Eenzaam een berg over

Hellema schrijft zijn personages vaak op weg. Per auto bijvoorbeeld. Zoals in Enige reizen dienden niet ter zake, uit 1983. Dat wordt op het omslag aangekondigd als een bundel verhalen, maar bij nader inzien blijken sommige van die verhalen eerder hoofdstukken van een op gang gezette roman die niet tot voltooiing gebracht kon worden.

Het eerste verhaal, of hoofdstuk dus, heet ‘Netwerk’. Dat is niet zo'n vreemde titel bij een zo complex in de steiger staand boek als dit - dat bovendien gaandeweg de vorm van een complot aanneemt. In 'Netwerk’ stapt een naamloze ik-persoon, een zakenman te Twente met een niet nader aangeduid oorlogsverleden in zijn auto, een Aston Martin, rijdt in noodvaart naar Denemarken, Zweden en Noorwegen om bezoekjes af te leggen bij verkopers ter plaatse, hoort iets over het SS-verleden van de Noorse verkoper, gaat eerst met een callgirl naar bed, dan met de moeder van de Noorse verkoper - seks die enkel losse beelden achterlaat.
Als de zoon vertelt over het verzetsnetwerk van zijn vader (de vader heeft ook nog een legaal zakennetwerk opgezet), blijkt de naamloze ik-persoon daar vanuit zijn oorlogsachtergrond alles vanaf te weten. Dus kan hij tot verbijstering van de zoon het verhaal naadloos aanvullen. Toeval of de eerste indicatie dat in de wereld van de ik-persoon alles hopeloos samenhangt? En uiteraard heeft dit verzetsnetwerk een voortzetting in andere verhalen, danwel hoofdstukken.
DIE ONVERHOEDSE samenhangen, die plotmanie van de schrijver, dat is nog wel het minste. Waar het om gaat, is dát personage. Een hard, cynisch, handelend personage met een verleden uit de oorlog dat maakt dat sindsdien niets meer 'normaal’ kan zijn. Een verleden dat maakt dat de 'ik’ zichzelf niet kent en anderen niet kan ontmoeten. Veroordeeld tot vastzitten, tot eenzaamheid. Dat is het typische Hellema-personage.
In Een andere tamboer (1985) is de 'ik’ een 'jij’ met een naam: Martin Lasser. Oorlogsverleden. Anonieme seks door zakenman op zakenreis in het buitenland, dit keer Italië. De auto is een Porsche. Een auto als een duistere vriend, de enige: 'De zwarte Porsche, stoffig en laag zittend midden op het pad, keek hem met zijn twee ogen recht aan.’ De gesprekken met vreemden zijn of zakelijk van aard of ze zijn ijl, abstract - opzettelijk boekentaal. Geen contact. Martin Lasser is een vreemdeling, een buitenstaander. Hij benoemt zichzelf als iemand die niet gekend kan worden.
Het hoogtepunt van het boek vindt plaats in de Porsche. In het hoofdstuk 'De vuurproef’ heeft Lasser een verkeerde afslag genomen. Hij raakt op een smalle weg die hoger en hoger kruipt, een berg op, pal langs een afgrond. Het mist, een deel van de weg is kapot. Zo stokkerig als het boek bij stukjes en beetjes tot stand komt, zo vloeiend gaat het ritme van de zinnen hier: in één ademloze beweging van zes bladzijden zonder alinea’s. Ik voelde de afgrond toen ik het las.
Eenzaam een berg over en geen stap verder gekomen te zijn. Want daarna komt Lasser in een dorp waar hij niet vertrouwd wordt. Omdat hij een jood is, om te beginnen. Maar ook omdat hij over de bergweg is gekomen; de weg die niemand neemt, die niet genomen kan worden. Hij is een kafkaïaans verdachte en weet nog maar net weg te komen, al komt hij niet weg van zichzelf. Omdat hij zichzelf niet kent.
HET KOST Hellema moeite om bij zijn personages te komen, omdat deze personages zich niet benaderen laten. Soms ijlt de schrijver razendsnel door het verhaal omdat hij er geen greep op krijgt. Dan stuit hij haast toevallig op een moment waar terloops, in een beeld, iets zichtbaar, iets voelbaar gemaakt lijkt te kunnen worden.
Neem Edward Weinspeiser. Is hij Hellema? In de bundel Bestekken (1989) - een losvaste verzameling herinneringen, waarbij het voor een niet-ingewijde in het persoonlijke leven van Hellema onmogelijk is om uit te maken waar de geschiedenis eindigt en de fictie begint - heet Edward Weinspeiser in de 'Verantwoording’ een 'gefingeerd alter ego’. Maar in de roman De maan van de vorige avond (1992) wordt Edward Weinspeiser op de achterflap simpelweg aangegeven als 'een alter ego’.
Aan het begin van De maan van de vorige avond wordt het personage haast onwillig toegesproken; de schrijver aarzelt erover met dit personage verder te moeten en betrekt de lezer uitvoerig bij deze aarzeling. Wat blijkt dan: Edward Weinspeiser fungeert kennelijk als een excuus voor de schrijver. Als dat woord niet zo slecht zou passen bij de zo weerbarstig, sober schrijvende, altijd eerder filosofisch dan psychologisch denkende, altijd eerder in uiterlijkheden dan in innerlijkheden geoefende Hellema, dan zou je haast zeggen: het personage is de therapie voor de schrijver. Als therapie tenminste een soort vergeten zou kunnen worden.
Zo eindigt Hellema zijn inleiding op zijn personage met: 'Het gaat niet om de rommelzolder van mijn herinneringen, het gaat om de onverwisselbare merktekens in mijn geheugen, om de schaamte die ik niet kan ontlopen. Om alles wat ik mij als Edward Weinspeiser niet langer hoef te herinneren.’
Vervolgens onderneemt hij bladzijden lang een aarzelend rondzwabberende poging om via de geschiedenis, vanuit een akelig hoog vogelperspectief, in het leven van Weinspeiser te glippen. Te beginnen bij de vader, Siegfried, in de Eerste Wereldoorlog. Eerst maar die vader, lijkt Hellema te denken. Dan stellen we de zoon nog even uit.
De jonge Edward wordt net voor het begin van de Tweede Wereldoorlog op de trein naar Engeland gestuurd en weet daar, als jood, maar in Engeland vooral als Duitser en dus verdacht, in een kamp te overleven. Om terug te keren, als soldaat, in het platgebombardeerde Duitsland. Waar niets meer van het gezin over is.
Hij blijft in Duitsland, in dat deel dat de DDR wordt. Daar begint hij, geknecht door het communistische systeem, tegen wil en dank een theater, zijn eigen personages creërend.
NOU JA, dat is maar de vraag, want de personages nemen het volgens het Pirandello-systeem van de regisseur over. Alhoewel: personages? Sjablonen zijn het meer. Eerder een idee vertegenwoordigend dan een mens en daardoor zo glad dat je geen toegang krijgt.
Weinspeiser laat zich kneden als klei die maar niet hard wil worden. En zo ziet Weinspeiser, of de schrijver Hellema, het bestaan ook: altijd elders, meestal vroeger, maar het komt niet tot stilstand, het vergruist. 'Er zijn woningen waarin wij slapen, plaatsen waar wij werken, steden waarin wij leven die geen enkele waarde toevoegen aan onze belevenissen. We kunnen ze later niet meer beschrijven. Alles wat ze nalieten in onze geest is een immense triestheid die ons vervult wanneer wij terugdenken aan die tijd, een vormeloze, weke melancholie die verder van geen belang is.’ Dat was dan Engeland.
KILOMETERS VER blijft ook Samuel Zomerplaag, joods zakenman in de roman Kimberley (1987). Wegens werkomstandigheden pal voor de Tweede Wereldoorlog reist hij af naar Zuid-Afrika. Aldus had hij een overlevende kunnen worden, ware het niet dat hij onder duistere omstandigheden zoek raakte, samen ging wonen met een aap die overleed en toen ook zelf stierf. De officiële doodsoorzaak: 'undisclosed misadventure.’ Hellema schrijft dan nuchter: 'Philip dacht even na. Wat betekende precies “undisclosed misadventure”? Een van die vage Engelse termen voor zelfmoord? Hij moest dat toch eens nakijken.’
Het verhaal wordt vertelt door achterblijvers als Philip, vrienden die geen vrienden bleken, een vrouw die niet van hem hield, collega’s die zo mogelijk nog minder met hem te schaften hadden. Dan zijn er enige nagelaten kanttekeningen van Samuel Zomerplaag, enige voorwerpen die per post werden teruggestuurd, kranteberichten over hoe het joden in het Europa tijdens de oorlog verging.
Het boek wordt deels terugstappend in de tijd verteld. Wat er was aan verhaal is in stukken uiteen gevallen. De vertelbronnen zijn bovendien wegens eigenbelangen onbetrouwbaar. De lezer kan niet anders doen dan voor zichzelf een levend personage creëren. Maar de sporen die Zomerplaag naliet, mogen die naam nauwelijks hebben. Verdwenen, uitgewist aan de zijkant van de geschiedenis. Zo gaat dat, leven.
IN DE ROMAN Joab (1984) heet het personage (en niet alleen daar) Hellema. Geeft nu iemand zich eindelijk bloot? Nee. Deze Hellema is directeur van een fabriek in Twente. Met een oorlogsverleden. Het bedrijf moet gesaneerd worden. Er wordt een hard spel om de macht gespeeld, terwijl het met de fabriek alleen maar bergafwaarts gaat. Ondertussen leren we een fabriek in de DDR kennen. Zo wordt het kapitalisme tegenover het communisme geplaatst en blijkt dat wat begon als een roman, uiteenvalt in een economische analyse.
Net zo liefdevol als Hellema de stoere sportwagens van zijn vluchtende personages beschrijft, wijdt hij zich in Jaob, maar nu met veel vaktechnisch detail, aan de fabrieken. Fabrieken, waaraan de mensen ondergeschikt zijn gemaakt, zodat ze onzichtbaar werden, vloeiend weggesaneerd of partijpolitiek toegedekt. Meesterlijk is zijn beschrijving van de bovenbouw van een DDR-mijn. Maar wat als een romanplot werd opgebouwd, valt welbewust halverwege als schroot uit elkaar.
HET LAATSTE BOEK van Hellema heet Klèm. Een novelle. In Klèm is voor het eerst geen sprake meer van een handelend personage. Er wordt niet meer in auto’s gereden, er is geen terloopse seks, er hoeven geen zaken meer afgehandeld te worden. Er is wel een oorlogsverleden. Althans, waarschijnlijk. We weten het niet goed meer, want er is iets goed mis met het geheugen van Ivar Klèm.
Het boek speelt zich af in een gebouw zonder verdiepingen, met kamertjes, gangen, tussenruimten die binnenhoven lijken, of pleinen. Buiten ligt er sneeuw. Klèm probeert weg te lopen, al heeft hij geen idee waarheen, maar een ziekenbroeder in een wit pak brengt hem aan de arm weer terug. Klèm weet niet hoe hij in dit gebouw verzeild is geraakt.
Anderen lijken wel te weten wie hij is. Als hij de huistelefoon opneemt, klinkt gelijk een vriendelijke vrouwenstem: 'Ja, Klèm, wat is er?’ Hij heeft een eigen kamertje, en ook de andere kamertjes zijn bewoond. Evenals zijn medebewoners is hij oud. Hij heeft geen enkel vertrouwen in hen, al helemaal niet in ene Balstrom die zich voor hem lijkt te interesseren en met wie hij aan het drinken slaat.
Volgens Balstrom was Klèm vroeger schrijver. Balstrom was naar eigen zeggen vroeger literatuurhistoricus.
NIET ALLES is verdwenen uit het verleden van Klèm. Er zijn snippers over, beelden die bij hem als op grote afstand, zonder enige gevoelsbinding verschijnen. En als hij droomt lijken de beelden zo krachtig dat het wel herinneringen lijken, ook al ziet hij dan een werkelijkheid waar hij het bestaan niet van had vermoed.
Andersom is het de vraag of het, in wakkere toestand, om echte herinneringen gaat of om spookachtige hallucinaties: 'Het huis van zijn herinneringen was leeggeplunderd. Zijn vader en moeder zaten er grijs en bestoft in oude boerenklederdracht, stijf als figuren in een museum. Ergens lagen poppenlijfjes met nog één arm en met verdraaide hoofdjes. Een kinderstem zei “dag Ivar” en het klonk zo vertrouwd dat hij nu pas besefte hoe eenzaam hij was en hoe lang al.’
IN DE VORIGE boeken van Hellema zitten de personages klem in een oorlogsverleden dat ze voorgoed heeft vervormd. Maar in dit laatste boek lijkt dat oorlogsverleden uit Klèm weggetrokken om hem achter te laten in een moerassige paranoïde werkelijkheid waar hij zich volstrekt machteloos weet. Niets is nog over van het handelend personage van toen. Hoe zinloos die handelingen van toen ook leken, ze brachten het personage dan toch op z'n minst per auto naar het buitenland voor zaken. Nu kan Klèm zich alleen maar bij de toestand neerleggen en hopen dat de onverwachtse, onbegrijpelijke woedeaanvallen weer net zo verdwijnen als ze zijn gekomen.
Je doet het boek Klèm te kort door te stellen dat het over dementie gaat, net zo goed als je het compacte oeuvre van Hellema te kort doet door het te omschrijven als boeken over de oorlog. Klèm drukt het bestaan zelf uit. Op een pijnlijk nauwkeurige wijze. Er zijn in de Nederlandse literatuur maar weinig boeken zo totaal geschreven als Klèm. Daar was een gevaarlijke tocht over een berg voor nodig.