Eenzame, onvervulde jaren

Zelfs in zijn beste jaren was de Nederlandse verzorgingsstaat niet bij machte om Rob van Essen (1963) de kunst van het zwemmen bij te brengen. Alle gesubsidieerde aanmoedigingen ten spijt: de jonge Van Essen vertrouwde het water niet voldoende om zijn voeten van de bodem te tillen. ‘Behalve een vroom kind was ik ook een bang kind’, schrijft hij. Er werd besloten hem verder maar met te rust te laten.

Wie verder leest zou in de verleiding kunnen komen deze neus-lippenbekentenis het gewicht van een relatief onschuldig trauma te verlenen. Want voor een boek dat verder weinig water bevat, valt de hoeveelheid vis op. Het duurt niet lang voordat Van Essen op bezoek is bij een mevrouw Vis. Deze vroegere buurvrouw neemt het zijn ouders nog altijd kwalijk dat ze zo snel verhuisden. (Het gezin Van Essen verhuisde onvoorstelbaar vaak.) Hij geeft een SP-kaderlid uit Ede, die hem in de avonduren wegwijs maakt in de beginselen der solidariteit met ‘eenvoudige arbeidersmensen’ zonder aanwijsbare reden het pseudoniem Mark Visch. Op zoek naar een beeld dat zijn eigen verhouding tot de maatschappij samenvat, komt hij uit bij deze vergelijking: ‘Zoals een vis geen idee heeft wat water is, had ik geen idee van de verzorgingsstaat.’

Medium essen 2c 20rob 20van 20 fjodor 20buis  20kl

Kind van de verzorgingsstaat (na Reddend zwemmen, Alles komt goed en Hier wonen ook mensen wederom pure titelpoëzie) is een verzameling associatief aan elkaar geregen herinneringen, aan Van Essens jeugd en aan een zich ver uitstrekkende periode van jong-volwassenheid. De invalshoek voor de meer beschouwende passages, het lichtvoetig-intellectuele metselwerk, zo je wil, is zoals de titel al verraadde maatschappelijk: Van Essen weet zichzelf gevormd door het fijnmazige sociale vangnet waarvan hij zich destijds maar zelden bewust was. Zijn vormende jaren vielen samen met ‘een periode van vrede en welvaart (voor ons dan toch) waarin wat we deden zonder consequenties was’.

Misschien zijn de frustraties, zoals hij het zelf zegt, door het verstrijken van de tijd vervluchtigd en is dat wat resteert en dat waarover hij schrijft een fictief tijdperk, ‘vol rust en tijd en zonder ook maar enige druk, want elke maand kreeg je weer geld overgemaakt om in je levensonderhoud te voorzien’. Misschien waren het in werkelijkheid inderdaad ‘eenzame, onvervulde jaren’, de jaren die Van Essen in ledigheid doorbracht. Maar er valt niet te ontkennen dat ze hem hebben gemaakt tot wie hij is, en ze vallen niet los te zien van het buitengewoon kalme, pretentieloze en soms diep bevredigende proza dat hij schrijft. Al na een paar pagina’s stuitte ik op een alinea die ogenschijnlijk weinig om het lijf had, maar die ik drie of vier keer herlas, simpelweg omdat ik merkte dat hij me bij elke lezing vrolijker stemde: ‘Een klein half jaar later werd Kennedy doodgeschoten in Dallas. Ondertussen had mevrouw Reuvers-Ulijn uit Oss de vlaflip uitgevonden en was in Den Haag de Algemene Bijstandswet aangenomen. De vlaflip bestond uit een laag limonadesiroop, een laag vla en een laag yoghurt in een hoog glas. De Algemene Bijstandswet haalde de armenzorg definitief uit de sfeer van liefdadigheid. “Van genade naar recht”, zoals de verantwoordelijke minister Klompé het verwoordde.’

‘Je werd al als een halve fascist beschouwd wanneer je goed werkende verlichting op je fiets had’

Waarom ik er zo vrolijk van werd was niet direct duidelijk. Misschien was het het handjevol woorden dat er zo duidelijk uit naar voren springt – wie kan het kleine geluk dat schuilt in ‘doodgeschoten in Dallas’, in ‘Oss’ en ‘vlaflip’ of de namen Reuvers-Ulijn en Klompé ontkennen? En anders was het waarschijnlijk de juxtapositie van het grote en het kleine, van het net wat te voor de hand liggende en het bijna te willekeurige, het zorgvuldig gecomponeerde eraan en toch ook de onmiskenbare knulligheid ervan. Van Essen blinkt uit wanneer hij op die manier de grenzen van het banale opzoekt, bijvoorbeeld wanneer hij de kneuterigheid van het grote gebaar vangt in een passage over zijn verleden als actievoerder. ‘Waar ben ik niet allemaal geweest. In 1978 ging ik mee naar Almelo, om te demonstreren tegen de uitbreiding van de ultracentrifuge. (…) Toen we in Bennekom woonden, was de kerncentrale in Dodewaard op fietsafstand, dus daar ben ik ook een paar keer geweest.’

Het gaat niet altijd goed. Zeven slaapverwekkende alinea’s over de gewoonte om zonder nadenken op gestolen fietsen te rijden leveren uiteindelijk niet meer dan één scherpe observatie over de tijdgeest op, tussen haakjes nota bene: ‘Maar het waren vreemde tijden; je werd al als een halve fascist beschouwd wanneer je goed werkende verlichting op je fiets had.’

Zelf lijkt Van Essen ook wel aan te voelen dat hij soms over het randje gaat. Hij is huiverig voor anekdotiek en hier en daar verontschuldigt hij zich zelfs expliciet wanneer hij zich eraan bezondigt. Onnodig: goede anekdotes zijn het levensbloed van een mijmerend boek. Een enkel beeld van Harry Mulisch, die met pijp en al opduikt tussen de rokende puinhopen van nog lopende krakersrellen is zijn gewicht in goud waard.

Zo’n boek vol mijmeringen ontleent zijn kracht uiteindelijk vooral aan twee zaken: enerzijds aan het geloof dat dat wat in herinnering wordt geroepen een waarde heeft die niet alleen persoonlijk van aard is en anderzijds aan de wetenschap dat men in het hier en nu veroordeeld is tot reflectie. Kind van de verzorgingsstaat is uiteindelijk sterker in het tot leven wekken van een vage tijdgeest dan in het reflecteren op wat die betekende, of nu nog voor gevolgen heeft.


Beeld: Rob van Essen gaat soms over het randje (Fjodor Buis)