Literatuur special

Eenzaam schip

Laten we, bijna zeventig jaar na zijn dood, een poging wagen om Slauerhoff te ontdoen van zijn mythe. We klappen de fotoalbums en liefdescorrespondenties dicht en nemen het verzameld werk ter hand.

Waarom willen we zo veel weten over het leven van schrijvers? Waar komt die biografische belangstelling voor Slauerhoff toch vandaan? Dat heeft te maken met de mythe van Slauerhoff, die al tijdens zijn leven ontstond. Een dichter die er meer níet is dan wel, wordt het onderwerp van speculatie en fantasie. En Slauerhoff was meestal de grote afwezige in het gezelschap jonge, vooraanstaande schrijvers in Nederland. Als scheepsarts voer hij over de wereldzeeën, gevangen op de microkosmos van een schip. Terug in Nederland zocht hij opnieuw de afzondering en schuwde het gezelschap van de literaten. Hij trok zich terug in het duinhuisje van A. Roland Holst of vervulde een doktersassistentschap in de provincie. Ver van de literaire dorpspomp werkte hij gestaag verder aan zijn oeuvre, likte de wonden van verloren liefdes of herstelde van een ernstige ziekte. Literaire vriendschappen kende hij niet, een enkeling als Roland Holst of Hendrik de Vries, al even afzijdig levend, uitgezonderd. Jan Greshoff noemde hem een zwervende catastrofe, die overal schade achterliet. Zo iemand wordt gemakkelijk een prooi om over te kletsen.

Ongetwijfeld gaf Slauerhoff zelf voedsel aan de roddels door de manier waarop hij zich in zijn werk presenteerde. Bloeddorstige tirannen, naar verre einders hunkerende ontdekkingsreizigers, plunderende piraten en van verlangen kwijnende minnaars spoken immers door zijn gedichten. Maar veel te gemakkelijk en met een zekere wellust identificeerde men deze personages met de afwezige schrijver. Alsof ze niet verwezen naar vigerende tradities in de Europese literatuur. En men vergat voor het gemak dat Slauerhoff ook de dichter was van melancholieke herfstwandelaars, oude, onthechte Chinese dichters en romantische aanbidders. Slauerhoff was zoals de meeste schrijvers ook een lezer, een literatuurbeschouwer. Niet iedereen die zijn werk gelezen heeft weet dat er behalve romans, verhalen en poëzie ook heel veel essayistisch werk van zijn hand verscheen. Hij publiceerde een veertigtal artikelen voor diverse literaire (ook buitenlandse) tijdschriften en was tussen 1930 en 1935 vaste boekenrecensent van de Nieuwe Arnhemsche Courant. Het eigenaardige is dat Slauerhoffs essays en kritieken in hun reflectie op literatuur laten zien hoezeer zijn werk verwijst naar de traditie van de Europese literatuurgeschiedenis. Dat beschouwend werk speelt een cruciale rol in de ontwikkeling van zijn oeuvre. Sommige van zijn essays zijn bijna onverhulde zelfportretten.

Laten we, bijna zeventig jaar na zijn dood, eens een poging wagen om Slauerhoff te ontdoen van zijn mythe. We klappen de fotoalbums en liefdescorrespondenties dicht en nemen het verzameld werk ter hand. Pak bijvoorbeeld eens Het boegbeeld: de ziel, het gedicht waarmee hij in 1923 zijn debuutbundel Archipel laat beginnen. Daarin gaat het om een dolend schip. En door dat schip als een persoon voor te stellen sluit hij aan bij de traditie en de beeldspraak van de poète maudit. Meteen al met zijn entree in de Nederlandse literatuur wil Slauerhoff zich blijkbaar scharen in het gilde van de gedoemde dichters, die het als hun onontkoombaar lot zien voortgedreven te worden door de nukken van de maatschappij, waarvan zij door eigen schuld of huns ondanks het slachtoffer zijn geworden. Baudelaire besloot zijn Bloemen van het kwaad zeventig jaar eerder met een onverschrokken loflied op de uitvaart van een schip naar het nieuwe onbekende, dat evenwel eindigt in de desillusie dat het geluk steeds achter de kim ligt. Bij Mallarmé lezen we tien jaar later in Brise marine een zelfde lust om uit te varen naar exotische domeinen, hoewel het vermoeden rijst dat het schip te pletter zal slaan. Ten slotte zet Rimbaud vijf jaar daarna met zijn personificatie van het Dronken Schip de beeldspraak op scherp. Hier is de gedoemde dichter in de gedaante van een vermolmd schip zelf aan het woord en net als het willoos voortgestuwde vaartuig van Slauerhoff is het aan een uitreis begonnen die alleen nog maar kan eindigen op de schroothoop of op de bodem van de oceaan.

En hiermee was de toon gezet. Voortaan zou Slauerhoff het motief van het eenzame schip op de oneindige zee in talloze variaties beproeven. Weliswaar was het zíjn vertaling van het beeld van de dichter zoals hij het zag, maar hij sloot daarmee welbewust aan bij een bestaande traditie, waarvan hij al terdege had kennisgenomen.

Als dertienjarige zat Jan Slauerhoff in de huiskamer gebogen over het tijdschrift De aarde en haar volken. Het is voor onze moderne ogen even omschakelen, maar een vroegrijpe en leergierige jongen van die tijd kon in vuur en vlam raken bij het zien van een zwart-witgravure van de reusachtige beelden op Paaseiland, terwijl de enige verdere referentie aan een buitenland in die Leeuwardense huiskamer van de familie Slauerhoff aan het begin van de twintigste eeuw de Chinese theebus op de schoorsteenmantel was.

Als hij zestien is heeft zijn antenne voor de demonen en dode zielen uit de Russische literatuur waarschijnlijk zijn hartstocht voor de Russische vrijheidszaak ontstoken. In een lange spreekbeurt op school bespreekt hij niet alleen romans van Poesjkin, Lermontov, Gogol en Toergenjev maar belijdt hij tevens zijn solidariteit met het Russische volk, dat door tsaar en westerse wereld belaagd wordt. Een jaar later levert zijn enthousiasme voor de Russische Revolutie zelfs een kleine golf aan communistische verzen op. Ze vormen zijn officiële debuut in de Nederlandse literatuur, met dank aan Henriëtte Roland Holst, die ze in haar «revolutionair-socialistische» tijdschrift De nieuwe tijd plaatst.

De ziekelijke Slauerhoff is de enige van de vijf kinderen die mag gaan studeren. In 1916 begint hij aan de medicijnenstudie in Amsterdam. Maar zijn dorst naar literatuur kan hij daarnaast gemakkelijk lessen. Tot ’s avonds laat leest hij bijvoorbeeld in het Leesmuseum in de jaargangen van de Nieuwe en de oude Gids. Hij ontdekt vooral de Franse literatuur: Nerval, Verlaine, Jarry, Apollinaire, Laforgue, Mac Orlan, Baudelaire, Villiers de l’Isle-Adam, Corbière, Rimbaud en Mallarmé. Van de laatste heeft hij een boek op de kop getikt, antiquarisch waarschijnlijk, dat hij bespreekt voor Propria Cures. Het zijn de verzamelde essays van «de poolreiziger naar het poëtisch-absolute» (Nijhoff) en Slauerhoff is vol bewondering voor de zwarte diamanten die in het duistere werk van Mallarmé glinsteren maar helaas ondoordringbaar voor het nog jonge vernuft van Slauerhoff blijven.

Bij Het getij vindt hij voor het eerst gehoor wat zijn eigen poëzie betreft. Het blad van de vrije, niet verzuilde jonge letterkundigen kant zich tegen de schoonheidscultuur van de Tachtigers en richt zich op de nieuwe stromingen in de buitenlandse, met name Franse literatuur. Te lang heeft Nederland door de Eerste Wereldoorlog in een isolement gezeten. Men wil onder het slagwoord «internationalisme» de literatuur uit het buitenland in versneld tempo tot zich nemen. Slauerhoff laat zich niet onbetuigd en komt met een stuk over Jules Laforgue voor de dag. Dat is een dichter die hem aanspreekt door zijn kosmische kijk op de dingen, het virtuoze taalspel, maar ook de tientallen klaagliederen op het spleen en de ennui van lege zondagmiddagen.

In die tijd raakt het leven van Slauerhoff in een stroomversnelling. Er vinden een paar belangrijke gebeurtenissen snel achter elkaar plaats. Een maand voor het voorgenomen huwelijk met Truus de Ruyter wordt plotseling de verloving verbroken. Zij heeft een aanstelling als lerares Nederlands op de hbs in Enkhuizen gekregen en Slauerhoff voelt inmiddels niks voor een huisartsenbestaan in de provincie of als specialist in een kliniek. Hij begint zijn vlucht voor te bereiden.

Eind 1923 verschijnt zijn eerste bundel Archipel, die Arthur Lehning heeft laten drukken op een Berlijnse pers, omdat er geen Nederlandse uitgever is die er zonder het fiat van een oudere criticus aan wil beginnen. Een lot dat hij trouwens met Marsman deelt. En in december rondt hij zijn artsenstudie af. «Nu gaat de ellende beginnen», vertrouwt hij een vriend toe. Een maand later vaart hij al als scheepsarts naar Nederlands-Indië. Maar de vlucht verandert binnen de kortste keren in een smadelijke terugkeer. Hij krijgt een longbloeding die wijst op de eerste tekenen van tbc. De kersverse dokter is al meteen patiënt. Zijn carrière maakt een valse start. Vanaf nu is hij afhankelijk van een enkeling binnen de medische stand die een oogje dicht kan knijpen als het op een keuring voor een nieuwe betrekking aankomt.

Terug in Nederland vindt hij gelegenheid voor het nieuwe tijdschrift De vrije bladen een artikel te schrijven over Arthur Rimbaud. Voor de oprichting van dit tijdschrift heeft Slauerhoff een jaar tevoren nog het vuur uit z’n sloffen gelopen. Na het echec van Het getij is het belangrijk dat er voldoende publicatiemogelijkheden zijn voor de groeiende productie van de ambitieuze dichter. Een duidelijke standpuntbepaling in de querelle rond Rimbaud is daarom niet weg. De discussie die tot op vandaag rond de begaafde puberdichter gonst is de vraag waarom Rimbaud op z’n twintigste al de literatuur vaarwel zei. Voor Slauerhoff is dat geen probleem. Rimbaud had in ongelooflijk snelle tijd een enorme ontwikkeling doorgemaakt, van de klassieke verzen die hij als scholier schreef tot het voortstormende apocalyptische proza en de simpele, sensitieve, puur persoonlijke verzen van Illuminations. «Dit is het Ultima Thule van de poëzie. Als hij door wil gaan moet hij weer terug. Zichzelf gaan herhalen. Letterkundige worden. Dat doet deze Lucifer natuurlijk niet.» Voor Slauerhoff vertegenwoordigt Rimbaud het ideale rolmodel van de dichter: verzet tegen alles en iedereen. Tegen elke autoriteit: die van de overheid, de kerk en de literatuur, tegen vrouwen, tegen zichzelf ten slotte. Voortdurend scherpt Rimbaud zijn ambities aan. In de beroemde zienersbrief eist Rimbaud van de ware dichter een «dérèglement» van alle zintuigen. In het verzet tegen het alledaagse betekent zo’n bovenmenselijke opdracht het afscheid van een geregeld bestaan in de samenleving. Zo wordt de dichter de grote zieke, de grote crimineel, de grote gedoemde. Maar voor zichzelf bereikt hij het onbekende. De prijs die hij voor die onderneming betaalt is misschien hoog, maar hij zal er tenminste in slagen de visioenen te aanschouwen.

Naast de Wahlverwandschaft met Rimbaud heeft Slauerhoff nog een andere «broederziel» ontdekt. Tristan Corbière is een dichter die hem misschien nog nader aan het hart ligt. Hij is de mismaakte, bespotte dichter, de ridder van de droevige figuur, die tegen beter weten in schimmen bevecht, waarvan hij weet dat ze onoverwinnelijk zijn. Ook hij is volgens Slauerhoff een volmaakte dichter die toch zijn verzen meesterlijk uit de rails kon laten lopen, omdat hij een hekel had aan de voorgeschreven harmonie en welluidendheid. «Slag op slag schokt in Corbières poëzie ’t verhevene, tegelijk met het ellendige, ’t verworpene op. Duidelijker dan in duizend oraties voelt men hier, hoe de paria tevens uitverkorene is, van ellende edel. Wie zou dit beter weten, en weten weer te geven dan de dichters, en wie van deze beter dan de ‹Poète Maudit›?»

Slauerhoff voelt zich een nazaat van het gebannendichtersgilde. In de kosmische en spiritistisch gekleurde interpretatie van het bestaan die hij heeft, voelt hij zich verbonden met dode en levende dichters met wie hij het buitenstaanderschap deelt. In Nederland zijn dat bijvoorbeeld Leopold, Roland Holst en Hendrik de Vries. In het buitenland Novalis, Hölderlin, Rilke, Gogol en de Franse poètes maudits. In principe vindt hij dat alle dichters eenzaam zijn, op onoverbrugbare afstand van elkaar verwijderd, maar soms zijn er momenten van wederzijdse herkenning:

Geeft niet de zeldzame ontmoeting van even rustloozen een

Flits van hemelschen vrede in den onwrikbaren winter,

Eén windloos, zachtzonnig, azuren nazomeruur?

Slauerhoff doet nog een poging als scheepsarts aan te monsteren. Het lukt ten slotte na zorgvuldig lobbyen bij de Java-China-Japanlijn. Dat is overigens geen gerieflijke passagierslijn, maar een maatschappij die vracht en duizenden Chinese koelies heen en weer vaart tussen de tropen van de Indische archipel en de winterse vrieskou van de Japanse Zee. Twee jaar stelt hij zijn broos gestel bloot aan het ongezonde klimaat. Soelaas voor de lichamelijke pijnen vindt hij in de opiumroes, bezorgd door een vriend of gevonden in een Chinese opiumkit. Zijn spleen kan hij kwijt in gedichten die soms de worsteling van hun ontstaan nog tonen door een vergeten lettergreep of een haperend rijm. De bundels die hij in Nederland laat verschijnen worden grotendeels door anderen geredigeerd. Claire-obscur, waarvan de gedichten al van drie jaar eerder dateren, grijpt nog terug op het verleden en de fin de siècle-sfeer van Verlaine, terwijl Oost-Azië impressies van zijn reizen in de Oost bevat.

Een liefde in Java brengt hem weer in de zoveelste stroomversnelling. De vrouw die hij liefheeft vertrekt naar Europa. Slauerhoff zegt zijn contract op en reist haar achterna. Maar eenmaal terug in Nederland benauwt hem de gedachte aan een geregeld leven met haar en zint hij al weer op een uitvlucht.

Het wordt opnieuw een scheepscontract. Voor de Koninklijke Hollandsche Lloyd gaat hij op passagiersschepen naar Zuid-Amerika varen. Het opent voor hem de Spaanstalige en Portugese literatuur. Hij hoort in Lissabon de fado’s en in Argentinië trekt hem het zwervende lot van de gaucho’s. Verschillende vrouwen kruisen het pad van de scheepsdokter voor kortere of langere tijd. In de bundel Eldorado (1928) klinken al voor het eerst de nieuwe Spaanse ervaringen door. Maar het is ook de bundel met zijn adaptatie van Rimbauds Bateau ivre. Een vertaling heeft hij na een paar strofen terzijde geschoven en met Het eeuwige schip geeft hij zijn eigen invulling aan het thema van de gedoemde dichter, gepersonifieerd in het schip dat geen haven vindt.

In het echte leven blijft Nederland Slauerhoffs thuishaven. Of hij het wil of niet, hij belandt er telkens weer. Na het Zuid-Amerikaanse avontuur volgt een waarneming van een huisartspraktijk in het Friese Beetsterzwaag. Dat de in Nederland thuisgebleven letterkundigen wel eens verbaasd opkeken als Slauerhoff plotseling weer eens kwam binnenwaaien, verwoordde J.C. Bloem in het volgende kwatrijn:

Die ’k aan een gier geklemd dacht zwevende over de Andes,

Of snaren toklend aan den langoureuzen Taag,

Verkrachtend te Parijs, of zwervend langs de Landes,

Is nu godbetert arts in ’t Friesche Beetsterzwaag.

Lang houdt hij het er niet uit. De omgang met een kruideniersdochter en de achterklap daarover zorgen ervoor dat hij moet vertrekken. Voorlopig kan hij terecht bij de vriend die hij net heeft leren kennen, Eddy du Perron. Op diens familiekasteel Gistoux, drie kwartier met de auto van station Brussel-Midi, is het een komen en gaan van schrijvers. Slauerhoff is er de hele zomer van 1929 te gast. «This castle of Indolence», zoals hij het noemt, is evenwel een uitstekende plek om aan zijn Chinese verhalen te werken, die het jaar daarop onder de titel Het lente-eiland zullen verschijnen.

Dat jaar, 1930, levert trouwens een lawine aan nieuw gepubliceerd werk op. Er verschijnen drie poëziebundels, Saturnus, de Chinese gedichten van Yoeng Poe Tsjoeng en Serenade, en naast de vertellingen van Lente-eiland ziet nóg een verhalenbundel het licht, Schuim en as. Opmerkelijk is de overgang naar proza. De dichter probeert het met verhalen en het is dan ook niet verwonderlijk dat, zoals W.F. Hermans opmerkte, het proza van Slauerhoff vol staat met versregels: «De nacht was na de regen stil, het water golfde kalm.» «Met geld kan men nog leuzen overwinnen.» «Een licht straalt op aan de donkere wal…» (alle in Het leven op aarde).

Slauerhoff heeft het gevoel dat het publiceren van poëzie niet meer van deze tijd is: «Men kan dichter zijn en zich levendig voorstellen dat de tegenwoordige mensheid geen behoefte meer heeft aan poëzie. Men heeft dan geen zin en het heeft geen zin om zijn poëzie dan in grote oplagen uit te geven. Daar de poëzie zelf zich nu eenmaal niet aan die overwegingen stoort en toch ontstaat en dan een vorm wil hebben, wendt men zich van zelf tot de weinigen, voor wie de poëzie nog wel een levend woord is en haar gaarne bij zich hebben.» Slauerhoff zal nog maar twee bundels publiceren, waarvan een in een gelimiteerde uitgave van vijftien exemplaren.

1930 is het jaar waarin hij «tout à fait épris» is van de danseres Darja Collin, met wie hij hetzelfde jaar nog in het huwelijk treedt. En hoewel de bruiloft door de roze bril van C.J. Kelk als een paradijselijk feest werd beschreven is al van stonde af aan duidelijk dat Gods zegen er niet op rust. De perioden dat ze elkaar niet zien zijn langer dan wanneer ze bij elkaar zijn. In 1931 balanceert hij bovendien op de rand van de dood, de tbc is teruggekomen. Na een paar maanden is het gevaar geweken en draagt hij deze Ode aan Darja op:

Heb dank dat gij hem hebt behouden

En niet liet glippen toen de koude

Des doods zich naar hem uit wou strekken,

Hij is nu niet meer te verdoemen,

Hij heeft nog slechts uw naam te noemen

En is voor chaos’ greep gered;

Geen vat meer hebben de demonen,

Hij kan nu in uw zielsrust wonen

En bij u slapen in het bed… <…>

Zweven wij ’t eeuwig duister in

En laten daden, kindren achter

En dansen, dichten; ’t zijn wordt zachter,

Neen leeg niet, dood is ook begin.

Vanaf nu staat Slauerhoffs leven in het teken van de dood. Rilke, wiens werk hem al vanaf zijn studentenjaren vergezelt, blijft de vaste constante in zijn leven. In Rilkes werk voelt hij zich aangetrokken door de vermoeide, zwervende, oudere dichter. Steeds vaker gaat Slauerhoffs poëzie over zieke dichters die geen verzen meer schrijven en de dood afwachten. Al eerder heeft hij zijn bewondering uitgesproken voor Rilkes Orpheus-sonnetten. Daarin wordt de andere zijde van Orpheus, het vertrouwelijk zijn met de doden, uitgelicht: «Dood is een volmaakter vervolg van het leven», schrijft Slauerhoff. Dood en leven gaan in elkaar op en verdringen elkaar niet meer: «De dood wordt warmer, kleurrijker, is niet meer vaal en gevoelloos. Het leven verliest het droevige redelooze van zijn beperktheid.»

In 1935, drie jaar nadat hun zoontje dood geboren werd, gaan Slauerhoff en Darja uit elkaar. Hij begint dat jaar aan zijn laatste reis. Die gaat naar Zuid-Afrika. Maar op de terugreis wordt hij weer ziek. En opnieuw moet hij vroegtijdig als patiënt het schip verlaten. Met malaria ligt hij een maand in Genua. Dan volgt een lange tocht van het ene kuuroord naar het andere. Het slingerend spoor leidt langzaam terug naar Nederland. Thuis bij zijn moeder probeert hij te herstellen, maar beter worden doet hij niet meer. Een pension in Hilversum is de plek waar hij ten slotte na een lang ziekbed op 5 oktober 1936 de laatste adem uitblaast. Drie weken eerder is hij 38 jaar geworden, maar door de baard die hij heeft moeten laten staan en zijn uitgemergelde lichaam lijkt hij wel twee keer zo oud. Roland Holst, die de laatste dagen bijna niet van zijn sterfbed was geweken, dichtte:

Soms kon de zachtheid die hij steeds verbeet

nog schuw een uitweg naar zijn ogen vinden;

een mild licht door die scherven, waarin leed

door wrok was stukgebroken tot ellenden.

Aan de mythe van Slauerhoff zal wel geen einde komen. Daartoe nodigt zijn levensverhaal nu eenmaal uit. Belangrijk is het ondertussen de dichter op te zoeken in zijn werk en zijn verzen te lezen – niet tegen de achtergrond van een autobiografische neerslag van een tragische psyche, maar in de context van hun literaire betekenis. * Hein Aalders is neerlandicus en promoveerde in november aan de UvA op het proefschrift: Van ellende edel: De criticus Slauerhoff over het dichterschap