Menno Hurenkamp

Eenzijdige opzegging

Dagenlang stonden advertenties in de kranten waarin toneelgezelschappen het perfide Den Haag de wacht aanzeggen. Met citaten uit de literatuur wordt de lezer ingepeperd dat Haagse ambtenaren gevaarlijke types zijn. Er staat net niet: fascisten. Dat het ook Haagse bureaucraten waren die de kunst en cultuur lang alle ruimte gaven doet er niet toe. Dat bij het aantreden van Rick van der Ploeg iedereen al moord en brand piepte vanwege het overlijden van de algemene vaderlandse esthetica weet niemand meer. Laat staan hoe gemakkelijk het in de jaren negentig voor handige culturele jongens was véél geld te halen. Met de juiste beleidssteekwoorden – divers, divers – pakten slimme instituten tónnen subsidie voor niet al te bijzondere activiteiten. Op die relatieve welvaart was van alles aan te merken, maar dát het welvaart was is vergeten.

Aldus licht amnesisch richten de cultuurmakers zich boos op de politiek. Sturen brieven aan Balkenende en de krant met als strekking: wij zijn héél belangrijk maar ook zielig. In hun permanente verontwaardiging zien de artiesten het gevaar over het hoofd. De politiek werkt in opdracht van de burgers. Nee, dat is soms niet best, maar niets aan te doen. En veel van die burgers vinden het nog steeds flauwekul om bloot rond te springen in tomatensaus. Zeker als dat kunst heet. En al helemáál om dat te doen met belastinggeld. De recente rechtse oproep om doodleuk vijftien miljard te bezuinigen op subsidies komt dan ook niet uit het niets. Het is de rechtstreekse vertaling van Heleen van Royens verbazing jegens Joost Zwagerman in Zomergasten: schrijf jij dan niet voor het geld? Wie geen betalend publiek vindt is een loser zonder spreekrecht. Door het idee van «eigen verantwoordelijkheid» meent de politiek dat de burger met deze opvattingen gelijk heeft. Cultuurmakers denken nog dat zij samen met de politiek de maatschappelijke opdracht hebben de burgers te beschaven. Dat Den Haag hen dekt wanneer zij energieke plannen verzinnen. Zo is het immers decennia geweest. Maar de politiek heeft die opdracht al lang teruggegeven.

De burger moet zijn eigen vervolmaking regelen, met een studielening en een zelf gespaard sabbatical en een schouwburg abonnement. Hij krijgt hooguit nog straf bij wijze van beschaving. Niet voor niets formuleert staatssecretaris Medy van der Laan géén visie op cultuur. Ze streeft bewust naar onzichtbaarheid – om duidelijk te maken dat het pact tussen staat en kunst voorbij is. Uw probleem is het mijne niet, zegt ze tegen de acteurs, schilders en dansers. Deze eenzijdige opzegging is véél ingrijpender dan wat bezuinigingen, en lijkt in het gekrakeel onderbelicht te blijven. Is het voor de kunst een bevrijding om niet meer te hoeven beschaven, of een ramp? Zouden kunst- en cultuurmakers niet juist voorop moeten lopen bij de vernieuwing van de band met het publiek – in plaats van te jammeren dat ze onmisbaar zijn? Hoe zit dat?