Coen Simon

Eerder zot dan rot

COEN SIMON
LACHEN OM NIETS: EEN ABSURDE FILOSOFIE VAN DE MENS
Prometheus, 218 blz., € 15,-

Wat maakt ons aan het lachen? En welke functie heeft de lach in ons leven? In Lachen om niets laat Coen Simon zien welke antwoorden filosofen op deze en verwante vragen hebben gegeven. Hoewel de lach in eerste instantie een uitdrukking lijkt van blijdschap en plezier is het opvallend dat veel vroege filosofen het lachen als een teken van minachting en hoogmoed zagen. Zo was volgens Plato het lachen meestal gemengd met leedvermaak, Montaigne zag het als een blijk van geringschatting en Hobbes was van mening dat de kern van het lachen uitlachen is. Ook Descartes zag in spot, de vreugde die vermengd is met haat, een van de belangrijkste redenen tot lachen en Baudelaire beschrijft dat lachen voortkomt uit een besef van superioriteit.
Velen zien de lach als een reactie op het mislukken van een handeling van een ander, zoals uitglijden, door een stoel zakken, of versprekingen. Degene die lacht doet dat dan vooral omdat hijzelf nog overeind staat. ‘Ik zal niet zo stom zijn om een opgebroken trottoir over het hoofd te zien of een straatkei die de weg verspert’, schrijft Baudelaire. De laatste beschouwt de lach als een bewijs van de verdorven aard die de mens eigen is, maar maakt dit inzicht op zich weer tot een bron van ironie, waarmee hij vooral moraalridders en te ernstige academici belachelijk maakt.
Toch verschilt zijn observatie niet veel van de geestelijken in de Middeleeuwen die in het stuipachtige vertrekken van het gelaat iets duivels zagen. Het schijnt dan ook dat de vraag of Jezus ooit heeft gelachen destijds tot hevige debatten leidde. Het is een van de belangrijke thema’s in de roman van Umberto Eco, De naam van de roos, waarin het verhaal van Aristoteles’ verdwenen werk De komedie verteld wordt. Veruit het langste fragment dat Simon in zijn boek opneemt is wonderlijk genoeg afkomstig uit deze roman. Waarom in plaats van dertig pagina’s Eco niet nog wat meer Baudelaire opgenomen, of iets van Bergson, of Montaigne? Baudelaire is een van de weinige denkers die in zijn betoog over de lach zelf ook erg humoristisch is. Zo neemt hij gestichtgekken als voorbeeld, en meent hij dat wij in het lachen dicht bij de waanzin komen en ons van onze meest dwaze, onzinnige kanten laten zien.
Montaigne zou het, ondanks zijn heel andere stijl van schrijven, wel met Baudelaire eens zijn geweest. Volgens hem kun je om dezelfde situaties lachen en huilen, en is het de levenshouding die bepaalt voor welke reactie je kiest. Hij verkoos de lach, want, zo schreef hij, ‘ik denk dat wij eerder onbenullig dan ongelukkig zijn, eerder dwaas dan kwaad; eerder zot dan rot, eerder stumpers dan schoften’. Volgens Montaigne moet je daarom niet te veel waarde aan de dingen hechten en kun je mensen beter belachelijk vinden dan dat je medelijden voelt.
Kortom, met het lachen schep je een gezonde afstand tot de medemens en het leven. In feite geeft Freud een vergelijkbare verklaring voor de lach, die volgens hem eveneens vaak door spot bepaald wordt, maar dan wel door een vorm van spot die je ook op jezelf kunt richten. Volgens Freud voelt het ‘ik’ zich in de lach onkwetsbaar, het zegeviert boven datgene waarover het lacht, zoals een volwassene om een kind lacht dat niet beter weet. Als je op deze wijze om jezelf kunt lachen, creëer je een afstand tot jezelf die je volgens Freud tegen het lijden beschermt.
Opmerkelijk aan de verzameling filosofische stukken in Lachen om niets is dat maar weinig filosofen over woordspelingen of meer abstracte humor schrijven. Weliswaar noemen diverse denkers de incongruentie als oorzaak van de lach, maar Plessner is eigenlijk de enige die de talige kant van grappen belicht. Hij beschrijft hoe in het spreken betekenissen elkaar kunnen overlappen, waardoor er een tegenstrijdigheid ontstaat die de taal overstijgt, wat ons vervolgens aan het lachen maakt. Plessner wijdt zich sowieso aan veel meer verschillende vormen van het lachen dan de meeste denkers die Simon bespreekt. Zo komt bij Plessner ook de lach als uiting van verlegenheid, spel en vreugde ter sprake.
Naast een uitgebreid overzicht van de ontwikkelingen binnen de filosofische theorieën over de lach biedt Simon een bloemlezing van treffende citaten. Aan deze fragmenten gaan steeds korte inleidingen vooraf die nogal eens overlappen met het overzicht. Dit wekt de indruk dat het boek vooral is bedoeld om in te bladeren en op te zoeken wat bijvoorbeeld de zo neerslachtige filosoof Schopenhauer over de lach heeft te melden, of wat de meer psychoanalytische theorie van Freud erover zegt. Dit doel dient het boek optimaal. Juist de ernst waarmee veel filosofen zich over een in eerste instantie lichtzinnig verschijnsel hebben gebogen, heeft een komisch effect. Op luchtige wijze laat Lachen om niets zien dat het grappige een bijzonder serieuze aangelegenheid kan zijn, en omgekeerd.