Eerder toeval dan kunde

Amerikanen vinden de manier waarop wij in Nederland films maken ‘cute’. Inderdaad. We hebben goede scenaristen – we kunnen wel iets – maar het systeem waarbinnen ze werken is ziek.

Her en der – bij de studerende jeugd aan wie ik wel eens les geef – vroeg ik, zoals onlangs na afloop van een college, of ze Helena van der Meulen, Ger Beukenkamp of Frank Ketelaar kenden.

Nee, daar hadden ze nooit van gehoord. Ik vertelde dat het schrijvers zijn, scenaristen, genomineerd voor de LIRA-scenarioprijs, voor de films Bluebird, De Kroon en De uitverkorene. Eén student had De uitverkorene gezien, een meisje dacht dat ze De Kroon voor de televisie had bekeken, en de LIRA-scenarioprijs kenden ze al helemaal niet. Wie de regisseurs van de film waren, konden ze ook niet zeggen.

Het waren studenten die minstens één keer in de week naar de film gingen en vaak twee tot drie keer in de week een dvd’tje opzetten. Ze hielden van Tarantino, Kubrick en Ricky Gervais (The Office). Film zit ze, meer dan literatuur of beeldende kunst, in het bloed.

‘Zijn het goede scenaristen?’ vroegen de studenten.

Ik knikte. Nederland heeft ‘best goede’ scenaristen, maar de Nederlandse film en het Nederlandse drama zijn hier niet populair. Op de vraag: ‘Noem eens een Nederlandse film’, kwamen ze met Zwartboek aanzetten (en natuurlijk Soldaat van Oranje).

Ik geef toe, het is geen wetenschappelijke enquête, maar wel veelzeggend.

En wonderlijk is het niet.

Filmdrama, dat is hier: Gooische vrouwen, of Voetbalvrouwen. Drama, dat zijn politieseries, van Baantjer tot Van Speijck. Drama is Waltz. Drama is vooral nadoen wat in Amerika veel eerder en veel beter is gebeurd. Drama stelt in Nederland niet zo veel voor. De kitsch is aan de macht, de soap is de norm.

Kun je dat de Nederlandse scenaristen aanrekenen?

Voor een deel wel. Maar scenaristen hebben het niet gemakkelijk. Als je in Nederland een film wilt maken, moet het scenario langs zo’n acht man die allemaal zeggenschap over je scenario claimen: de regisseur (‘Ik had graag de tweede akte wat sterker’), dan de producent (‘Dit is echt te duur’), dan de dramaturg van de omroep (‘Wij zijn een familieomroep’), vervolgens komt de omroepbaas (‘Tja… ik kan erg moeilijk door zo’n scenario heen lezen…’), daarna komen de fondsen: het Filmfonds, het Stifo, Cobo – je hebt hun geld nodig en allemaal willen ze kleine veranderingen, of juist grote veranderingen. Een paar jaar geleden was het nog zo dat je een Engelse scriptdoctor moest nemen als je in aanmerking was gekomen voor een Telefilm. Geen onaardige mensen, overigens, die scriptdoctors. Maar ook die stelden veranderingen voor. Steeds gaat dan je scenario heen en weer en iedere verandering roept weer nieuwe problemen op. Je bent gedwongen zoveel water (en andere substanties) bij de wijn te doen dat niemand de wijn nog proeft en er mierzoete limonade overblijft. (Bij Najeeb en Julia – een moderne Romeo en Julia – maakten we mee dat men voorstelde: die zelfmoord aan het eind… moet dat? Later deed zich bij Medea precies hetzelfde voor: ‘Die kinderen van Medea… Moeten die dood?’ Waarop ik zei: ‘Goed idee, laten we Jezus Christus verfilmen en Jezus niet aan het kruis nagelen!’)

Je doet alles voor de subsidie, want zonder subsidie kan in Nederland nou eenmaal geen film gemaakt worden. En als je dan eindelijk mag draaien (je mag niet draaien namelijk als het fonds nog niet heeft toegezegd), krijgen de acteurs het ‘hun bek’ niet uit. En wanneer je film eindelijk klaar is, komt hij één of twee keer op de televisie. En dan sterft hij. Er wordt niets meer mee gedaan. Soms wordt er een dvd van gemaakt, maar dat dekt de kosten van de film niet.

Het gebrek aan Nederlands filmdrama heeft alles te maken met ons gepolder. Niemand durft de verantwoordelijkheid voor het product (de film) op zich te nemen. Angst is de raadgever. En daarnaast is de mentaliteit van de beslissers (fondsen, omroep) verre van artistiek en zijn de fondsen beperkt; aan alle kanten voel je dat Nederland klein is. Ga maar na: van elk verkocht kaartje krijgt de producent een halve euro. Stel, een film kost ongeveer een miljoen euro. Om alleen al uit de kosten te komen, moeten er dus twee miljoen mensen heen… Naar de best bekeken Nederlandse films (vaak familie- of kinderfilms) gaan ongeveer een miljoen mensen – dus je komt dan nog een miljoen bezoekers te kort. En vaak kosten die kinderfilms meer dan één of twee miljoen. Reken zelf uit hoeveel Nederlandse bezoekers naar Zwartboek zouden moeten om de film uit de kosten te doen komen. (Antwoord: veertig miljoen.)

Ook niet onbelangrijk om te noemen als we het drama van het Nederlandse filmdrama willen verklaren is het Nederlandse filmrecensentendom. Op een handvol uitzonderingen na is het weinig… wat zal ik zeggen… enthousiasmerend. Als een Nederlandse film in première gaat, verzint de chef-film altijd hetzelfde: een interviewtje met de regisseur of een acteur en een recensietje – op z’n hoogst. Het gebrek aan visie of een goede verwoording daarvan wordt opgelost met het inzetten van een ster, of twee sterren, of soms wel vijf. Een recensie krijgt driehonderd woorden, als het gaat om een bijzondere film soms vijfhonderd. Dat moet dan een miljoenenproduct beoordelen.

Nederland is een land met filmers, regisseurs en scenaristen, cameramensen, kortom een crew, die allemaal hart en ziel voor hun vak hebben, maar bijna alles waar ze van afhankelijk zijn, heeft dat niet.

Wij houden niet van onze filmmakers.

Mike van Diem maakte met Karakter een film waarvoor hij een Oscar kreeg. Een Oscar! Een hogere onderscheiding bestaat niet in filmland.

Hij heeft tot op heden geen film meer gemaakt.

Fons Rademakers kreeg voor De aanslag een Oscar. Een Oscar! Een hogere onderscheiding bestaat niet in filmland. Hij maakte nadien geen films meer en stierf waarschijnlijk met die Oscar in zijn hand.

Paula van der Oest (Canon Award, Gouden Kalf) kreeg voor haar film Zus en Zo een Oscarnominatie. Hoger kun je bijna niet reiken. Ze verloor nipt.

Nadien zijn al haar filmvoorstellen in Nederland afgewezen! (Anekdote: een of ander fonds zei over het scenario: ‘De plot deugt niet.’ Maar dat was nota bene de plot van het boek dat Paula wilde verfilmen.)

Nog één voorbeeld: Eddy Terstall. Won drie Gouden Kalveren met Simon. Drie! In 1999 begon hij de productie, in 2004 kon hij draaien. Nu, drie jaar later, kan hij pas met een nieuwe film beginnen, als alles doorgaat…

Hoe kan dit? Hoe kan het dat regisseurs (en hun scenaristen) die zich op alle fronten al bewezen hebben, zich opnieuw moeten bewijzen? In Nederland is de situatie zo dat elke regisseur voor elke film die hij wil maken weer opnieuw eindexamen moet doen.

In Amerika gaat dit anders. Harder – maar wel met meer eerbied voor de scenarist en de regisseur. Natuurlijk, ook Amerikaanse regisseurs zitten voortdurend achter geld aan te jagen, maar een investeerder gelooft wel of niet in een product en denkt niet: als ik dit en dat mag veranderen, dan doe ik mee. Een omroep stelt een producent verantwoordelijk – en haalt die geen kijkcijfers, dan is alles meteen van de baan. Het herschrijven van scenario’s komt in Amerika misschien wel vaker voor dan hier, maar ten eerste wordt dat goed betaald – elke rewrite opnieuw – en ten tweede zijn er maar een paar mensen bij betrokken.

Ik heb het geluk gehad hierover met Steve Buscemi te kunnen praten toen ik in Amerika was. Ik vroeg naar zijn ervaringen bij The Sopranos, volgens mij de allerbeste televisieserie ooit gemaakt. Steve speelde in enkele afleveringen mee en regisseerde de serie een paar keer. Hij vertelde over hbo, het Amerikaanse netwerk waar bijna alle goede series vandaan komen, en David Chase. David Chase, de bedenker en executive producer van de show, is voor alles verantwoordelijk. Alles gaat via hem. Volstrekt autoritair. (Wie er trouwens iets meer van wil weten, raad ik het aprilnummer van Vanity Fair aan, waarin een mooi gesprek met Chase staat.) Chase inspireert de scenaristen (‘Wie heeft er nog een mooi verhaal… vertel maar… Oké, gebruik dat voor een storyline’). Hij bepaalt alleen de editing van elke aflevering. Hij bepaalt de re-shoots. Hij houdt de karakters bij – hij is, kortom, voor alles verantwoordelijk. Zelfs voor de muziek. Je kunt het ook anders zeggen: hbo heeft blind vertrouwen in hem. Zelfs als hij plotseling een van zijn maffiafamilieleden als homo uit de kast laat komen. hbo zegt: doe maar – tenzij de kijkcijfers dalen. The Sopranos hoefde niet de beste kijkcijfers te halen – het product moest wel geld opbrengen.

Als ik vertel hoe wij in Nederland werken, vinden de Amerikanen dat ‘schattig’ (‘cute’). Ik vermoed dat ze dat woord gebruiken om ons niet te beledigen en hun verbazing niet te tonen. En het klopt ook wel. Het is ‘cute’. Cute, dat we iedereen maar over onze producten laten meebeslissen. En nog weer een dramaturg, en nog weer een scriptdoctor. (‘Maar het is wel overheidsgeld…’)

De LIRA-prijs komt sowieso terecht bij een goede scenarist – we kunnen wel wat in Nederland – maar het systeem waarbinnen hij werkt is ziek. Als de films goed zijn geworden, is dat eerder het gevolg van toeval dan van kunde.