TONEEL

Eenzame mensen

Riesenbutzbach

BERLIJN - De grootste verrassing van het zojuist afgesloten Theatertreffen was de nieuwe locatie voor een van de voorstellingen in deze vlootschouw van Duitstalig toneel: de voormalige Flughafen Tempelhof, gelegen tussen de afgetrapte wijken Kreuzberg en Neukölln, épater-le-bourgeois-architectuur in de beste tradities van Albert Speer en dus ressorterend onder monumentenzorg van de Duitse hoofdstad. Er werken nu alleen nog maar kleine vliegschooltjes en broedplaatsartiesten op het vliegveld, de zes hangars zijn zo hoog dat de voorstelling die regisseur Christoph Marthaler en ontwerper Anna Viebrock vorig jaar maakten voor de Wiener Festwochen er ruim in past. En dat was maar goed ook, want het lauwige Berlijnse festival kon wel een opkontje gebruiken. Riesenbutzbach luidde de onvertaalbare titel van deze ruiker, Eine Dauerkolonie de doorlopende ondertitel, waarbij men bij het woord ‘kolonie’ niet aan iets imperialistisch moet denken, eerder aan Van Dale’s oud-Hollandse verklaring 'inrichting waarheen landlopers en bedelaars worden gezonden’. De grootsteedse losers die hier ronddwalen, en hun opzichters en bewakers, zijn allen op de een of andere wijze al dan niet hijgend ter jacht op gewin & geluk ontkomen en hier voorgoed opgeborgen.
Blijkens het opschrift boven de verzameling in en boven en aan elkaar geschroefde eengezinswoningen die Anna Viebrock heeft gebouwd, is dit een 'Institut für Gärungsgewerbe’ - letterlijk: Instituut voor Gistingsnijverheid. Of dat slaat op het bier dat rijkelijk vloeit of op de geestelijke toestand waarin men het instituut ooit hoopt te verlaten, onthult de toneelvertelling niet. En dat hoeft ook helemaal niet, want voor de meesten lijkt deze onheilslocatie de stille versie van de hel die iedereen elke hoop ontnemen zal. De vrouwen schilderen in eenzame zinnen ('Een gegeven paard neukt men niet in de bek’) de troosteloze landschappen waarin aan hen verwante mannen ronddolen. Er is er een die Frans spreekt, waarop een vrouw die in het programmaboek wordt aangeduid als 'verledenzoekster’ meldt dat hij haar zoon is, dat ze geen Frans verstaat en zulks hem al sinds zijn geboorte aan het verstand probeert te peuteren. Een andere man belt steeds met journalisten. Hij is failliet door speculatieschulden, heeft uit wanhoop zijn familie uitgemoord, en beklaagt zich nu telefonisch over de beeldvorming rond hem in de pers: nee, de kinderen schreeuwden niet toen hij hen ombracht.
En als woorden hun doel missen en de toch al wat wankele communicatie definitief vastloopt, dan wordt er als altijd bij Marthaler gezongen, grandioos gezongen, Monteverdi, Bach, Beethoven, Schubert natuurlijk, Mahler nu ook, en onder de ex-ddr-straatlantaarns Lily Marleen vanzelfsprekend, en onder aanvoering van de met zijn keyboards heen en weer slepende musicus en falsetzanger Jürg Kienberger deze keer ook tegen beter weten in Staying Alive van de Bee Gees. Tegen het einde van weer een lange dag, als ook de laatste meubeltjes die misschien wel hun laatste bezit waren, door deurwaarderige toneelknechten voorzien van een plaksticker zijn afgevoerd, verdwijnen ook deze melancholische mensenkinderen, en wel in de inpandige garages van dit bouwwerk, waar zij doorzingen tot de opzichter met zijn administratie klaar is, boven het pand de kraai nog een keer krast, en de laatste nog wakkere bewoner het licht uit doet. Dit toneel vertrekt niet van een these. Dit toneel gaat uit van de ruimte en haar platzakke woonkazernehuurders. Geheel volgens het motto dat Marthaler ooit voor zijn theater bedacht: eenzame mensen zijn prachtvolle mensen.