Autocraten & bureaucraten

Eerbied voor de tsaar

Over autocratische tsaren, almachtige bureaucraten en anarchistische onderdanen.

De revolutionaire gardisten verzamelden zich op de ochtend van 14 december 1825 op het Senaatsplein bij de Bronzen Ruiter, het beeld dat tsaar Peter de Grote voorstelt, de stichter van Sint-Petersburg en de grondlegger van de moderne Russische staat. Peter was tijdens zijn leven een god. Hij leeft voort in dit standbeeld in het centrum van Sint-Petersburg, dat is bezongen door vele dichters. Het volk benadert hem nog altijd met grote eerbied.

De verzamelde adellijke officieren, de «decembristen» genoemd naar de mislukte revolte, geloofden niet meer in de beloften van hervormingen, dat het volk een stem zou krijgen. Ze eisten niet veel: een constitutionele monarchie. Sommigen van hen hadden zich zelfs laten inspireren door het Nederlandse voorbeeld. Alleen een revolutie kon het tij keren, meenden de jonge officieren. Het antwoord van tsaar Aleksandr I was meedogenloos. Hij zette de artillerie in tegen de licht bewapende gardisten. «Tussen de schoten door kon je het bloed horen stromen over de straat. Het warme bloed deed de sneeuw smelten om daarna te bevriezen in een palet van wit en rood», schreef een van de decembristen. De honderden lijken waren voor het einde van de dag verdwenen en de verse sneeuw zorgde ervoor dat de Bronzen Ruiter de volgende ochtend uitkeek over het Senaatsplein alsof er niets was gebeurd.

Peter de Grote zou tevreden zijn geweest over een van zijn nazaten, want zelf was hij een even bruut heerser. Niet bruut genoeg volgens Josif Stalin. De communistische tsaar stak zijn bewondering voor de «grote tsaar» niet onder stoelen of banken, maar vond dat hij bij het hervormen van het achterlijke Rusland tot een staat waar wetenschap, cultuur en nijverheid op moderne leest zouden worden geschoeid, te lankmoedig was geweest. Stalin zou het bij zijn geforceerde industrialisatie, de collectivisatie van de landbouw en het temmen van de intelligentsia in de Sovjet-Unie veel beter doen. Zijn Peters slachtoffers in de honderdduizenden te tellen, bij Stalin hebben we het over tientallen miljoenen.

Aleksandr I kwam na de opstand van de naïeve decembristen op mysterieuze wijze om het leven. Nikolaas I trad aan. Het eerste wat hij deed was Aleksandr Poesjkin ontbieden op zijn zomerpaleis. Poesjkin was tijdens zijn jonge leven al bewierookt en bewonderd als Ruslands grootste dichter. Maar ook hij behoorde tot de romantici die droomden van een rechtvaardiger samenleving. De jonge tsaar vroeg hem op de man af of hij de decembristen steunde. Poesjkin bevestigde dat: «Hoe kan ik dat ontkennen? Mijn beste vrienden waren onder hen.» De tsaar spaarde hem. Andere sympathisanten gingen naar het schavot of naar Siberië.

Poesjkin heeft volgens de man die de culturele geschiedenis van Sint-Petersburg heeft vastgelegd, Solomon Volkov, het paleis na de audiëntie in tranen verlaten. Hij was onder de indruk van de almachtige heerser, zijn leeftijdgenoot. Poesjkin legde de ontmoeting als volgt vast: «Ik zou hem willen haten. Maar hoe? Om wat zou ik hem moeten haten?»

De grote Poesjkin in de rol van de gemiddelde Russische onderdaan die ook vandaag niet weet of hij zijn tsaar moet haten en wat het voor zin heeft dat te doen.

Nikolaas vond dat de almacht van de leider zich zelfs moest uitstrekken tot de uitingen van cultuur. Wie niet naar de pijpen van de Academie der Kunsten danste, riskeerde verbanning naar Siberië. Alles diende onder controle te zijn. De volledige «verticale macht».

Anderhalve eeuw na Nikolaas I hanteert president Vladimir Poetin dezelfde terminologie en dezelfde ideologie. Er is wel vooruitgang: de moderne tsaar zendt niemand naar Siberië, al verkeert een enkele tegenstanders in ballingschap in Engeland of Spanje. In juni belegde Poetin in de troonzaal van de Hermitage in Sint-Petersburg een speciale zitting van de Staatsraad. Belangrijkste agendapunt: de staat moet de cultuur straffer ter hand nemen. De verticale macht heeft zijn tentakels opnieuw naar de cultuur uitgestrekt.

De decembristen van de jaren negentig van de twintigste eeuw zijn niet door mitrailleurs neergemaaid, maar ze worden door de moderne geschiedschrijving nu al net zo beschreven als hun voorgangers uit de negentiende eeuw: «naïef» en «romantisch». In menigten van tweehonderdduizend en meer kwamen ze naar het Manegeplein in Moskou waar ze het vertrek van de communisten en de komst van de democratie eisten.

De tsaar van toen was Michail Gorbatsjov. Hij liet de demonstranten niet doodknuppelen. Van 1986 tot 1991 beleefde de Russische burger voor het eerst in vele eeuwen de zegeningen van de democratie, althans, men genoot van het proces van democratisering. De democratie zelf was nog in het stadium van wording.

De pers schreef wat ze wilde. De communistische partij werd in nieuwe televisieprogramma’s in mootjes gehakt. Corruptie? Daar wisten de media wel raad mee. Heftige polemieken over welke staat er moest ontstaan uit de puinhopen van het communistische experiment doken overal op. Het eerste parlement, het Congres van Volksafgevaardigden met meer dan tweeduizend leden, was een broeinest van nieuwlichterij. Gorbatsjov had nog altijd alle middelen tot zijn beschikking om de volksdemocratie die hij had opgeroepen met harde hand te beteugelen. De KGB en de generaals van de harde lijn probeerden het, achter de rug van Gorbatsjov om. Ze stookten in Bakoe, in Tbilisi, in Vilnius en in Riga. De schade van die interventies was groot. Het werd steeds duidelijker dat het imperium dat met bloed en onderdrukking bijeen was gehouden niet voor de eeuwigheid was gesmeed.

Uiteindelijk konden de sovjetfanaten zich niet meer inhouden en pleegden de coup van augustus 1991. Vreemd genoeg betekende dat niet alleen het einde van het totalitaire communistische systeem en van de Sovjet-Unie, maar ook van het democratiseringsproces.

De staatsgreep mislukte, de overwinningsroes was snel verdwenen. Er was nog even vreugde toen de nieuwe tsaar in het zadel werd gehesen: Boris Jeltsin. Maar al snel werd duidelijk dat Jeltsin in de Oeral nooit had geleerd wat democratie was. Als een despoot brandde hij Ruslands eerste leider die geloofde in de democratie, Gorbatsjov, in het publiek af. Hij voerde hem naar het schavot in het Russische parlement en begon hem te beledigingen, gelijk aan het vierendelen uit vroeger tijden. Twee jaar later schoot Jeltsin hetzelfde parlement dat Gorbatsjov had weggehoond aan flarden. Er is nooit meer iets voor terug gekomen.

De honderdduizenden betogers verdwenen van de pleinen. Om democratie hoefde je niet meer te roepen, die was immers bereikt, brulde Jeltsins propagandamachine. Gorbatsjov droop af door een zijdeur. De verpauperde natie riep hem «boe» toe bij zijn aftocht. Onbegrijpelijk. Hij was de man die hen had bevrijd van het juk. De nieuwe tsaar Jeltsin ontfutselde Gorbatsjov ten onrechte de titel van hervormer en ging ermee aan de haal. Het volk juichte.

De klassemaatschappij was snel in ere hersteld. De elite nam de rijkdommen van het land over en wierp het volk als aalmoes termen toe als vrijemarkteconomie, middenklasse, bezit voor iedereen. De communistische slavernij werd afgeschaft, net als tsaar Aleksandr II de slavernij officieel afschafte in de negentiende eeuw. De boer mocht vrij zijn land bewerken.

Jeltsin ging de nieuwe boeren zelf inspecteren. In het veld staand zei hij tegen de natie: «Die plastic aardappelen uit Nederland die tegenwoordig in onze winkels liggen zijn waardeloos. De Russische aardappel is kruimig en smaakvol. We moeten onze eigen aardappelen behouden.» Daar bleef het bij. Nog altijd komt negentig procent van de aardappeloogst in Rusland van de privé-lapjes grond die de Rus bij zijn datsja heeft. Die kruimige aardappel heeft zeventig procent van de Russen hard nodig om te overleven. Het ging dus weer mis.

Onder Gorbatsjov beleefde Rusland vijf jaar democratisering in de twintigste eeuw. Iets wat op het begin van een liberale beweging leek, was snel om zeep geholpen door de totalitaire knuist, niet zozeer van de tsaar Jeltsin, maar van de almachtige bureaucratie. Een oud probleem in Rusland. De publicist Aleksandr Herzen schreef het al in de negentiende eeuw: «De bureaucraten gedragen zich in Rusland als een bezettingsmacht in eigen land.»

De filosoof Nikolaj Berdjajev kwam in zijn boek Het Russische denken tot de conclusie dat liberalisme nooit enige grond zou vinden in Rusland. Hij verliet Rusland na de revolutie van 1917. «De hervormers uit het midden van de negentiende eeuw kun je als individuen wel liberalen noemen, maar ze hadden geen aansluiting bij de liberale ideologie», aldus Berdjajev. Hetzelfde geldt voor de democratische beweging en de hervormers de afgelopen vijftien jaar. Dat komt, meende Berdjajev, doordat Rusland altijd heen en weer wordt geslingerd tussen anarchie en autocratie. «De ideologie van slavofielen is in feite gebaseerd op anarchie. Slavofielen zijn tegenstanders van de staat en de macht, maar ze kiezen toch voor de tsaar, omdat het volk de macht niet wil.»

Door de geschiedenis heen heeft het volk in Rusland laten weten die positie wel prettig te vinden. De burger heeft zelf geen honger naar de macht, maar houdt zich het recht voor de bureaucratie en de staat te haten en de tsaar te beminnen. De anarchie, aldus Berdjajev, wordt uitgelokt door de staat met zijn vreselijke en almachtige bureaucratie, die de autoritaire tsaar scheidt van zijn volk. «Dat is het lot van Rusland.»

De geschiedenis herhaalt zich. Velen hebben naar de Jeltsin-jaren gekeken als een tijd van complete chaos. Misschien was er tot 1993 sprake van enige verwarring, maar daarna wisten Jeltsin en zijn entourage precies wat zij deden: het consolideren van de macht en het herinvoeren van de autoritaire staat. De grondwet van 1993 legde er de grondslag voor. Na zijn pensionering vertelde Jeltsin mij in zijn buitenhuis in Gorki-9 met tranen in zijn ogen: «Ik kon niet anders. Had ik de macht dan terug moeten geven aan de communisten?» Hij geloofde er heilig in dat het «hij» of «zij» was.

De honderdduizenden demonstranten juichten hem in 1989 en 1990 toe in de veronderstelling dat hij eindelijk de liberale ideologie, de democratie, naar Rusland kwam brengen. Maar nadat hij de Sovjet-Unie had opgeblazen, was Jeltsin deze romantici vergeten. Het ging hem om zijn machtsgroep tegen die andere onder leiding van communistenleider Gennadi Zjoeganov en de rode generaals.

Jeltsin won. Hij diende zijn tijd uit als tsaar en hij bouwde een gigantische bureaucratie om zich heen. Alleen al de presidentiële staf groeide in korte tijd uit tot een apparaat van twintigduizend man. Het gat tussen Jeltsin en volk (zie Berdjajev) werd steeds groter. Over democratie sprak allang niemand meer in de omgeving van de almachtige heerser. Schaamteloos droeg hij de macht over aan zijn kroonprins Poetin. Jeltsin hield nog wel verkiezingen, maar nergens is de «verkiezingstechnologie» zo goed ontwikkeld als in Rusland, het enige land ter wereld met een minister voor de verkiezingen. De man heeft er een dagtaak aan om verrassingen bij verkiezingsuitslagen te vermijden.

Buitenlanders staan erbij, kijken ernaar en zeggen: «Je moet Russen natuurlijk de kans geven te groeien in het proces van democratisering.» De Russische bureaucratie lacht zich een bult om dergelijke westerse rapportages. Dat proces is in Rusland allang niet meer aan de orde: men is het Westen vele stappen vooruit met de ontwikkeling van de «gestuurde democratie».

President Poetin heeft, gesteund door een vloed van oliedollars, het proces van de verticale macht teruggebracht naar het niveau waar tsaar Nikolaas I was blijven steken. De «vreselijke» en «almachtige» bureaucratie van Berdjajev is nog verder uitgebouwd. Het land met zijn 89 districten en deelrepublieken is nu opgedeeld in zeven gewesten waar een gouverneur-generaal uit naam van de tsaar de plaatselijke gouverneurs controleert. Deze zeven gouverneurs-generaal zijn benoemd door de president. Deze gouverneurs-generaal hebben uiteraard hun eigen immense bureaucratische apparaat. De lokale gouverneurs worden wel gekozen, zij het via de beproefde democratische methode der «verkiezingstechnologie». In het systeem van de verticale macht wordt niets aan het toeval overgelaten.

Op zijn traditionele grote persconferentie voor het begin van de lange zomervakantie heeft de president er vorige maand geen twijfel over laten bestaan dat een democratische ontwikkeling, een liberale samenleving en een vrije pers niet snel een plaats krijgen in Rusland. Poetin zei: «Rusland is niet het land voor een parlementaire republiek. Alleen een presidentiële republiek kan de problemen van dit land oplossen.»

De slavofiele anarchie sluimert intussen nog wel altijd door. Tsaar Nikolaas, die dol was op marcherende soldaten, zag zijn verticale macht in gevaar komen na de dramatische oorlog op de Krim. Kort daarna kreeg hij griep, maar volgens sommige historici kon hij de vernedering niet verkroppen en pleegde hij zelfmoord. Poetin heeft zijn eigen Krim: de oorlog in Tsjetsjenië.

Tsaar Nikolaas had als bijnaam «de Don Quichot van de autocratie». Deze tsaar, die het beste voorhad met Rusland, geloofde dat uiterlijk vertoon en windmolens die hem van alle kanten bedreigden, voldoende waren om een sterke staat te vormen.

De bijnaam van Nikolaas zou Poetin niet misstaan. Kijk naar de paleizen die hij in Sint-Petersburg heeft laten restaureren ter meerdere glorie van de staat en niet van zijn burgers. Kijk naar zijn vijanden: Tsjetsjenen, kritische journalisten, liberale politici, ongehoorzame oligarchen, onafhankelijke politieke partijen en publieke organisaties. En naar zijn dédain voor verkiezingen. «Ik voer geen reclamecampagne, ik ben geen tampon,» zei hij in de aanloop naar zijn eerste verkiezing in maart 2000. Het parlement, de staatsdoema, ziet hij slechts als een instituut dat zo snel mogelijk wetten moet aannemen die zijn apparaat of zijn regering hebben bedacht. Een modern land zonder parlement staat niet netjes. Daarom bestaat de Doema nog. Er is geen enkele controlerende functie voor dat parlement weggelegd.

Eenmaal lid van het parlement hoef je daarover niet te klagen, want de 450 leden maken in feite deel uit van de bureaucratie die de tsaar scheidt van zijn volk. De materiële vergoeding voor die dienende taak is redelijk goed te noemen.

Aleksandr Jakovlev, de man die glasnost bedacht voor Gorbatsjov en behoorde tot het team van echte democraten dat hem omringde, schreef in 1991 het boek Perestrojka, hoop en realiteit. Hij schrijft daarin: «Wanneer de wet de norm wordt van het leven, dan leeft de mens in harmonie met de samenleving.» Dat was de inzet van de decembristen tijdens Gorbatsjov.

De Russische burger leeft nog altijd niet in harmonie met de samenleving. Als het aan de bureaucratie ligt die de nieuwe «Don Quichot van de autocratie» omgeeft, zal dat tot in lengte van jaren ook niet het geval zijn. Het volk oefent intussen verder in anarchistisch gedrag door de wetten van het land aan zijn laars te lappen en Don Quichot aan te moedigen op een autoritaire manier verder te bouwen aan zijn virtuele samenleving. Tot het weer mis gaat.