Eer en geweten van een politiebaas

Sinds de commissie-Van Traa is de politie de kwaaie pier. Zijn er ook nog politiebazen met schone handen? Hoofdcommissaris Piet Tieleman: ‘Er zijn veertigduizend politieambtenaren. Die hebben met het doorlaten van drugs en met Delta-methoden geheel niets te maken.’
PIET TIELEMAN (51) is mogelijk een van de vriendelijkste, meest informele en meest toegankelijke politiebazen van Nederland. De korpschef Zuid-Holland Zuid zit in zijn riante kantoor te Dordrecht - geerfd van de Rijkspolitie - in zijn overhemd. Zijn tuniek trekt hij uitsluitend aan als het moet, de gegalonneerde pet zet hij het liefst af. Hij zegt, ietwat verontschuldigend: ‘Het eerste wat je vroeger deed als je bij de politie wat hogerop kwam, was in burger rondlopen. Dat is veranderd. Ik ben tijdens mijn werk vrijwel altijd in uniform, je wordt betaald om gezag uit te oefenen. Maar het eerste wat ik doe als ik thuis kom: uniform uit en spijkerbroek aan!’

Hij is beheerst openhartig. Hij vindt het hoofdelement van het politiewerk communicatie. Sterker nog, zegt hij: het vak is communicatie. Hij besteedt er uren aan om zijn visies naar buiten te brengen. Van Traa. De reorganisatie. De positie van de korpschef. De drugs. De maatschappij. De nieuwe en principieel andere structuur van de politie. Het cellentekort. De vrouwen in de korpsen. De grenzen van de wetgeving. Het gebruik van videocamera’s. Alles.
Hij is, vindt hij, een gewone jongen. Getrouwd. Gescheiden. Weer getrouwd. Vader bovenmeester. Moeder onderwijzeres, een ‘heel rechtstreekse vrouw’. Hij zegt: 'Ach, als ik achter in mijn dienstauto stap, een Mercedes, moet ik wel eens aan haar denken. Ik hoor haar zeggen: kijk die eens!’
Op het bureau tutoyeert iedereen hem, nu ja: bijna iedereen, de allerjongste agent niet. Maar de secretaresse wel. Het is duidelijk dat hij een tikje chargeert: kijk, ik heb geen kapsones. Maar achter de uiterlijke informaliteit schuilt duidelijk de baas.
Hij heeft een relatief bescheiden schoolopleiding: HBS-a. Daarna drie jaar de politieschool. Het kon net, hij was precies 1 meter 75, het minimum. Daarna, hij was toen voor in de twintig, inspecteur te Rotterdam, hoofdinspecteur bij de verkeerspolitie, staf recherche. Hij klom en klom, tot hij in 1989 hoofdcommissaris in Dordrecht werd. Hij verklaart: 'Elk mens wordt wel geboren met een paar talenten. Die moet je zo goed mogelijk gebruiken.’ Hij zit in, of is voorzitter van, welgeteld 22 commissies, stuurgroepen en raden. Van veiligheid, parkeerbeleid, rampenbestrijding tot nodeloze alarmering en opleiding. En al wat daar tussen kan zitten.
Eerst even 'Van Traa’ uit de weg. Hij wil het er liever niet over hebben. Hij gaf zijn visie over Van Traa de dag voor het rapport uitkwam. Van Traa, oordeelt hij, is een facet, maar een belangrijk facet. Van Traa gaat over een ongewenste uitwas waarbij aan de kant van de politie een relatief gering aantal mensen was betrokken. 'Er zijn’, zucht hij, 'in dit land veertigduizend politieambtenaren. Die hebben met het doorlaten van drugs, met een Delta-methode geheel niets te maken. Maar bij het grote publiek is ons imago geschaad. Zo werken de dingen nu eenmaal. Kijk, in de diepte gaat het natuurlijk om de vraag: wat kan en mag de politie doen? Laat me voorop stellen: de politie moet zich aan de wet houden. Altijd. Wat de politieman doet, onder welke omstandigheden ook, moet hij kunnen verantwoorden. Hij moet altijd rondlopen met de jurisprudentie in zijn hoofd. Maar dit gezegd zijnde: het is onmogelijk alles tevoren te regelen. Het is niet de aard van de politieman een boef te laten lopen die hij kan vangen. Maar…’
HIJ KOMT ongevraagd met een voorbeeld uit zijn eigen praktijk. 'Neem nu eens dat je hoort over het plan een bank te beroven. Je kent de jongens wel, ze zijn gevaarlijk. Ze kunnen schieten. Dan sta je voor de keus: door laten gaan of kapot maken. Wel, ik heb een paar keer in mijn leven gekozen voor kapot maken. Domweg omdat het risico te groot was. Dus dat was de keus tussen de boef en het publiek. Het publiek of de politiemensen zelf zouden gevaar kunnen lopen. Dit soort zaken in de wet regelen is moeilijk, al zeg ik niet dat het onmogelijk is. Als je het van tevoren kan toetsen, dan moet je dat natuurlijk doen. Bij een officier van justitie, bij een rechter-commissaris. Maar als dat onmogelijk is, moet je naar eigen eer en geweten kunnen handelen.’
Piet Tieleman vindt ook dat het de politie niet te moeilijk moet worden gemaakt. 'Je moet een werkzame situatie houden.’ Hij heeft zorgen over de plannen om de toegestane hoeveelheid soft drugs voor eigen gebruik te gaan beperken tot vijf gram. 'Het is niet aan de politie om te zeggen dat dit niet mag of moet. Maar men moet wel bedenken dat zo'n maatregel het werk van de politie erg moeilijk zou maken, misschien wel onmogelijk.’
Hij maakt zich openlijk zorgen om het voordeur-achterdeur-beleid. 'Het is natuurlijk ethisch en politioneel een ongezonde situatie. We gedogen aan de voordeur wat we aan de achterdeur niet willen toestaan.’ Hij laat doorschemeren dat voor hem, vanuit zijn vak geredeneerd, legalisering de enige goede oplossing is. 'Maar,’ geeft hij toe, 'we zitten internationaal, met bijvoorbeeld de Fransen, in de klem.’ En hij stelt: 'Als je het drugsprobleem zou kunnen elimineren had je meteen een oplossing voor het cellentekort.’
WAT VINDT DE commandant van de gedachte dat een hoge politiefunctionaris eigenlijk niet langer dan vijf jaar op zijn stoel zou moeten zitten? 'In principe is daar wel wat voor te zeggen, maar vijf jaar is kort. Daarvoor zijn de praktische problemen te groot. Je wordt in een regio aangesteld, je bent van die regio. Je weet als het goed is alles van je gebied, je kent iedereen. Je hebt een familie, je hebt misschien nog opgroeiende kinderen die op een school zitten. En je moet ook willen. Ze moeten mij niet voorstellen naar het oosten van het land te verhuizen, daar heb ik al eens gewoond.’
Het zuiden dan? Hij lacht: 'Maastricht is een enige stad. Maar er zijn meer functies. Opleidingsinstituten bijvoorbeeld, ik noem maar wat. Kijk, om het geld hoef je het niet meer te doen. U vroeg net naar mijn inkomen, wel, ik verdien 170.000 gulden per jaar. Duizend gulden in de maand erbij - en daar gaat dan zestig procent belasting af - zet geen zoden meer aan de dijk. En vijf jaar op een post is een beetje kort. Misschien heeft de minister vijf jaar geopperd om uit te komen op acht jaar.’
Overigens vindt hij doorschuiven onderdeel van een veel grotere manoeuvre bij de politie. De hele structuur, de samenstelling van het menselijk potentieel, is in beweging. 'We gaan weer meer en meer de straat op, de buurt in. Maar niet meer alleen met de agent. We trekken mensen aan met een hogere of veel hogere opleiding en die gaan in de buurten en vooral de probleembuurten een voortrekkersfunctie vervullen. We hebben hier in Dordrecht in bepaalde wijken opmerkelijke resultaten behaald. Kijk, als je in een probleembuurt zeg twintig etters weet te elimineren door ze min of meer te reclasseren, dan til je een hele wijk op.
Je ziet het ook bijvoorbeeld bij de recherche. Je hebt bij de politie steeds meer specialistische kennis nodig. Dat heeft tot gevolg dat de academici bij ons binnen rukken. Accountants, wetenschappers, fiscale deskundigen, mensen met speciale sociale vaardigheden. En al deze hoog opgeleide functionarissen zul je ook op straat tegen komen.’
Hij schetst uitvoerig de brede, gecoordineerde pogingen de kwaliteit van de politie te verbeteren. Het gebeurt nog in stilte, maar intern zijn de resultaten al merkbaar, volgens hem.
Toch heeft het publiek de indruk dat er veel minder politie op straat is dan vroeger.
'Luister, er is een hard gegeven: we hebben in dit land een budget voor de politie, voor de opsporing. Dat is het bedrag dat we met zijn allen voor de politie over hebben. Ga niet vitten op kleinigheden, van het beschikbare budget kunnen we veertigduizend politiemensen betalen. Het is niet aan mij, de ambtenaar, om te verklaren dat dit te weinig is. Waarschijnlijk heb je nooit genoeg. Maar hoe dan ook: met veertigduizend manschappen moeten we het doen, zo goed mogelijk. Daar komt dan dit bij: de maatschappij is veranderd. We gaan niet meer met elkaar om zoals dertig, veertig jaar geleden. We worstelen met nogal grote problemen. De politie is een spiegel van de samenleving. Maar je kunt niet de politie belasten met de oplossing van de problemen van de samenleving. We doen zo veel als we kunnen zo goed mogelijk, gegeven de omstandigheden.’
HEEFT HIJ IN HET geheel geen kritiek op de politiek? Ja, natuurlijk wel, vooral op het gebrek aan consistentie in de politiek. Hij geeft een voorbeeld. 'Er is bij sommige gemeentebesturen, wethouders, de neiging daden te stellen. Bijvoorbeeld, omdat de buurt dat zo graag wil, het instellen van een dertig-kilometerzone. Dan zegt de burgemeester: jongen, dat is niet verstandig, ik heb niet de manschappen om die dertig kilometer af te dwingen, doe het maar niet. Maar het gebeurt toch. En er verandert niets, ze rijden even hard als vroeger. De wethouder naar de burgemeester, op hoge poten. Waar blijft de politie? Het is maar een voorbeeld. En natuurlijk zie je nu gebeuren dat de mensen zichzelf gaan beschermen. Er komen straatwachten uit de burgerij. Men gaat in zee met particuliere beveiligingsdiensten. Noem maar op. Dat is allemaal best, zolang de burgerwachters maar beseffen dat ze niet meer macht hebben dan welke burger ook. Ze mogen geen wapen hebben, ze mogen geen geweld gebruiken, ze mogen hooguit als dat kan iemand arresteren die ze op heterdaad betrappen. Elke burger heeft dat recht. Maar er mag nooit geweld gebruikt worden.’
Automobilisten, maar ook voetgangers, klagen over het gedrag van fietsers. Geen achterlichten meer, geen richting aangeven, met zijn drieen naast elkaar rijden. Geen rode lichten meer erkennen… 'Ja, dat is een van die veranderingen in de maatschappij waar we mee te maken hebben. We doen wat we kunnen. En controleren helpt. Soms. Even. Zie bijvoorbeeld de snelheidscontroles op de A2. Maar het is een beetje dweilen met de kraan open, het is een ontwikkeling binnen de maatschappij, ik zei dat al. We hebben in de recente grote reorganisatie personeel van het platteland gehaald naar de steden. Dat heeft wel iets geholpen. Maar dan zie je bijvoorbeeld in Zeeland, met die grote afstanden tussen politieposten, dat ze het wellicht niet helemaal meer kunnen bijbenen.
Ik geef toe: het onfatsoen zit mij ook wel eens tot hier. Bijvoorbeeld, ik loop hier in Dordrecht in het centrum, voetgangersgebied, winkels, winkelende moeders met kinderwagens, en dan komt er zo'n fel gekleurde auto met basboxen snoeihard aan. Er zitten een paar van die knullen in met van die petjes achterover op het hoofd en ze geven echt de indruk: ga weg of ik rij je ondersteboven. Bij mij komt dan de neiging op een keer over die auto heen te lopen. Ik onderdruk dat prompt, want anders zou er sprake zijn van wat ik het Rio de Janeiro-effect noem, waarbij de politie het recht in eigen handen neemt. Ik kan in burger helemaal niets doen natuurlijk. Ik moet me beheersen. Maar als ik daar nu zou lopen met mijn drie fors gebouwde zonen…’
Enige seconden later verzucht de hoofdcommissaris: 'Ik heb een ongelooflijke bloedhekel aan geweld.’ Vervolgens: 'Maar als je dan denkt: er moet meer politie komen, dan moet je je wel realiseren dat te veel politie evenmin wenselijk is. Te veel politie willen we in dit land niet. We doen het namelijk in vergelijking met andere landen helemaal niet slecht. Integendeel. In Belgie zijn ze nog steeds bezig het korps te moderniseren, ze zouden, denk ik, willen dat ze zo ver waren als wij. En Frankrijk…’ Tieleman geeft een recensie weg over de Franse politie, de CRS, over de behandeling van allochtonen in de buitenwijken van Parijs, die niet al te mild is.
We komen op de kwestie van de uniforminflatie. Stadswachten. Controleurs op de tram. Personeel van beveiligingsfirma’s. Ze dragen allemaal een soort uniform, meestal blauw, meestal met een pet. Je weet niet meer, is de klacht, of je te maken hebt met politie, met de gewapende macht dus, of met gewone burgers zonder speciale bevoegdheden.
Commissaris Tieleman: 'Ja, er zijn duidelijk wat te veel uniformen.’ Lachend: 'Vroeger kon je een politieman herkennen aan onder andere zijn pet. Nu, denk ik soms, is de politieagent degeen die geen hoofddeksel draagt. Er zouden, vind ik, wat meer regels moeten komen. Het publiek heeft er recht op te weten met wat voor functionaris het te maken heeft. Maar je kunt een echte politieagent altijd wel herkennen aan zijn pistool. Dat draagt hij zichtbaar. Geen enkele andere geuniformeerde meneer of mevrouw mag een pistool hebben.’
ALLOCHTONEN. Hoe gaat het met het inpassen van de allochtonen?
Tieleman: 'Erg goed. We nemen er zoveel mogelijk aan, we zijn nog lang niet aan het percentage dat we nodig hebben. Of ze de taal goed beheersen? Meer dan genoeg om het publiek te woord te staan. Vergeet niet: ze zijn geslaagd voor het examen van de politieschool. Dat is een enorme zeef. En er zijn allochtonen die, ook in hogere functies, uitstekend werk doen. Geen probleem.’
En de vrouwen, worden die geintegreerd in de korpsen?
'Ja. We streven naar vijfentwintig procent, dat halen we nog niet, maar we schieten op. We hebben uitstekende vrouwelijke rechercheurs, ook inspecteurs. En ik vind dat vrouwen eigenlijk elke functie moeten kunnen vervullen die ze ambieren. Alhoewel… vrouwen die niet in de ME willen, hoeven van mij niet. Maar stel dat ze per se willen… Dan zijn er geen principiele bezwaren. Vrouwen hebben een bepaalde functie, ze neutraliseren in het korps het macho-effect. Op straat vervullen ze een kalmerende, neutraliserende rol. Vrouwen slaan niet. En vrouwen sla je niet…’
Reality-televisie. De tv-journalistiek gaat mee met de ambulance, met de politie, overtreders worden aan de kaak gesteld. Goed of niet goed?
Tieleman reageert voor het eerst enigszins heftig. 'Ik vind het gigantisch onbescheiden. Het meekijken bij ernstige ongelukken, dat is een ontoelaatbare inbreuk op de privacy. En ook het meerijden met de politie: ik ben er tegen. Als het mij zou overkomen, zou ik per se uitzending verbieden. Er wordt met die zogenaamde reality- tv volgens mij een grens overschreden.’
Het is duidelijk dat in het korps waar Tieleman de baas is, reality-tv niet wordt aangemoedigd. Maar dan: discotheken stellen nu videocamera’s op, tot in de toiletten…
Tieleman: 'Ik heb daar niets op tegen, de eigenaren van discotheken proberen natuurlijk druggebruik, spuiten en zo tegen te gaan. Maar ik vind wel dat moet worden gemeld dat er videocamera’s zijn. En dan zouden ze mij bij de urinoirs wel mogen filmen, op voorwaarde dat ze alleen mijn rug in beeld hebben.’
Piet Tieleman is niet, zoals vaak voorkomt, door het vak vervormd. Hij vindt dat de Nederlandse politie zonder morren de maatschappij moet accepteren zoals die wordt aangeleverd. En binnen het kader van de mogelijkheden moet je er dan van maken wat er van te maken is.