De eerste golf: Verpleeghuizen onder druk

‘Eenzaamheid is desastreus voor mensen’

Ruim elfduizend coronabesmettingen, ouderen die stopten met eten en drinken, familieleden die over hekken klommen van verpleeghuizen… En ondertussen: ‘Voor de ic’s werd geklapt – wij werden uitgefoeterd.’

Of ze nog even met spoed een mail de deur uit mag doen over de nieuwe richtlijnen voor het bezoek? De besmettingscijfers in Rotterdam Rijnmond lopen weer op en dus is verpleegkundige Julia Verkade, die ook lid is van het crisisteam van Humanitas, een welzijnsorganisatie waaronder zo’n dertien verpleeghuizen vallen, druk. Dat het aantal coronabesmettingen weer oploopt in deze regio vindt ze wel zorgelijk en spannend: ‘Rotterdam is zo’n dicht op elkaar gepakte stad en bijna alle medewerkers en familie van de cliënten wonen er – dat is een risico.’

Bezoek moet zich nu inschrijven, is verplicht een mondkapje te dragen en neemt de cliënt mee naar buiten of gaat naar diens kamer. ‘Maar gelukkig hoeven we niet dicht.’ Dat is een van de lessen die ze geleerd hebben van de lockdown. ‘Dat was zo ontzettend heftig.’ Ze hoopt het nooit meer mee te maken. De wegkwijnende ouderen niet, maar ook de woede van de familie van de bewoners niet, met wie ze normaal gesproken zo nauw samenwerkt.

‘Hu-ma-ni-tas ge-vang-en-is’, scanderen zo’n dertig familieleden op 3 juni tijdens een demonstratie in de binnentuin van woonzorgcentrum Akropolis, onderdeel van Humanitas. Ze kunnen de lockdown van hun ouders en partners niet meer verdragen en laten dat luid en duidelijk horen. ‘Vrijheid, vrijheid, vrijheid!’ Teksten op witte lakens en bruin ribbelkarton verwoorden hun pijn en ergernis gedetailleerder. ‘Mijn vrouw was cliënt, na tien weken opgehokt nu patiënt’, torst een zeventiger mee. ‘Tien weken is genoeg, ik wil mijn vrouw terug.’ ‘Wij eisen beter beleid en betere bezoekregelingen’, roept iemand door een megafoon. ‘Luister naar de familie, wij zijn het zat. Stop de dictatuur hier.’

Gijsbert van Herk, bestuursvoorzitter van Humanitas, is naar buiten gekomen en hoort de klachten aan, met zijn armen over elkaar. ‘Waarom hebben jullie geen stuk van de tuin afgezet? Mijn moeder is grijs in haar gezicht geworden, omdat ze al maanden niet buiten is geweest. Mensen weigeren voedsel, ze willen gewoon hun kinderen zien. Maar als wij als familie voorstellen aandragen, doen jullie dit.’ De vrouw zwaait nijdig haar armen opzij. ‘Zo van tafel geveegd. Waarom niet om de tafel? Gewoon communiceren met elkaar, want het ís moeilijk. Wij zijn niet gek.’

Van Herk brengt in herinnering dat het landelijk beleid is: ‘Had dit niet gemogen, de verpleeghuizen dicht?’ De vrouw: ‘Er wordt niet meer gekeken naar het welzijn van de ouderen. Dat missen we.’ Van Herk: ‘Snap je dat er ook familie is die het andersom spannend vindt, om de deur open te zetten?’ Het publiek tegenover hem joelt. Ze kunnen het zich niet voorstellen.

Dat de directie al met de Algemene Cliëntenraad van Humanitas in gesprek is over een verruiming van de bezoekregeling vóór de door het kabinet gecommuniceerde 15 juni weet het gezelschap dan nog niet.

Ook elders in Nederland liepen de gemoederen hoog op en leidde het bezoekverbod tot protesten en bedreigingen van het zorgpersoneel. Sommige tehuizen moesten zelfs bewaking inhuren. In Best kwam de politie eraan te pas vanwege een ‘grimmige situatie’. En in Amsterdam dreigde de cliëntenraad van verpleeghuis Vondelstede een kort geding aan te spannen tegen de staat.

De eerste golf

Dit stuk over de dramatische situatie in de ouderenzorg is het laatste deel van het drieluik over de eerste golf van het coronavirus. Twee weken geleden begonnen we met het ‘dagboek’ Hoe Nederland werd overvallen door het virus. Vorige week kwam aan de orde hoe het vertrouwen in het beleid afbrokkelde.

Dat probleem was volgens de familie de ‘stille ramp’ die zich in verpleeghuizen aan het voltrekken was, waarbij het middel inmiddels erger leek dan de kwaal. In de media doken schrijnende verhalen op over bewoners die nadat alle verpleeghuizen op 20 maart op slot gingen om hen te beschermen tegen Covid-19 vereenzaamden, niet meer aten en langzaam verpieterden. In De Twentsche Courant Tubantia stond begin juni een overlijdensadvertentie van de 93-jarige Betsie Schoonderbeek Nijkrake met de tekst: ‘Alle coronaperikelen overleefd, maar het opgesloten zijn en de eenzaamheid niet! Door ons mocht ze gedurende 11 weken niet worden bezocht. Dat was te veel voor haar!’

Tegelijkertijd liep het aantal besmettingen onverminderd op. Ook doordat zorgmedewerkers gewoon door moesten werken bij lichte klachten, waar de rest van Nederland gemaand werd thuis te blijven. Anders ‘zouden de verpleeghuizen stil komen te liggen’, zo legde minister Hugo de Jonge de Tweede Kamer op 8 april uit. Vaak gebeurde dat door het gebrek aan beschermende middelen ook nog eens onbeschermd.

Inmiddels is duidelijk dat ruim elfduizend bewoners van verpleeghuizen hoogstwaarschijnlijk (want in het begin werd niet altijd getest) besmet zijn geraakt met het virus en naar schatting een kleine drieduizend zijn overleden. Maar zij werden aanvankelijk niet eens meegeteld bij de rivm-cijfers die avond aan avond werden gepresenteerd in het Achtuurjournaal.

‘Alle aandacht ging uit naar de ic’s’, concludeert Wilco Achterberg, hoogleraar institutionele zorg en ouderengeneeskunde aan het Leids Universitair Medisch Centrum, die met een onderzoeksteam de impact reconstrueerde van de maatregelen op de ouderenzorg. Ze bestudeerden de notulen van 41 crisisteams van verpleeghuizen die hun verslagen beschikbaar stelden aan een team onderzoekers. ‘Ondertussen wisten we nog ontzettend weinig, zaten verpleeghuizen met zieke patiënten die ze niet konden testen omdat er geen testcapaciteit was en die ze niet konden behandelen.’

Daarbij was er een tekort aan beschermende middelen en heerste er grote onzekerheid over het gebruik ervan, zegt Achterberg: welk type mondkapje je wanneer gebruikte en wat nu het testbeleid was. ‘Verpleeghuizen stonden achteraan in de rij.’ Of soms, zo laten de notulen zien, was er wel voldoende materiaal maar was er een mismatch tussen de verlangens van de zorgmedewerkers en de medische opvattingen over wat nodig was. ‘Dan wilden verzorgenden bijvoorbeeld te allen tijde een mondkapje kunnen gebruiken, terwijl dat niet nodig was. Dat zijn ingewikkelde kwesties want het gaat niet alleen om veiligheid maar ook het gevoel van veiligheid.’

Van Herk heeft nooit gebrek gehad aan beschermingsmiddelen, maar wel regelmatig een dreigend tekort. ‘Dat we met dichtgeknepen billen dachten: het is nu vrijdag, in het weekend zouden we weleens een probleem kunnen krijgen.’ Dat het nooit misging, had zijn zorginstelling niet te danken aan het Regionaal Orgaan Acute Zorg (roaz), dat de beschermende middelen verdeelde over de verschillende zorginstellingen. ‘Verpleeghuizen kregen volgens de verdeelsleutel aanvankelijk tien procent en later na veel lobbyen twintig procent, terwijl er tachtigduizend mensen in de langdurige zorg zitten en we in Nederland elfhonderd ic-bedjes hebben. Ziekenhuizen staan altijd bovenaan in de pikorde. Dat kun je proberen te bestrijden, maar wij hebben al snel gezegd: cut the crap, we gaan het zelf doen: we zetten de inkopers van alle zorginstellingen in Rotterdam Rijnmond bij elkaar en gaan zelf inkopen op de wereldmarkt. Dan heb je veel meer power.’ Het ministerie van vws herkent zich overigens niet in de verdeling negentig-tien, maar erkent dat er in eerste instantie meer aandacht ging naar de meest kritieke patiënten (zie kader).

‘Voor sommige medewerkers moesten tehuizen hotelkamers huren omdat ze thuis niet langer welkom waren’

Door de eigen inkoop konden Humanitas-medewerkers desgewenst ook beschermende middelen gebruiken als ze met niet-covid-patiënten werkten. Of dat tot minder besmettingen heeft geleid, is moeilijk te zeggen, maar het bracht wel rust onder het personeel, aldus Van Herk. Ook andere instellingen kochten via Marktplaats handschoenen en mondkapjes – niet altijd van de beste kwaliteit, concludeert hoogleraar Achterberg. Of zuurstofconcentrators die mensen met longziekten gebruiken. ‘Wat op zich een prima oplossing is.’

‘Het was welhaast een militaire operatie’, vertelt Van Herk. ‘Toen het in Brabant ontplofte, zijn we met alle verpleeghuisbestuurders uit de regio bij elkaar gekomen om te bespreken wat dat voor Rotterdam Rijnmond betekende. We hebben besloten alles samen te doen en één lijn te trekken. We wilden aanvankelijk één locatie aanwijzen waar we gezamenlijk alle covidpatiënten in de langdurige zorg zouden gaan opvangen. Maar het ging zo hard: binnen twee weken hadden we allemaal eigen cohortafdelingen en schakelden we over naar een crisisaanpak. Dat wil zeggen: basiszorg verlenen en daarnaast vooral besmettingen voorkomen. In de eerste weken veranderden de richtlijnen soms twee keer per dag. Over het gebruik van beschermende middelen, temperaturen, noem maar op. Hoe communiceer je dat naar je personeel? Naar familie? Wij helpen achtduizend cliënten en die hebben 24.000 familieleden die, onafhankelijk van elkaar, vragen stellen; we hebben al snel besloten om één communicatielijn te openen, want het was niet bij te benen.’

Ook voor medewerkers is het een ontzettend belastende tijd geweest, blijkt volgens Achterberg uit de onderzochte verslagen. Ze ervoeren niet alleen druk van de familie van bewoners, maar ook van het eigen thuisfront. ‘Voor sommigen moesten tehuizen hotelkamers huren omdat ze thuis niet langer welkom waren.’ Na het bezoekverbod wisten zorgmedewerkers bovendien dat als er iemand ziek werd dat door een van hen kwam. ‘Ook dat was zwaar.’

Voor mensen op de werkvloer was het dan ook onverdraaglijk dat het applaus van het begin van de crisis omsloeg door de strikte maatregelen, zegt Van Herk. ‘Waar het ziekenhuispersoneel als helden op het schild gehesen werd, zat je als verpleeghuismedewerker zo ongeveer in de criminele hoek.’

Verpleegkundige Julia Verkade vond het bijna traumatisch. ‘Familie die je uitscheldt, die over hekken klimt, stiekem probeert binnen te komen. Dat ze het niet eens zijn met hoe het gaat, oké, maar uitschelden omdat wij hun familie zouden hebben ziekgemaakt was zo oneerlijk! Terwijl we zo ons best deden. We liepen daar met het risico zelf heel ziek te worden, maar kregen stank voor dank. Collega’s werden zwartgemaakt in de pers – ik vond het zo denigrerend en pijnlijk. Daar heb ik echt wakker van gelegen. Voor de ic’s werd geklapt – wij werden uitgefoeterd.’

Haar collega Seda Khurshudyan, eveneens verpleegkundige en zorgmanager bij Humanitas, vond dat er snel een sfeer kwam van: wie is de schuldige? ‘Dat doet pijn. Want niemand is de schuldige; we moeten het samen doen.’

Ook Gijsbert van Herk zelf vond die demonstraties ontzettend moeilijk, maar ook ‘ontzettend begrijpelijk’. ‘Je denkt: wat zou ik zelf doen als het mijn vader of moeder was? Ik was ook figuurlijk door die deur gegaan. Maar we waren wel met handen en voeten gebonden aan de landelijke richtlijn. En nee, dat was geen richtlijn die we wel of niet konden opvolgen, die was opgelegd. Als we burgerlijk ongehoorzaam waren geweest, hadden we zeker problemen gekregen met het ministerie van vws, de ggd en de Inspectie. Geen enkel verpleeghuis heeft zich aan de richtlijn onttrokken. Al kwam die wel steeds meer onder druk te staan. In die zin was ik bijna blij met de demonstratie omdat die de waanzin van de maatregel duidelijk maakte.’

Was hij het dan oneens met de maatregel? ‘De eerste vier weken werkte het prima. Maar daarna hadden we moeten differentiëren en nadenken hoe je contact wél onderhoudt. We hadden ook veel meer moeten overleggen met die cliënten die alleen lichamelijk iets mankeren. Die hadden we een stem moeten geven.’

Het blijft natuurlijk een ethisch dilemma, vindt Henriëtte van der Roest van het Trimbos Instituut die in samenwerking met onder meer de Universiteit van Amsterdam onderzoek deed naar de mentale impact van Covid-19 in verpleeghuizen. Ze ondervroeg 193 bewoners, 1609 familieleden en 811 zorgmedewerkers: ‘Moet je mensen ten koste van alles beschermen tegen corona? Waar ligt de grens tussen kwaliteit van leven en gezondheid? En hoe bescherm je je medewerkers?’ Uit haar onderzoek blijkt dat familie vaker kiest voor kwaliteit van leven en verzorgenden kiezen voor veiligheid en gezondheid.

Ze is geschrokken van de uitkomsten, vooral ook door de robuustheid van de cijfers. ‘Natuurlijk wisten we al dat er dingen niet goed gingen door de verhalen die naar buiten kwamen via de media. Maar ja, n=1, denk ik dan als wetenschapper – ik wil weten om hoeveel mensen het gaat. Dat het leed zo breed verspreid was, is echt schrijnend. Vier op de vijf bewoners waren eenzaam. Depressieve gevoelens namen met vijftig procent toe. Er waren meer en ernstiger gedragsproblemen en angsten onder bewoners, vooral onder bewoners zonder cognitieve beperkingen. De autonomie die bewoners nog hadden, raakten ze volledig kwijt’, zegt Van der Roest. ‘Niet zelf kunnen bepalen wanneer je je kinderen ziet, een boodschap gaat doen, in het zonnetje kunt zitten… Ik denk dat er mensen zijn overleden aan de coronamaatregelen doordat ze bijvoorbeeld stopten met eten.’

Ook bij verschillende huizen van Humanitas stopten sommige bewoners met eten en drinken. Het sneed verpleegkundige Julia Verkade, die ook in het crisisteam zat, door merg en been. ‘Bij ons ging er al vóór de landelijke lockdown een locatie op slot. Die mensen hebben dus nog langer opgesloten gezeten. Op een gegeven moment zei een mevrouw: “Als ik nu niet naar buiten mag, spring ik uit het raam.” We zijn gaan bellen met de familie. Konden we haar nog een keer extra laten videobellen? Of kon de familie iets lekkers brengen? Soms kwam er dan in zo’n situatie een pan macaroni of een taartje.’

Seda Khurshudyan, die werkt bij de Zilverlinde van Humanitas, is in een vergelijkbare situatie, zoals ze zelf zegt, wel eens soepeler met de regels omgegaan. ‘Ik zag een bewoner van 94 zo achteruitgaan – hij at en dronk niet meer terwijl hij niet terminaal was. Puur door verdriet. Dan denk je: moet dat zo gaan? Kan zo iemand met afstand toch niet bezoek ontvangen?’

Verkade deed dat eveneens. ‘Als iemand echt niet meer at, hebben we familie laten komen. Je wilt mensen niet laten verhongeren! Overigens hebben we dat soort casussen in het crisisteam besproken, tot de raad van bestuur aan toe. Als iemand echt slecht at, hebben we familie als vrijwilliger laten komen.’ Vaste vrijwilligers waren uitgesloten van het bezoekverbod. ‘Maar je moet natuurlijk uitkijken, want die mantelzorgers zijn zelf ook vaak rond de zeventig.’

Onderzoeker Van der Roest weet niet hoeveel cliënten niet meer wilden eten tijdens de lockdown, ‘maar we hebben zorgmedewerkers wel gevraagd naar de verandering in het eetgedrag. Veertig procent gaf aan dat dat eten problematischer was geworden.’ Waar mensen vrije antwoorden konden geven, kwamen er veel voor met termen als gevangenis, opsluiting en niet gehoord worden. Voor dementerenden was naast het bezoekverbod ook de anderhalvemetermaatregel dramatisch, zegt Van der Roest. ‘Juist voor mensen met dementie, die taal steeds minder goed begrijpen, is de aanraking een belangrijke vorm van communicatie: iemand even bij de hand nemen om hem naar de eettafel te begeleiden, een knuffel om gerust te stellen.’

Dat het bij een volgende piek anders moet, daar is iedereen het over eens. Zo staat voor alle partijen als een paal boven water dat er geen landelijke sluiting meer komt voor álle verpleeghuizen. Zelfs minister Hugo de Jonge schreef op 16 juli aan de Tweede Kamer dat het sluiten van de verpleeghuizen weliswaar een effectief middel was gebleken, maar dat bij een tweede golf de kans klein was dat er opnieuw een landelijk bezoekverbod zou worden afgekondigd. De lockdown, gaf hij toe, had een zeer zware tol geëist van de bewoners die maandenlang geen bezoek kregen of niet naar buiten konden.

‘Omdat we de verpleeghuissector onder de zorg scharen, kijken we te zeer door een medische bril. We moeten het meer over wonen en welzijn hebben’

‘Dat gaan we niet meer doen’, voorspelde hoogleraar Wilco Achterberg voor die tijd al. ‘Eenzaamheid is desastreus voor mensen. Net als mensen die roken hebben eenzamen een slechtere prognose: ze sterven eerder. Ook acute eenzaamheid heeft een negatief effect op het immuunsysteem. Al moeten we ook niet alles op corona gooien. Verpleeghuizen zijn hoe je het ook wendt of keert voorportalen van de dood; dat oude mensen stoppen met eten en drinken is gebruikelijk.’

Maar volgens onderzoeker Henriëtte van der Roest gebeurde het nu veel vaker. ‘Nogal wat mensen zijn verschrikkelijk afgevallen’, beaamt Anita Ax, voorzitter van de Centrale Cliëntenraad van Stichting Humanitas. ‘Er was geen bezoek dat koekjes meebracht of een ijsje met ze ging eten. En er was ook niemand die rustig bij een cliënt bleef zitten, dat helpt vaak om iemand te laten eten. Personeel had daar door de coronacrisis geen tijd voor. Als de lockdown één ding heeft aangetoond, dan is het dat vrijwilligers en mantelzorgers belangrijk zijn. Onmisbaar.’

Er moeten bij een eventuele tweede golf dus veel meer maatwerkoplossingen komen voor bezoek. En die oplossingen moeten volgens haar in samenspraak met bewoners en familie tot stand komen. En als de familie niet langs kan komen, moeten ze goede informatie krijgen over hoe het met hun dierbare gaat, vindt Van der Roest: ‘Niet alleen over de medische zaken, maar ook hoe de stemming is.’

Familie zou ook de mogelijkheid moeten krijgen om hun ouders een paar weken in huis te nemen, denkt Achterberg. Dat kon nu volgens de regels niet, al heeft Van Herk het in zijn instelling wel toegestaan, net als de echtgenoot die zich vrijwillig bij zijn vrouw in het tehuis wilde laten opsluiten. ‘Heel ontroerend.’

‘Wat we ook geleerd hebben is dat we het nemen van maatregelen aan de grote zorgorganisaties kunnen overlaten’, zegt Achterberg. De richtlijnen van het rivm zijn goed – verpleegkundigen Verkade en Khurshudyan zeggen beiden dat ze er steun aan ontleenden – ‘maar hoe je die invult, dat kunnen grote verpleeghuizen zelf het best inschatten’, aldus Achterberg. En er moet veel meer regionaal afgestemd worden. Alle ziekenhuizen, verpleeghuizen, eerstelijnshulp binnen een bepaalde regio moeten dezelfde maatregelen en regels hanteren om zo verwarring te voorkomen, maar elkaar zo ook te kunnen steunen. Bestuursvoorzitter Van Herk vindt zelfs dat het op huisniveau moet: ‘Ik ga echt geen huis in Hillegersberg sluiten als ik in Beverwaard een uitbraak heb.’ Het inrichten van cohortafdelingen in een verpleeghuis heeft ook goed gewerkt – al is het heftig voor bewoners als ineens hun afdeling wordt ontruimd en ze moeten verkassen.

Maar het allerbelangrijkste is misschien wel dat we cliënten veel meer moeten betrekken bij de beslissingen, vindt Van Herk. ‘Zeker mensen met alleen een lichamelijke beperking hadden we echt een stem moeten geven. We moeten donders goed beseffen: een verpleeghuis is geen ziekenhuis waar je een paar dagen ligt, het zijn woningen van mensen. Omdat we de verpleeghuissector onder de zorg scharen, kijken we te zeer door een medische bril. Terwijl we het meer over wonen en welzijn moeten hebben. Over kwaliteit van leven.’

Kort na de lockdown werd bij Humanitas daarom de werkgroep bezoekersregeling opgericht waarin onder anderen Van Herk, de directeur Zorg en Verblijf, een zorgmanager en de Cliëntenraad waren vertegenwoordigd. Wekelijks overlegden de leden. Elke week hadden ze via een conference call overleg met de directie. Ook Anita Ax zat daarin. ‘We keken steeds wat de nieuwste richtlijnen van het rivm waren en hoe we daarmee moesten omgaan. Konden we ze oprekken?’ zegt ze. ‘Wat waren de consequenties?’

Wat Humanitas in het klein deed, zou volgens Achterberg ook landelijk moeten gebeuren: vanuit meer perspectieven kijken naar knelpunten en oplossingen. ‘Nu zaten er geen verpleegkundigen in het omt, terwijl die vaak beter dan artsen in staat zijn om gevolgen van maatregelen voor cliënten in te schatten.’

Maar het allerbelangrijkste: er mag echt geen onderscheid meer gemaakt worden tussen ziekenhuis-, gehandicapten- en verpleegzorg. ‘Dat mag je gewoon niet doen’, zegt Van Herk. ‘Op basis van welke overwegingen is dat gebeurd? Waarom stond er naast Ernst Kuiper die de woordvoering voor de acute zorg deed niet ook op alle journaals een landelijke woordvoerder van de langdurige zorg? Ik heb dat erg gemist.’


Centrale inkoop

Het Landelijk Consortium Hulpmiddelen is opgericht om te voorkomen dat zorgorganisaties zouden misgrijpen toen individuele instellingen massaal zelf beschermingsmiddelen gingen kopen. De centrale inkoop zou tot een eerlijker verdeling leiden in tijden van internationale schaarste. In eerste instantie gingen de meeste hulpmiddelen naar de ic’s, onderkent het ministerie van VWS. ‘Maar toen we signalen kregen dat het misging in de langdurige zorg hebben we de boel relatief snel omgegooid’, zegt woordvoeder Tom Elbersen. Vanaf 13 april werd het besmettingsrisico uitgangspunt voor de verdeling van mondkapjes en later ook voor handschoenen en andere beschermingsmiddelen. ‘Waar dezelfde risico’s zijn, zijn dezelfde beschermingsmiddelen beschikbaar. Van een verdeling negentig-tien tussen ziekenhuizen en andere zorgorganisaties is nooit sprake geweest.’ Volgens Elbersen zijn er geen aanwijzingen dat zich onveilige situaties hebben voorgedaan. ‘Verpleeghuizen hebben zich altijd kunnen melden bij de Inspectie Gezondheidszorg om hun zorgen te uiten of een beroep te doen op de voorraad.’ Op het ministerie zijn geen berichten binnengekomen dat personeel onbeschermd moest werken. ‘Tegelijkertijd kan ik me best voorstellen dat je als directeur van een verpleeghuis niet meteen je vinger opsteekt als je met ziekenhuizen vol coronapatiënten om de tafel zit.’ Voor de gevreesde tweede golf liggen op een geheime locatie grote voorraden. ‘Voldoende voor een aantal maanden toppiek.’

‘Nog erger dan oorlog’

‘Kun je wat harder praten?’ Mijn hardhorende moeder worstelt met de walkie-talkie van de babyfoon. Knopje in. Achter de ruit ligt het andere deel in de schoot van mijn vader. ‘Ik versta je nog steeds niet’, roept mijn moeder tegen zijn playbackende mond. O ja, knopje uit. Het duurt minuten voor ze het juiste ritme heeft gevonden.
‘Heb je nog wat nodig?’
‘Ik zou het niet weten.’
‘Hoe laat ga je iedere dag naar bed?’
‘Half drie.’

Twintig minuten volpraten op afspraak blijkt zelfs niet makkelijk als je van elkaar houdt. ‘We zijn pas op de helft’, zegt mijn moeder. Ze had zich erg verheugd op dit eerste bezoek na twee maanden lockdown. ‘Ik ga zo maar weer naar mijn cel, ik ben net een misdadiger’, zegt mijn vader. De vrijwilligster naast hem heeft drie vingers opgestoken ten teken dat de volgende familie aan de beurt is.

Mijn ouders hadden het niet slechter kunnen treffen. Na een spoedoperatie kon mijn dementerende vader niet meer naar huis. Maar een verpleeghuis was nu net wat hij en mijn moeder ten koste van alles hadden willen voorkomen. Waarschijnlijk was die nachtelijke en levensreddende spoedoperatie in maart er niet eens gekomen als we van tevoren hadden geweten dat zijn vertrouwde leven er definitief op had gezeten. Blessuretijd moet je in hetzelfde stadion spelen, niet op een poepveldje in een vreemde buurt, vonden we.

Was het anders geweest als hij door de coronamaatregelen niet zo onbarmhartig van mijn moeder was afgesneden? Als hij niet door twee ongeduldige dames in blauwe pakken uit een kale hal was afgevoerd naar de derde verdieping? Mijn moeder mocht zijn kamer zelfs niet zien. ‘Het is toch schandalig dat je moeder niet naar binnen mag’, zei hij. ‘Ik ben verdomme 62 jaar getrouwd!’ Dementerend of niet, mijn vader ervaart de lockdown als een groot onrecht. Elke dag vertellen we hem door de telefoon dat het hele land op slot zit om te voorkomen dat nog meer mensen ziek worden en doodgaan. Het blijft niet hangen. Dat niemand in het verpleeghuis naar het journaal kijkt, helpt ook niet mee. ‘Het is nog erger dan in de oorlog’, zegt mijn vader tegen mijn moeder.

De bevrijding lijkt half juni daar: mijn moeder en ik zijn voor het eerst samen welkom bij mijn vader.

In de weken die volgen wandelen mijn ouders als een verliefd stelletje door parkjes rond de jaren-zeventigflats. Ze eten ijsjes in het winkelcentrum en op zondag komt hij de hele dag naar huis. Tot ik aan het begin van de hittegolfweek een telefoontje krijg van de afdeling waar mijn vader woont. Al dagen horen we berichten over oplopende coronabesmettingen in de regio Rotterdam. Een van de verzorgenden blijkt ook ziek. Alle personeelsleden en cliënten krijgen uit voorzorg een test. Bewoners van de afdeling moeten 72 uur binnen blijven, bezoek mag op de kamer komen met handschoenen en een mondkapje. ‘Het is niet te harden’, klaagt mijn moeder. De airco op mijn vaders kamer is kapot en haar stressniveau stijgt met de temperatuur naar de hoogten van de eerste lockdown.

Maar gelukkig blijken de uitslagen negatief en gaat het tehuis niet op slot zodat hij zich als oud-banketbakker twee dagen later als vanouds bemoeit met de taart voor mijn moeders verjaardag. In de keuken bij haar thuis hoor ik ze kibbelen over aardbeien en door de hitte ingestorte slagroom, waarmee mijn moeder de punten in zijn opdracht versiert. ‘Heb ik het goed gedaan?’ vraagt ze. ‘Naar omstandigheden’, antwoordt mijn vader.
(Sandra van Steen)