Eenzaamheid in Lindenheuvel

HUMAN opent zijn nieuwe documentaire seizoen met de zesdelige reeks We zien ons. De serie gaat vooral over degenen die zich inzetten voor de sociale cohesie in Nederland. Daarom belangrijke televisie.

Met de zesdelige reeks We zien ons opent HUMAN zijn nieuwe documentaire-seizoen. Deborah van Dam volgde een jaar lang bewoners van Lindenheuvel, een wijk in Geleen. Onder de grond ligt de mijn, erboven woonden vroeger voornamelijk mijnwerkers. Erfelijke Limburgers, maar ook lui uit verre oorden, tussen wie je weinig verschil zag als ze pikzwart bovengronds kwamen na een zware werkshift. Poedelnaakt wasten ze elkaar de rug en die herinnering is voor Fer, nu vanwege stoflongen aan de beademing, een gelukkige. Ultiem teken van kameraadschap en vertrouwen tussen de koempels, zoals hij die daarna, bovengronds, nooit meer ervoer. Ze zijn nog maar met weinig overlevenden, die in volledige uitrusting, inclusief mijnlamp, ter kerke gaan op de dag van St. Barbara, hun patroonheilige (haar marteling bestond uit opsluiting in een duistere toren).

‘Waar zijn ze gebleven, mijn mijntjes en mijnen’, neuriet Fer mee met een Limburgse volkszanger. Ach, je moet er niet aan denken tot dat beroep veroordeeld te zijn en dus hoon je als cynicus of marxist of nog zo wat: ‘Dus vroeger was alles beter? Voor de een ondergronds, voor de ander boreaal?’ Nou ja, vroeger was de nu hulpbehoevende Fer nog mooi, jong en sterk, net als de meiden in zijn buurt, zoals de tijd voor arm en rijk ook verlies brengt, maar er zijn volop redenen om zijn lofzang serieus te nemen, zeker als je die afzet tegen de teloorgang van cohesie. Verlies door mijnsluiting, ontkerkelijking, individualisering (die immers winst én verlies meebrengt), polarisering tussen etnische groepen, legio drugs als aanvulling op het endemische bier enz. En verlies door toenemend consumentisme, óók, en soms juist bij groepen die zich dat om allerlei redenen niet kunnen permitteren.

De ‘zuinigheid met vlijt’ van Fers generatie heeft plaatsgemaakt voor ‘YOLO’ en de schuldenlast onder lage inkomens, en zeker het aantal jongeren onder hen neemt akelig toe. Ook dat toont We zien ons. Nu wordt de lezer boos, want dwingt kapitalisme soms niet tot consumeren en sporen ministers er niet zelf toe aan? En stijgen de lasten niet veel sneller dan uitkeringen en inkomens aan de onderkant van het loongebouw? En is de overheid zelf niet een van de meest meedogenloze geldvorderaars die kleine schulden middels boetes tot grote maakt? Zeker. Dat is zelfs de zwaarst wegende kant. Maar ook bij het prachtige Schuldig van HUMAN, dat roerend solidair was met de sappelaars, wreef je je soms de ogen uit als je zag op welke manier mensen zichzelf de dampen aan kunnen doen.

Neem nou Alyza, een van de hoofdpersonages in We zien ons (en op voorhand: ze stal mijn hart). Ze is 26 en zoekende. Letterlijk ver weg als ze naar Athene gaat om daar jongerenwerk te gaan doen, want ze wordt verliefd op die stad en tegelijk geschokt door de armoe en de vluchtelingen en de uitzichtloosheid voor jonge mensen. ‘Ik denk dat ik daar een heleboel kan veranderen’, zegt ze. Hoe? Ze heeft contacten noch opleiding, behalve dat ze eerst bezoekster en later vrijwilligster werd in Lindenheuvels buurthuis (‘mijn jongetjes’, zegt ze vertederd over haar multiculti-‘straatschoffies’). Hoe haar Engels is, en hoe dat van haar Griekse doelgroep? Geen idee. Maar ter zake: we leren haar kennen op de rug gezien, want daar heeft ze een forse tattoo: draag je tragedies als een harnas, niet als ketenen. Daar moeten werelden achter schuilen die misschien in latere afleveringen nog geopenbaard zullen worden. Maar die tattoo kon ze eigenlijk niet betalen dus sloeg ze een maandje de huur over. Raakte ze haar baan kwijt, dus nog een maand geen huur. Toen een lening om niet uit huis gezet te worden. Lang verhaal kort: in drie maanden achtduizend euro schuld. Schandalig, wat u zegt, die huisbazen en woekeraars. Nu heeft ze budgetbeheer en daar hoeft ze zich niet voor te schamen, zegt ze zelf. Maar ze moet best veel werken om in haar eentje rond te komen. Want, zegt ze, meer realistisch dan verontwaardigd: we leven in een tijd waarin Gucci, Guess en Prada er echt toe doen! Voor democratisering van luxe wordt een hoge prijs betaald. Trouwens, je telefoonabonnement en blowen zijn ook niet gratis.

Hoofdthema van We zien ons is eenzaamheid. En dat slaat in zekere zin ook op Alyza, die zó veel baantjes moest nemen om uit de schulden te komen, in het casino zelfs ’s nachts, dat ze haar vriendinnen niet meer sprak. De kerkgangers vergrijzen en worden steeds kleiner in getal; de harmonie, ruggengraat van menig dorp vergrijst en verkleint (en o, wat kan hun muziek, zelfs vals gespeeld, toch raken bij begrafenis of Allerzielen, waar slinkende parochie en slinkende kapel samenkomen). Godlof komen sommige middelbare en oude mannen op zondag nog wel bij elkaar voor het Frühschoppen. Van de Roomse combi kerk-kroeg staat de laatste in Lindenheuvel nog overeind. Mede dankzij waardin Daisy, die gereduceerd tarief biedt voor de uurtjes na de Hoogmis, die niet meer bezocht wordt.

Zoals Alyza van betekenis wil zijn voor anderen, zo is Daisy dat ook. Ze kent iedereen, weet bijna alles, biedt luisterend oor, morele steun en advies. Waar de pastoor, toch oer-welzijnswerker, steeds meer schaapjes en dus zielszorgcliënten verliest; en waar weduwnaar Henk nog altijd zwaar weet heeft van het overlijden van zijn vrouw, maar van een aangeboden gesprek met maatschappelijk werk niks moest weten, daar is welzijnswerk deels geprivatiseerd, maar dan onbetaald. Schoolvoorbeeld daarvan is Gerrit, die ooit officieel maatschappelijk werker was, maar vond en vindt dat dat niet in kantoren moet plaatsvinden maar naar de mensen toe moet gaan. Dus begon hij een winkel in tweedehands spullen die tegelijk als ontmoetingsplaats en informeel loket moest dienen. Er worden veel boedels geruimd door natuurlijk verloop en het schijnt wel gewerkt te hebben, maar momenteel zit de klad erin. Doodse stilte. Maar mooi dat zijn diners voor bejaarden (2,50; de rest zamelt hij zelf in) een groot succes zijn. Gerrit vormt trouwens een visuele running gag doordat we hem met zijn mooie paard door Lindenheuvel zien lopen, steeds weer. Hij hoopt dat ook dat samenbindend werkt.

En ja, er is de voetbal. We volgen Otto, trainer van het tweede, dat kampioen werd, maar waar het bestuur niet naar omkijkt. Otto is voetbal, leeft voetbal, kijkt voetbal en dus moeten zijn mannen op trainingskamp voor het nieuwe seizoen. Geen cent te makken, dus zet hij een tent neer waarin iedereen moet slapen en waar ze vooral veel spelletjes met veel bier doen. Prima voorbereiding, lijkt me. Maar ook weer een voorbeeld van werken aan gemeenschapsvorming, deels betaald uit eigen zak. In deel twee leren we Otto persoonlijk kennen. Een gruwelverhaal dat verklaart waarom hij alleen is en sport en een team om te trainen nodig heeft. We zien ons is dus een mozaïek, waarvan sommige delen en portretjes een logischer verband hebben dan andere, en de urgentie van de verhalen en hun belang voor het geheel verschilt.

Het cement wordt gevormd door de stem van een alwetende vertelster. Even schrok ik, omdat ik dacht dat de maakster aan het woord was (via de voortreffelijke stem van Ariane Schlüter, meen ik) en die zou dan wel erg veel pretentie hebben met: ‘Ik houd al heel lang een oogje in het zeil, maar zie de wijk veranderen. Ze waren echt elkaars licht in de duisternis, ze waren samen één. Maar nu dreigt de wijk uiteen te vallen.’ Maar het is de stem van de Heilige Barbara, wat iets van het taalgebruik en de aanspraak op overzicht verklaart. Soms werkt het, als bron van informatie en commentaar; soms heeft het iets geforceerds en lijkt het de artistieke opwaardering van iets wat als Typisch Lindenheuvel ook zou passen in de Typisch-reeks van EO en BNNVARA waarin dorps- of wijkgemeenschappen worden geportretteerd middels bewonersportretjes.

‘Ben je van Lindenheuvel, dan ben je asociaal’, klagen Alyza en haar vriendinnen. Van dat asociale krijgen we weinig mee, of het moet de ellendige jeugd van Otto zijn, waar hij beschadigd, maar maatschappelijk functionerend uit is gekomen. Dat is geen kritiek. Het gaat regisseur en HUMAN om maatschappelijke problematiek, maar vooral om de manier waarop mensen die, alleen en met elkaar, proberen te lijf te gaan. Het is ‘gewone-mensen-televisie’, en ik ben daar toevallig dol op. Omdat ik niet vergeten ben waar ik vandaan kom (‘gewoon gebleven’), omdat ik mensen bewonder die dóen en niet, zoals ik, vooral met woorden werken. Omdat zij het zuurdesem van de samenleving zijn. Zoals Jes, die dansles geeft in een zaaltje. Haar Ger heeft altijd meegedanst, maar Dokter Alzheimer sloeg toe. Nu lukt het niet meer met linedance. Dus voegt ze af en toe een dans voor twee in – dan volgt hij haar nog redelijk. Het gezamenlijke plezier van die dansende mensen, de zorg en het verdriet van Jes en haar man, het roert me. Noem me sentimenteel. Al is het commentaar daar net te veel aangezet.

Eenzaamheid wordt tegenwoordig gekwantificeerd en in tabellen ondergebracht. Voor wat dat waard is. Om er beleid op te kunnen maken. Tien procent van de Nederlanders ervaart sterke gevoelens van eenzaamheid. In Lindenheuvel is iets raars aan de hand. Daar ligt dat getal veel hoger, terwijl de sociale cohesie er nog bovengemiddeld sterk is. De serie gaat vooral over degenen die die samenhang handen en voeten geven, en zo het probleem proberen tegen te gaan. Daarom belangrijke televisie.


Deborah van Dam, We zien ons, HUMAN zes delen vanaf dinsdag 27 augustus, NPO 2, 21.10 uur.