Eerbetoon aan de seksualiteit

Veronique Olmi
De regen verandert niets aan de begeerte
Vertaald uit het Frans door Truus Boot
De Bezige Bij, 126 blz., € 15,-

Of ze geen momenten van schaamte heeft gekend bij het schrijven van de vele uitvoerige en opmerkelijk openhartige erotische passages in haar nieuwe roman? Mais non! De Franse toneel- en romanschrijfster Veronique Olmi, even in Nederland ter promotie van de vertaling van De regen verandert niets aan de begeerte, kijkt verbaasd op. ‘Het schrijven kent geen schaamte. Dat is juist het bijzondere eraan. In het schrijven word je verlost van elke schaamte.’ Later wel, geeft ze toe, als ze in boekhandels en theaters ten overstaan van de gretige ogen van het publiek fragmenten eruit moest voorlezen. Dan kon ze bijna niet geloven dat zij dat allemaal had opgeschreven. En zo ook deze avond, in het Maison Descartes, waar Olmi de week van het Franse boek met een interview afsloot en vervolgens weigerde een door mij gekozen passage voor te lezen. Goed, de scène van de eerste kus kon er nog net mee door, maar daarna: Non, je ne peux pas! Waarna enige verwarring, zowel bij mij als in de zaal, want wij verkeerden allen in de veronderstelling met een nieuwe Franse schrijfsters te maken te hebben die net als Virginie Despentes en Catherine Millet geen doekjes meer om haar vrouwelijke seksualiteit wenst te winden, maar ze er juist een voor een vanaf wil trekken. Op papier dus wel, maar voor een publiek komt de Franse pudeur weer even om de hoek kijken.
De regen verandert niets aan de begeerte is het door Truus Boot prachtig vertaalde verhaal van een ontmoeting tussen twee mensen die elkaar vagelijk uit de gezamenlijke kennissenkring kennen. Deze bewuste augustusmiddag besluiten ze het dit keer niet bij een sociaal verantwoorde lunch te laten, maar er een erotische ontmoeting van te maken. We komen niet veel van deze man en vrouw te weten, behalve dan dat zij net een pijnlijke scheiding achter de rug heeft en dat hij zijn portie desillusies in de liefde ook wel binnen heeft. Het zijn veertigers, getekend door de vele schipbreuken die vorige verhoudingen geleden hebben, en die nu, voor één middag, al die ellende en verdriet willen vergeten en aan hun grote, bijna wanhopige verlangen naar intimiteit, naar tederheid en naar seks willen toegeven. En dat gebeurt dan ook. In een minimalistische stijl van korte zinnen en sobere woordkeuze beschrijft Olmi zo behoedzaam en zorgvuldig mogelijk wat er vanaf de eerste kus tot aan het laatste standje door de man en de vrouw ervaren wordt, wat het verlangen, de geilheid, de lust tot onderwerping, de wil tot overgave met hen doet. Dat hij door haar te neuken ‘ineens dicht bij haar waarheid komt’ en haar ‘weer bij elkaar raapt en één en verenigd en heel maakt’ en haar zo ‘haar waardigheid’ teruggeeft en dat zij ineens weet dat er ‘toch nog genoeg leven in haar zit om de moedeloosheid van een man in haar handen te dragen’.

De stijl is ingehouden, zeker, maar mist zijn doel niet. Althans niet bij mij. Olmi kruipt als het ware zo dicht mogelijk op de lichamen, ze is de derde die meekijkt, die meegeniet, en die probeert te doorgronden wat er precies in de man en vrouw omgaat. Af en toe laat ze zich gaan en dat zijn de meest poëtische passages in de roman. Niet door het gebruik van lyriek, maar door het ritme van de zinnen te veranderen, door geen punten en nauwelijks komma’s meer te gebruiken, zodat de zinnen aan zichzelf te buiten lijken te gaan en één lange, diepe ademzucht worden. Dan is het net alsof de tijd even stilstaat, of liever, alsof de tijd wordt uitgerekt, zich uitspant en ontspant, net zoals de lichamen van de man en vrouw, waardoor de tekst en de vrijende lichamen in elkaar overlopen en één worden.

Het is, al met al, een bijzondere novelle, van een schrijfster die haar sporen in het theater reeds lang verdiend heeft en die zich sinds een aantal jaren al niet minder bekwaam op het schrijven van proza heeft toegelegd. In tegenstelling tot Virginie Despentes of Catherine Millet weet zij de bij vlagen rauwe en niet van wreedheid gespeende seks te verbinden met de tederheid en de intimiteit van twee elkaar vreemde, beminnende lichamen. Dat het geen simpele pornografie is, komt omdat ze niet nalaat juist die vreemdheid van het andere lichaam te benadrukken, die veroveringstocht door het onbekende die nu eenmaal gemaakt moet worden om het verlangen vrij spel te kunnen geven, met alle obstakels van schaamte, angst en twijfel, maar ook met alle verwondering en verrukking van dien.

Op mijn vraag of de toch ronduit ‘geweldige seks’ van deze man en vrouw, die niet alleen in een klinkend aantal orgasmen resulteert, maar hen ook heelt en moed geeft om weer verder te leven, niet eerder voorbehouden is aan geliefden, antwoordde de schrijfster droogjes: ‘Pour l’amour, il faut un peu plus.’ Voor goede seks ook, dacht ik toen, maar ik deed er maar het zwijgen toe. Want feitelijk comprimeert de novelle van Olmi in nog geen 127 bladzijden wat er zich op erotisch gebied tussen geliefden kan voordoen. Dat is niet alleen een prestatie van formaat, maar ook een eerbetoon aan de seksualiteit die, zeker ook in het werk van Nederlandse schrijfsters, om nog nader te onderzoeken redenen te lang een terra incognita is gebleven.