Agustín Fernández Mallo schrijft geen alledaags proza © Xurxo Lobato / Getty Images

In Nederland mag Agustín Fernández Mallo onbekend zijn, in Spanje zou zijn Nocilla-trilogie maar liefst als een mijlpaal in de Spaanstalige literatuur worden beschouwd en tegelijk als lichtend voorbeeld voor een nieuwe, postmoderne schrijversgeneratie; ik moet me voorzichtig uitdrukken, ik praat de aanprijzingen na waarmee de Nederlandse vertaling werd gelanceerd. De originelen, van 2006, 2008 en 2009, hebben Engelse titels, Dream, Experience en Lab; Koppernik heeft ze alle drie tegelijk, in een cassette, voorzien van stijlvolle omslagen en in een vlotte, goed leesbare vertaling van Adri Boon.

Alledaags proza is het niet. Dream bestaat uit 113 korte teksten, meestal van één, vaak ook minder dan een pagina, en geschreven in een vlakke, registrerende stijl. Een deel daarvan bestaat uit letterlijk geciteerde fragmenten van anderen, soms van literaire aard, vaker uit de natuurwetenschappelijke hoek – niet vreemd misschien, Mallo is ook fysicus en computerfreak. De eerste tekst is een fragment uit Scientific American over Alan Turing en bestaat uit een poging de computer te definiëren, de meeste daaropvolgende teksten zou je met enige goede wil als verhaalfragment kunnen kwalificeren, met enige goede wil, want de kwintessens blijft vaak onduidelijk en onderlinge samenhang is ver te zoeken.

Waar is het de auteur om te doen? Om een vreemd soort herhalingen? Om het construeren van een minimale samenhang op grond van de kleinste gemene deler? Om de rol van het toeval? Een man rijdt door de bergachtige woestijn van Nevada, ruim vierhonderd kilometer leegte waarin, ‘conceptueel gesproken’, slechts één ding aan menselijke aanwezigheid herinnert: ‘de honderden paren schoenen die aan de takken hangen van de enige populier die daar groeit’. Conceptueel gesproken? Wat kan dat te betekenen hebben?

In de volgende fragmenten komt die populier terug, als een motief in een traditionele roman, maar met dit verschil dat het hier niet om een coherente roman gaat maar om verhaalfragmenten die weinig of niets met elkaar te maken hebben. Iemand gaat die schoenen van dichtbij bekijken en somt op: ‘zwemvliezen, skilaarzen, kinder- en laklaarsjes.’ Een vrouw die met een been uit het auto-raampje hangt, verliest een schoen die ‘als een konijn zonder nest bijna onmiddellijk met het stof van de woestijn’ versmelt, iemand valt onder een eenzame populier in slaap, onder die boom wordt de liefde bedreven, er vindt een experiment plaats met ratten die als mijndetector worden ingezet onder een boom aan de takken waarvan ‘een groot aantal botten van een dier hangt’, et cetera.

De populier begon als een running gag te werken. Ik moest aan de kanariegele daf van Freek de Jonge en Bram Vermeulen denken in hun onweerstaanbaar geestige Neerlands Hoop in Panama uit 1971, met dit verschil dat er met de hardnekkige terugkeer van die populier, soms vermomd, bijvoorbeeld als ginkgo, en dan zijn de schoenen vervangen door gedroogde uitwerpselen, niet veel te lachen valt. Mallo streeft naar ‘een totaal amorele manier’ van schrijven, en dat leidt tot een emotieloze reportagestijl zonder toon- of sfeerverschil; de lezer voelt zich, al dan niet conceptueel gesproken, in de rol van puzzelaar, van cryptogrammenoplosser gedrongen.

Waar is het de auteur om te doen? Om de rol van het toeval?

Het beste deel van het boek is het derde, Lab, dat in een aantal opzichten afwijkt. In formele zin: het begint met een massief blok van zeventig pagina’s, zonder alinea’s en zonder punt; daarna volgt weer een flink aantal losse stukjes, maar anders dan in de twee eerste boeken betreft het nu een samenhangend verhaal, al zijn de gebeurtenissen zo mogelijk nog radicaler het resultaat van irreële, conceptuele computerspinsels. Een tweede belangrijk verschil: dit deel is expliciet autobiografisch, Mallo heeft het over zichzelf, zijn eerdere werkzaamheden en dit Project, waarvan het onderhavige boek tegelijk als de uitvoering mag worden gezien.

Hoewel ‘van nature een nomade’, aldus Mallo, komt hij liefst de deur niet meer uit. Dat is veelzeggend: Nocilla experience schreef hij in een penthouse met een ruim terras waar hij precies eenmaal is geweest, namelijk toen de makelaar het hem liet zien en hij, Mallo, daar tot zijn schrik bloemen en planten zag die hij ‘uiteraard meteen’ weghaalde of met cementlijm overgoot. Mallo haat de natuur, met het toeval kan hij alleen leven als het door de computer wordt gefabriceerd. We volgen hem nu dus op zijn artificiële reis naar een camping op Sardinië, waar zijn vriendin gaat zwemmen en grote hoeveelheden slipjes koopt – voor het verloop van het verhaal van wezenlijk belang – terwijl hij aan zijn Project werkt. Uiteindelijk belandt het stel in een agriturismo, dat ooit als gevangenis en daarvoor als klooster had gefunctioneerd en waarin nu een vreemd heerschap huist dat zich gaandeweg, voor de lezer niet verrassend, als dubbelganger van Mallo manifesteert.

Mallo geeft meer dan eens hoog op van bewonderde voorgangers: Borges, Calvino, Cortázar, Vila-Matas. Vooral Cortázars Rayuela: een hinkelspel wordt, ook in de commentaren, graag aangehaald. Maar dat is te veel eer. Vergeleken bij het vitale, in het reële leven wortelende engagement van de Argentijnse grootmeester verbleekt Mallo’s speelsheid tot die van zijn bleke, impotente achterneefje. Dat hij zijn trilogie zelf een reactie noemt ‘op het overbrengen van bepaalde aspecten van postpoëtische poëtica’s naar het rijk van de fictie’ helpt niet echt. De logorree in Lab deed me eerder denken aan hoogdravende outcasts als Kerouac, Ginsberg en Vinkenoog.

Europese Literatuurprijs

De Europese Literatuurprijs groeide uit tot een lijst laureaten (en genomineerden) die, als je terugkijkt, leest als een who’s-who van de Europese letteren. Van Julian Barnes tot Sandro Veronesi, van Johan Harstad tot Ali Smith en, vorig jaar, Saša Stanišic voor zijn roman Herkomst.

Niet alleen selecteert de jury op de originaliteit en vertelkracht van de auteur, net zo belangrijk is de bekwaamheid en brille van de Nederlandse vertaler. Beiden worden zodoende bekroond, met tienduizend euro voor de schrijver en vijfduizend voor de vertaler. De prijsuitreiking zal dit jaar op 5 november plaatsvinden op het Crossing Border Festival in Den Haag.

Lees in De Groene besprekingen van alle vijf de genomineerde romans van dit jaar.