gedaan. Mijn moeder had bijna mijn hele leven kanker, “K” zoals dat toen heette, ze stierf toen ik negen was. Ik werd door gezinshulpen opgevoed. Mijn vader was alcoholist. Als ik met hem over haar wilde praten, ging hij huilen.
Op m’n 22ste werd ik onverwacht zwanger van een man van wie ik wist dat hij het niet was. Toen ben ik 06-lijnen gaan bellen. Dwangmatig. Bellen, verhaaltje luisteren, klaarkomen. Op een gegeven moment deed ik dat wel zes of zeven keer op een dag. Mijn man vond rond de bevalling een torenhoge telefoonrekening. Hij was woedend en toch kon ik er niet mee stoppen. Ik belde alles. Eerst het normale: man zoekt vrouw, toen vrouw met vrouw, oudere vrouw met jonge meid, vrouw met stel. Ik wist wel dat het ingesproken werd door een saai huismoedertje thuis, maar je moet. Mijn man zag het als vreemdgaan. Heel neerbuigend stampte hij mij de grond in. Maar de drang bleef. Op m’n 29ste zijn we gescheiden. Twee weken later had ik al seks met een andere man.
Ik ontdekte de 0900-nummers: “Hi, ik ben Simone ik ben een leuke vrouw van 1.80. Ik val op mannen met blauwe ogen en blond haar.” Mannen kunnen als reactie een boodschap inspreken. Door de telefoon vertel je wat je wilt, dat durf je zo gemakkelijk omdat er niemand tegenover zit. En vervolgens spreek je af, een blind date. Toen ontstond mijn geheime wereldje, negen jaar terug. Via de 0900-lijnen kwam ik ook voor in contact met vrouwen. Ik herinner me het eerste stel nog goed, zij was heel mooi. Dan heb je ineens in plaats van één iemand twee mensen die jou geweldig vinden. Continu zocht ik die spanning op.
Verliefd word ik heel vaak, voor een uurtje. Maar als de seks over was, was het gevoel ook weg. Meestal is de seks ook eenmalig, want als je weet dat je iemand maar één keer ziet, dan kan alles. Daarna ben je alweer met het volgende avontuur bezig. Je gebruikt elkaar met wederzijds respect. Het zijn mannen met bindingsangst die ook een enorme seksdrive hebben. Ik zeg het ook gelijk bij de afspraak: “Ik wil alleen maar seks.” Daarmee bescherm ik ook mezelf. Voor het geval ik het toch heel leuk vind en hij mij niet wil.
Als ik erin zit, vergeet ik alles om me heen, huishouden, schulden, boodschappen. Seks verdooft me. Dan voel ik me even lekker. Ik kan het een dag uitstellen en daarna word ik onrustig, trillerig, zweterig. Ik heb wel een paar jaar een relatie gehad, maar als hij geen zin had, was ik tot op het bot toe gekrenkt. Toen die relatie uit ging, was ik zo stuk dat ik dacht: ik ga niet meer van iemand houden en vervolgens pijn lijden. Ik ben volop in het wereldje van de partydrugs en de swingers gedoken. Het enige wat ik nog wilde, was me lekker voelen. Er bestaat een site, een soort Marktplaats voor alle geile mensen van Nederland. Daar kwam ik uit bij het gangbangen. Ik werd gevraagd op feestjes met dertig mannen en vijf vrouwen. Elk weekend zitten de Golden Tulip Hotels en de Van der Valks vol met zulke party’s. Iemand huurt een kamer met een jacuzzi, nodigt mensen uit en dan ga je seksen. Heel spannend. Eerst komen de vrouwen binnen en vervolgens de mannen. Dan begint een van de vrouwen en rolt iedereen er vanzelf in. Ik ben zo’n avond met een man of zes geweest. Als je iemand niet leuk vindt, weer je met je hand kort af en dan stopt het.
Een vrouw die single is, is heel gewild, daar ga je ook een beetje van naast je schoenen lopen. Ik heb mezelf zoveel voorgelogen. Was ik in maart na vier jaar met swingen gestopt, ging ik na een week toch weer met andere sites aan de gang. Stopte ik met partydrugs, begon ik met blowen. Allemaal junkpraat, want je móet. Het laatste jaar is mijn geheime leventje door mijn normale leven heen gaan lopen. Daardoor groeide het schuldgevoel, ook tegenover mijn zoon. Wat mijn vader met mij deed, doe ik nu met hem. Ik lig weliswaar niet bezopen op de bank, maar ik ben wel moe, moe van het vechten tegen mijn verslaving.
Begin dit jaar kocht ik een Xbox voor hem. Toen begon het grote schuldenprobleem en ging ik paydaten. Het begon ermee dat we op feestjes zeiden: we gaan er vers bloed bijhalen. Via een site kwam er dan een man bij, die moest betalen om te kijken of mee te doen. Dat vonden wij een kick. Toen dacht ik: dat ga ik ook doen. Ik kreeg honderd euro per uur en maakte het zo spannend als ik zelf wilde. Ik dacht dat ik het onder controle had, maar het ging met mij aan de loop. Ik dacht: ik ben gewoon een hoer. Ik weet dat ik naar de knoppen ga als ik hiermee doorga. Ik koop drugs met het geld dat ik zo extra verdien, want vanwege de schuldsanering kan ik het niet uitgeven aan een wasmachine.
Nu ben ik in behandeling en eindelijk begin ik te begrijpen wat er echt met mij aan de hand is. Maar ik mis mijn vroegere wereldje, daar waren geen zorgen en schulden. Ik ben stuk van binnen en wil vaak niemand zien. Seks is mijn medicijn, het troost me. Ik ben nu acht dagen zonder, maar gisteren nam ik de bus naar huis en ik dacht alleen nog maar: ik wil seks, nu.’

WIEBE IS NEGENTIEN JAAR, maar ziet eruit als een jongen. Breedgeschouderd, beetje verlegen lach, zijn blonde haar rechtop in een kuif, donkerblauwe sweater met capuchon. Zijn rijtjeshuis keurig aan kant, dit weekend is zijn moeder komen schoonmaken. Elke vierkante meter van zijn achtertuin is bezet door een trailer met een gigantische zeilboot met de naam Freedom, die hij aan het opknappen is.
‘Ik ben ervan overtuigd dat ik van kinds af aan al trekken van verslaving had. Zoals die koekjes die jij op tafel legt, die eet ik zo op. Ik heb nooit genoeg aan één. Ik heb erge ADHD, ik ben al vanaf mijn zevende aan de Ritalin. Op mijn elfde scheidden mijn ouders, mijn moeder ging samenwonen met de man die nu nog haar vriend is. Voor mij kwam het als een donderslag bij heldere hemel, ik vond dat we het heerlijk hadden, we hadden een mooi huis, paarden en een grote tuin.
Op mijn vijftiende had ik door een spijker een pijnlijke wond in mijn voet. Een vriend zei: neem een blowtje, dat helpt. Ik blowde eerst één keer in de maand, maar dat werd al snel meer. Na een tijd sliep ik niet meer zonder een blowtje. Mijn ouders stuurden me naar de koksopleiding, maar daar werd het er niet beter op, want er werd enorm gedronken. Op mijn zeventiende liep het zo uit de hand dat ik het huis uit moest en ook wilde. Kwam ik op een kamer terecht in een christelijke leefgemeenschap. Daar mocht niks en dus deden we alles. Ik blowde elke dag. Ik begon ook met ecstasy en speed.
Na de koksopleiding huurde ik een kamertje. Ik had geen werk, geen vrienden, ik trok alleen nog op met een groepje gebruikers in een park in ons stadje. Ik veranderde in een gabber. Legerbroek, kistjes, een kale kop, Nikes en Lonsdale. Nazi werd ik niet, maar wel lekker puur Holland en de grenzen dicht.
Op den duur zat ik op zes pillen en twee gram speed per dag. Ik had een spaarrekening van tweeduizend euro, onder meer door een erfenis van mijn opa, dat heb ik helemaal opgesnoven. Op een gegeven moment was ik vijf dagen wakker van de speed en voelde ik me zo depressief. Ik werd gek in mijn hoofd en nam een overdosis Concerta, een stripje van twintig pillen die ik van de dokter had gekregen in plaats van Ritalin. Ik had mijn neefje op MSN gezegd dat ik het niet meer zag zitten. Mijn oom was in een kwartier bij me, met politie en de ambulance. Ik was helemaal over mijn toeren. Uiteindelijk hebben ze me in de boeien in de ambulance gestopt.
Toen ben ik naar een psychiatrisch centrum gebracht. Ik zat daar als jongere op de volwassenenafdeling tussen allemaal idioten. Het centrum was vol, dus ik lag in een separeercel die niet in gebruik was. Ik werd zo kwaad, heb mijn spullen in twee plastic zakken gepakt en de voordeur opengetrapt. Maar na honderd meter stond er al een politiebusje. Toen moest ik in de echte separeercel. Je kunt daar roepen wat je wil, er komt niemand. Maar ik was achttien en ze konden me niet tegen mijn zin vasthouden. Mijn vader haalde me op en bracht me naar de jongerenafdeling van een andere psychiatrische kliniek. Daar kreeg ik weer Ritalin, dat zou me wel helpen. Ik kreeg daar ook een vriendin, die ik nu niet meer zie. Zij was ook zwaar verslaafd, aan van alles, haar favoriete drug is cocaïne. Ik ben meer van de speed, veel goedkoper.
De Ritalin in die kliniek heb ik in de tijd dat ik daar zat nooit geslikt, maar altijd gesnoven. De verpleging wilde zien dat je hem doorslikte, maar ik hield de tablet onder mijn tong, droogde hem en verpoeierde hem later. Ritalin is in wezen het broertje van de speed, beide zijn amfetamine. Ik kreeg er drie op een dag en nam ze ’s avonds alledrie tegelijk. Hartstikke lekker. De leiding hield regelmatig plastesten, maar die kun je makkelijk ontlopen. We haalden onze vinger langs het toiletblokje in de wc’s en plasten daarover. Die test raakt door de chloor in de war. Of we verdunden de plastest met water dat je met je hand uit de wc schepte.
Ik heb toen vanwege mijn ADHD een Wajong-uitkering aangevraagd. Daarvoor moest ik bij een keuringsarts een paar onderzoekjes doen. Ik was net weer een paar dagen wakker en zat onder de speed. Na tien minuten zei die arts al: “Het is goed zo, het is overduidelijk dat jij ADHD hebt…” Ik kreeg die uitkering met terugwerkende kracht van een jaar, in één keer vijfduizend euro. Even snel als dat geld binnenkwam ging het er ook weer uit. Op een gegeven moment vroeg ik aan mijn huisarts valium omdat ik me gestresst voelde. Ik nam twee strips achter elkaar in en ging de straat op, maar bij de bushalte stortte ik in. In het ziekenhuis pompten ze mijn maag leeg. Ik heb gelijk toen ik wakker was de plakkers van mijn borst gehaald en ben naar buiten gerend. Weer thuis ben ik drugs gaan halen alsof er niks gebeurd was.
Maar langzamerhand begon ik na deze tweede zelfmoordpoging te begrijpen hoe erg het met mij gesteld was. Ik probeerde eerst alleen thuis te stoppen, maar na een uur of twee sprintte ik toch weer naar de coffeeshops. Via internet ben ik hulp gaan zoeken. Nu ben ik acht maanden clean, ik werk in de fabriek van mijn vader en ga mijn uitkering stop laten zetten.
Ik ga nooit meer gebruiken en ben daar tevreden mee. Maar ik weet ook dat de afgelopen jaren de beste tijd van mijn leven waren. Ik herinner me bijvoorbeeld zo goed dat je met elkaar in het bos bent en helemaal strak staat van de drugs, je doet niks bijzonders, alleen een beetje rondrijden met een scootertje, muziekje aan… het gaat nergens over, en toch ben je dan zo eufoor en zo gelukkig.’

Op verzoek van de geïnterviewden zijn hun namen gefingeerd. Zij zijn allen in behandeling (geweest) bij de verslavingskliniek CrisisCare Trubendorffer