Christoph Marthaler op het Holland Festival

«Eenzame mensen zijn bijzondere mensen»

De Zwitserse regisseur Christoph Marthaler is een prominente gast tijdens het Holland Festival. Zijn enscenering van Schuberts ‹Die schöne Müllerin› door Schauspielhaus Zürich is te zien in Docklands, Amsterdam-Noord. Portret van een bijzonder theatermaker.

«Alles gaat miserabel», schrijft Franz Schubert in 1823 aan een vriend in een brief waarin hij zijn cyclus Die schöne Müllerin aankondigt, twintig liederen op teksten van Wilhelm Müller. De cyclus, die de andere beroemde liederenserie Winterreise in populariteit naar de kroon zal gaan steken, is volgens de componist bedoeld als een «Lamento über den Zustand unserer Gesellschaft wie über alle übrigen Verhältnisse». Dat zijn grote woorden voor een klein verhaal. Een molenaar wordt langs een beekje (gids en troost in zware tijden) geleid naar een mooie molenaarster die hij intens bemint, maar die hem kwetst door te koketteren met een jager. De dolende molenaar verdrinkt zich uit liefdesverdriet in de beek.

De omgeving die Anna Viebrock voor Christoph Marthalers enscenering van Die schöne Müllerin heeft ontworpen, lijkt nog het meest op een oud en vervallen jachthuis met verschillende niveaus, verbonden door monumentale trappen. In de ruimte: lambrisering, opgezette dieren, een gedeeltelijk ingestort plafond, diverse vleugels, een piano en een spinet, wandkasten en een gigantisch bed. De drie dames en negen heren (onder hen twee pianisten, een sopraan, een tenor en acht zingende acteurs) — ach ja, ze wíllen elkaar zó graag bereiken, maar ze kúnnen het gewoon niet, ze zijn te verlegen en vooral te bang, ze koesteren geheimen en dubbellevens.

De molenaarsters (of molenaarsdochters) hebben een wandkast met pornografische plaatjes en een jachtgeweer, een plek die ze in hun volumineuze Dirndl-outfit met hun leven beschermen. De molenaar, in houtvesterskostuum, bezingt zijn romantische liefdesleed voornamelijk van onder een donzen dekbed. Of hij duikt op uit een wandkast, achtervolgd door een stoet spiernaakte jongemannen. Deze alter ego’s van de molenaar en van de jager verbergen zich voortdurend, vóór en mét elkaar: onder een Steinway-vleugel, in talloze nissen en achter luikjes, onder tapijten en in trieste choreografieën, dicht op elkaar, om maar niet blootgesteld te worden aan zoiets engs als verliefdheid en liefde.

Regisseur Christoph Marthaler in een interview in Die Zeit: «Hoe dichter de mensen elkaar naderen, hoe eenzamer ze worden. De eenzame mensen zijn de bijzondere mensen.»

Christoph Marthaler werd in 1951 geboren in het dorp Erlenbach in de buurt van Zürich. De in zijn ogen bijna koddige angst die de Zwitsers in Marthalers jeugd hadden voor een inval van de Russen stond in schril contrast met het zwijgen over het feit dat Zwitserland driftig heeft geprofiteerd van het nationaal-socialisme, en dat niet alleen dankzij het inmiddels beruchte Zwitserse bankgeheim. Het stempel «J» in een joods paspoort is een Zwitserse uitvinding. In Zwitserland was na 1945 decennia lang het begin van de Tweede Wereldoorlog een nationale gedenkdag, het einde van de oorlog werd nadrukkelijk níet herdacht. Marthaler: «Die zaken werden altijd doodgezwegen.»

Hij studeerde eind jaren zestig in Parijs bij de in fysiek theater gespecialiseerde maestro Jacques Lecoq (waar ook regisseurs als Ariane Mnouchkine en Luc Bondy hun opleiding kregen). Terug in Zürich richtte Marthaler met vrienden de groep Tarot op, waarmee ze Franse en Italiaanse volksmuziek in travestie zongen en speelden (Marthaler is een begaafd hoboïst). Schatplichtig was de groep Tarot in eerste instantie aan Cabaret Voltaire, het dada-initiatief van Tristan Tzara dat in 1916 in Zürich startte. In de jaren zeventig van de vorige eeuw waren het de voorstellingen van de Amerikaan Robert Wilson (Deafman’s Glance) en de Pool Tadeusz Kantor (De dode klas) die Marthaler diepgaand hebben beïnvloed. Men herkent die invloed aan zijn spel met de tijd (of liever: met de Langsamkeit) en met de arme materialen. Marthaler voegt er de schrille lach aan toe.

Zijn eerste voorstellingen wortelden in de eenzame frustraties van de Zwitsers. In 1989 maakte Marthaler bij Theater Basel Wenn das Alpenhirn sich rötet, tötet, freie Schweizer, tötet! De titel van deze soldatenliederenavond was een grimmige parafrase op de eerste regel van het Zwitserse volkslied «Wenn der Alpenfirn (sneeuw op de Alpen) sich rötet, betet freie Schweizer, betet!» De voorstelling kwam Theater Basel op moorddreigingen te staan. De productie werd gezien door Frank Castorf, de door de nog net bestaande DDR uitgekotste regisseur die op dat moment een gastregie in Basel deed. Castorf zei later over deze Marthaler-avond: «Die voorstelling ging over de absurditeit van het Zwitserse leger, eigenlijk over de absurditeit van íeder leger. Het was een politieke daad van iemand die weigert politiek of ideologisch te zijn.»

Toen Castorf in 1993 werd benoemd tot intendant van de Berlijnse Volksbühne aan de Rosa Luxemburg Platz, was een van de eerste gastregisseurs die hij aantrok Christoph Mar thaler. Castorf vroeg hem een voorstelling te maken over het einde van de DDR. Dat werd de indertijd door de kritiek zeer lauw ontvangen maar door het Berlijnse (en later Duitse en internationale) publiek omarmde productie Murx den Europäer! Murx ihn! Murx ihn! Murx ihn! Murx ihn ab! («murksen» is Bargoens voor vermoorden, de nek omdraaien), met als sardonische ondertitel «Eine patriotische Lieder abend». De productie vierde onlangs haar tienjarig bestaan en houdt nog altijd repertoire.

Murx, zoals de koosnaam van de Berlijners (met name de Ossi’s) voor de voorstelling luidt, is eigenlijk tweeëneenhalf uur marthalerische stilstand. Het idee ontstond in de Oost-Berlijnse bruine Kneipe Truxa, waar Ossi’s die onder het bestaansminimum leven zitten, zwijgen en mateloos drinken. Marthaler stapte daar (zwarte jas, zwarte hoed, haar in staartjes, zonnebril) in 1993 binnen en bestelde een bier. Hij moest zijn bestelling tot drie keer toe herhalen en kreeg toen van de kroegbaas als antwoord: «An Juden verkauf ich nichts.» Het dronken kroegvolk begon Duitsland-liederen te mummelen. Marthaler: «Het waren geen rechtsradicalen of neo-Nazi’s. Het waren uitgeputte mensen, ik schat ze tussen de 45 en 55 jaar, ze zagen er uit als 70-jarigen. Afgeschafte mensen.»

Zo is Murx ontstaan. Elf afgeschafte mensen in afgetrapte kostuums die in een reusachtige wachtkamer aan tafeltjes zitten, DDR-liederen zingen, mechanisch ochtendgymnastiek bedrijven, steeds weer thee maken uit hetzelfde theebuiltje. Een man in een onooglijk trainingspak probeert de aandacht van een vrouw te trekken die hem bij iedere poging laat struikelen. Een andere man controleert keer op keer de stand van de verwarmingsovens. Als hij de kleppen van die ovens opent, komen daar DDR-hymnen uit, zoals Auferstehen aus Ruinen en Von der Maas bis an die Memel, maar ook het fascistische Horst Wessel Lied.

Op tournee in Londen wist een Britse theaterwetenschapper van joodse komaf dat Murx over de Holocaust gaat en over niets anders. Op tournee in Litouwen werd de productie als een afrekening met het socialisme gezien. En de ex-ddr-criticus Friedrich Dieckmann wist honderd procent zeker dat de voorstelling Murx maar over één ding handelt: dat de verwarming in de DDR veertig jaar lang nóóit werkte.

Sinds Murx is Marthaler een vaste gast bij de Berlijnse Volksbühne. Terwijl Castorf zijn theaterhuis in de jaren negentig geliefd en berucht maakte met zijn esthetica van de verwoesting en de ongeremde revolte, kleurde Marthaler het repertoire met zijn Poëtica van de Langzaamheid, de anarchie van de stilte. Naast «vrije» projecten als Die zehn Gebote en onlangs nog Lieber nicht, ensceneerde hij er ook klassiekers als Horvaths Kasimir und Karoline en Tsjechovs Drie zusters. Castorf: «Ik geloof dat Marthaler een zo sterk mens is omdat hij autonoom is. Omdat hij zijn eigen ritme heeft en omdat de mode-hypes totaal aan hem voorbij gaan. Daarom word ik steeds weer blij dat zo iemand er is, zijn liederen zingt en zo veel mensen kan overhalen om samen met hem een autonome wereld te scheppen. Marthaler is werkelijk de laatste grote Autonomer.»

Mannen zijn vaak in de meerderheid in de schaterlacheenzaamheidshel die Christoph Marthaler keer op keer in zijn voorstellingen creëert, met name in de «vrije» projecten. Zijn tekstrecyclings dramaturg, Stephanie Carp, noemt die constante Die Männermaschine: «De mannenmachine zet zich vanzelf in beweging wanneer meer dan één man op het toneel is. Ze uit zich in slechte grappen, bierglazen-over-het-hoofd-leeg-gieten, winderigheid en oprispingen, vrouwen in hun kont knijpen, concurreren in kleine en grote masculiene fratsen. De mannenmachine is infantiel. Het infantiele, het nooit helemaal volwassen worden — een typisch Duits mankement — interesseert Marthaler meer dan ideologische details over de Duitse politiek van na de oorlog. Hem interesseert meer het deficit van mensen die nooit echt ergens voor verantwoordelijk willen zijn. Dat maakt die mannen op een maffe manier lomp. Ze zijn een privé-persoon die taart eet en naar het sportjournaal kijkt. En ze zijn een publieke persoon die met stapels papieren achter een microfoon staat, maar eigenlijk niks weet te zeggen.»

In de jaren negentig van de vorige eeuw maakte Marthaler over deze Männermaschine in Hamburg twee legendarische voorstellingen: Stunde Null oder die Kunst des Servierens: Gedenktraining für Führungskräfte (1995) en Die Spezialisten: eine Ueberlebungstanztee (1999). Beide producties hebben een vrouw in de hoofdrol: een kenau die heren in driedelige kostuums, afkomstig uit leidende kringen, traint om van hun onhandigheden af te komen — overigens volkomen vergeefs. Iedere keer als in Stunde Null de telefoon ging moest Frau Stunde Null het standaardantwoord over de toestand van de onder haar gestelde heren geven: «Sie üben noch» — ze zijn nog aan het oefenen. Oefeningen in schijnmenselijkheid die nooit iets zullen opleveren.

Nadat de kaste van kleinburgerlijke kunstmanagers afgelopen jaar probeerde Marthaler beentje te lichten en hem zijn Zürcher Schau spielhaus af te pakken — wat onder meer niet lukte door massale solidariteit uit het Duitstalige theater, kom daar in Nederland maar eens om — besloot hij over dit onderwerp een productie te maken: Groundings: eine Hoffnungs variante (première februari jongstleden; op het net afgesloten Berliner Theatertreffen vertoond als bejubelde slotproductie).

Ook hier speelt een vrouw de hoofdrol: de managertherapeute Margot, die op haar cursus louter topfunctionarissen heeft van een in zwaar weer geraakte luchtvaartmaatschappij (tot voorbeeld diende het enkele jaren geleden over de kop gekukelde Swissair). De een na de ander moeten de mannen zich de vernedering van overbodigheid laten welgevallen, iedere keer opnieuw meldt zich dan een stoet collega’s met een ferm bedoelde handdruk («Wir bleiben Freunde», «Kopf hoch!»), waarna de ongelukkige via een radiografisch bestuurde fauteuil in een afgrond wordt afgevoerd, om even later als potentieel slachtoffer opnieuw op te duiken. En zich te voegen in een onafzienbare reeks voornamelijk aan managersrapporten en directeursredevoeringen ontleende teksten («Met Aristoteles op weg naar de winst», «Denken helpt!»). De criticus van de Süddeutsche Zeitung schreef: «De voorstelling is alleen al gelukt omdat ze niet de vraag stelt of het theater zich in een crisis bevindt, maar hoeveel theater er in een economische crisis zit.»

Als de taal hapert en woordjes niet meer helpen, voegen de Marthaler-personages zich in samenzang, vaak a capella, soms met begeleiding. Tijdens repetities onder leiding van Christoph Marthaler wordt sowieso weinig gesproken, en al helemaal niet gediscussieerd — er wordt vooral veel, heel veel gezongen. Tijdens die samenzang neemt Christoph Marthaler veel tijd om zijn acteurs te observeren, op ideeën te komen. Zijn dramaturg Stephanie Carp: «Marthaler-personages hebben eigenlijk helemaal geen zin om op het toneel te staan. Zodra ze in een activiteit worden verwikkeld, raken ze in verlegenheid, zoeken naar een uitweg. Zingen is zo’n uitweg.»

Dat Schubert en Marthaler elkaar na jaren, na zoveel marthalerische Liederabende, via Die schöne Müllerin pas vorig jaar hebben gevonden, dat werd in Zürich, Berlijn, Dortmund en vorige maand nog in Brussel een wonder gevonden. «Es war, als hätt der Marthaler/ Den Schubert still geküsst/ Dass er im Bühnenschimmer/ Von ihm nur träumen musst».

De jury van het Theatertreffen 2002 concludeerde in haar aanbeveling: «Die schöne Müllerin is zo vol naïeve humor, melancholische charme en onpeilbaar verdriet — ons bleef werkelijk geen andere keus dan haar naar Berlijn uit te nodigen.» We mogen Ivo van Hove en zijn Holland Festival-staf diep dankbaar zijn dat ze met eenzelfde onbevangenheid het Nederlands theaterpubliek twee avonden en een middag dit cadeau offreren.

Die schöne Müllerin, Franz Schubert/Christoph Marthaler/Anna Viebrock, Schauspielhaus Zürich/RuhrTriennale. Docklands (NSDM-werf), Amsterdam-Noord. Donderdag 19 en vrijdag 20 juni om 20.00 uur; zaterdag 21 juni om 15.00 uur.

Over Marthaler is een mooi boek verschenen: Klaus Dermutz, Christoph Marthaler: Die einsame Menschen sind die besondere Menschen, Residenz Verlag Salzburg & Wien, € 93,-

___________________________

Holland Festival 2003: een glorieuze comeback

Na jarenlang getreiterd te zijn door de overheid, waarbij met name de sociaal-democratische staatssecretaris Van der Ploeg zich niet onbetuigd heeft gelaten, is het Holland Festival terug met een stralend programma. De magere 1,08 miljoen euro van 2002 zijn opgetrokken naar 2,5 miljoen euro. Het resultaat is ernaar: het festival wordt geopend met de internationale coproductie Le balcon, een opera van de Hongaarse, in Nederland werkzame componist Eötvös van wie hier eerder Tri sestri (naar Tsjechov) was te zien. Het libretto is gebaseerd op het gelijknamige, tijdloze toneelstuk van Jean Genet uit 1956, waarin zich een straatoproer afspeelt in een naamloze stad terwijl de gevestigde orde haar eigen spel met de werkelijkheid speelt in het bordeel van Madame Irma, haar Huis van de Illusies.

Sinds lang is de Wooster Group van Elizabeth Lecompte hier weer te zien (van grote invloed geweest op het werk van zulke uiteenlopende makers als Jan Lauwers, Gerardjan Rijnders en Carina Molier). Ze spelen To You, the Birdie!, vrij (zeer vrij, als altijd bij de Woosters) naar Racines Phèdre.

Voor het eerst is de vernieuwde «toneelpoot» van de Berlijnse Schaubühne hier te zien (dans van de Schaubühne stond in 2000 in het Holland Festival, met Körper van Sacha Waltz). Nu presenteert de andere artistiek leider, Thomas Ostermeier, zijn eerste Ibsen Nora — een nogal wilde versie van dit bijna 125 jaar oude stuk, in Berlijn al sinds november 2002 een hit.

Het dansaanbod is zonder meer spectaculair. Pina Bausch is eindelijk weer terug, met een nieuwe versie van Kontakthof (1978), nu met twintig mannen en vrouwen van 65 jaar en ouder. Daarnaast danst haar Tanztheater Wuppertal de nieuwe productie Água, een hommage aan Brazilië. Anne Teresa de Keersmaeker brengt een solo, voor het eerst sinds Phase (1982). De voorstelling Once wordt gedanst op een ononderbroken afgespeelde lp met daarop een live-optreden van Joan Baez uit 1963. Haar groep Rosas brengt de productie Bitches Brew/Tacoma Narrows, op muziek van Miles Davis. Naast Schuberts Die schöne Müllerin (zie het portret van Christoph Marthaler op deze pagina’s) danst de groep van de New Yorkse choreografe Trisha Brown op Schuberts Winterreise, en componeerde Reinbert de Leeuw (eindelijk weer) een nieuw werk voor het Schönberg Ensemble: Im wunderschönen Monat Mai — een hommage aan de liederen van Schumann en, jawel: Schubert. De liederen worden uitgevoerd door de Duitse actrice Barbara Sukova, die daarnaast Pierrot Lunaire van Schönberg uitvoert — iets wat ze in het Holland Festival van tien jaar geleden ook al deed (in een dubbelprogramma met L’histoire du soldat van Strawinski), toen ook onder leiding van Reinbert de Leeuw. Je zou er bijna nostalgisch van worden. En dan is dit nog maar een greep. (lz)

Informatie

internet: www.hollandfestival.nl

e-mail: info@hollandfestival.nl

telefoon: 020-5307110