Rotterdam rehabiliteert verloren zoon

Eerherstel voor Pietje Bell

Decennialang waren de oer-Rotterdamse vertellingen van Chris van Abkoude over Pietje Bell taboe in de openbare bibliotheek van zijn eigen geboortestad. Nu staat Rotterdam klaar voor de rehabilitatie van haar verloren zoon, die in 1916 emigreerde naar Amerika.

In 1900 proclameerde de Zweedse schrijfster Ellen Key de twintigste eeuw tot «de eeuw van het kind». In haar gelijknamige boek beschuldigde de onderwijzeres opvoeders wier inspanningen er alleen maar op waren gericht kinderen om te vormen tot «een nuttig lid van de maatschappij» van misdadig gedrag. Key verwierp de hardvochtige onderwijsmethoden van haar tijd en riep op tot bescherming van de schoolgaande jeugd tegen de wereld der volwassenen. «De regenbuien uit Volwassenenland mogen er niet doordringen, de schoolmuren moeten een bastion tegen de barre wereld van armoede, oorlog en gruwelen zijn.» Daarmee werd het idee van het kind als een wezenlijk andere entiteit met andere behoeften dan de volwassen mens geboren.

Ook in Nederland zou het nog heel wat decennia duren voordat dit inzicht gemeengoed werd. Ondanks het «kinderwetje van Van Houten» uit 1875 — de eerste wet tegen de kinderarbeid — leefden de meeste kinderen in het Nederland van rond de eeuwwisseling in precies dezelfde misère als hun ouders. De algemene leerplicht die in 1901 werd ingesteld, zorgde er weliswaar voor dat kinderen tot hun twaalfde levensjaar verplicht naar school gingen, maar daar golden even strenge «normen en waarden» als buiten de klas. De belangrijkste educatieve instrumenten van de gemiddelde Hollandse schoolmeester bestonden uit de opvolgers van het Spaanse rietje, te weten de «plak» en de «rotting», en aanverwante tuchtigingen als opsluiting in een donkere kast, waarmee de aangeboren kinderlijke zondigheid diende te worden uitgebannen. Immers: wie zijn kinderen liefheeft, kastijdt hen, zoals de oud-Hollandse pedagogiek verordonneerde. Doel van het onderwijs was het kweken van nuttige leden van de maatschappij, God en autoriteiten vrezend, gedisciplineerd om zich te storten in een leven van «fatsoenlijke armoe».

Daartegenover stond rond 1900 de onmiskenbare vernieuwingsdrift van een nieuwe generatie onderwijzers en pedagogen, die wél oog hadden voor de specifieke behoeften van het opgroeiende kind. De Haagse onderwijzer Jan Ligthart, de schrijver van Ot en Sien, pleitte in zijn weekblad School en leven voor een nieuwe vorm van onderwijs, die niet langer van bovenaf werd opgedrongen, maar aansloot bij de kinderlijke beleving. In Amsterdam verkondigde de jonge onderwijzer Theo Thijssen, de schrijver van Kees de Jongen, soortgelijke ideeën. Als onderwijzer in het Rotterdamse Crooswijk stond Chris van Abkoude in het kamp van die vernieuwers. Van Abkoude was in 1901 op twintigjarige leeftijd onderwijzer geworden in de buurt waar hij als zoon van een barbier aan de Jonker Fransstraat was opgegroeid. Zijn lesmethodes waren onorthodox te noemen. Zo gaf hij les met behulp van de poppenkast, waarbij Jan Klaassen voor onderwijzer speelde.

Bij zijn leerlingen kon «meester Chris» niet stuk. Minder te spreken over deze lichtzinnige experimenten was het schoolhoofd meester C.H. Koopen, die de vrijzinnige onderwijzer regelmatig een uitbrander gaf, en van wiens vermaningen ontgetwijfeld iets moet zijn terug te vinden bij drogist Ezebeus Geelman, de boze buurman van Pietje Bell in de Breestraat. Ook van de kant van collega-onderwijzers kwam veel kritiek. «Dhr. Van Abkoude had andere opvattingen over wat goed was voor een kind dan zijn collega-onderwijzers, en dat zorgde regelmatig voor conflicten», zo verklaarde Van Abkoudes uitgever Kluitman later.

Zijn eerste publicatie was een vlugschrift genaamd Droevig Kinderleven in Rotterdam — een onderzoek naar den toestand van behoeftige schoolkinderen (1903). Het doel van die publicatie was het Rotterdamse gemeentebestuur ertoe te bewegen met een subsidie te komen voor de Commissie tot Kostelooze Voeding van Schoolkinderen, een organisatie van Rotterdamse burgers die collectes hield om kinderen te helpen aan voedsel, kleding en schoenen. Het Rotterdamse gemeentebestuur vond dat de hulp een kwestie diende te zijn van particulier initiatief. De nood onder de Rotterdamse jeugd was echter zo hoog dat de commissie onder de druk dreigde te bezwijken. In de winter van 1902-1903 meldden zich op de wekelijkse uitdelingen van klompen en kleren meer dan tweehonderd kinderen per keer.

In zijn pamflet beschreef Van Abkoude de armste gedeeltes van Rotterdam, met name het beruchte Zandstraatkwartier, alias «De Polder», de plaatselijke poel van ontucht, ongeveer waar nu het stadhuis op de Coolsingel ligt: «Dit gedeelte onzer stad, een poel van onreinheid, liederlijkheid en een enorme opeenhoping van armoe-ellende, werd een vruchtbaar arbeidsveld voor ons. Treuriger en slechter omgeving dan dáár kan men zich voor kinderen niet indenken. Wat de kinderen dáár zien? Vechtpartijen. Dronkemanstooneelen. Schandelijke dierlijke vertoningen! Wat de kinderen daar leren? Vloeken. Stelen. Vuile taal en zelfs… Ontucht! Men huivert, wanneer men zich het lot dier arme kleinen indenkt. Het is op zichzelf reeds verschrikkelijk, armoede onder volwassenen te zien, maar wie ’t nijpend gebrek van ’t uitgeteerde, geel bleke hongerkind aanschouwt, wie de matte, om brood vragende kinderoogjes op zich gericht ziet, voelt zich de keel dichtsnoeren.»

Van Abkoude was anno 1903 niet de enige die aandacht vroeg voor de grote nood onder de Rotterdamse bevolking. Hendrik Spiekman, die de gevreesde eenmansfractie van de SDAP vormde, publiceerde hetzelfde jaar zijn brochure Arm Rotterdam, waarover burgemeester F.B. ’s Jacob zo ontstemd was dat hij zich wekenlang morrend terugtrok op zijn landgoed op de Veluwe. M.J. Brusse, de vermaarde journalist van de Nieuwe Rotterdamse Courant, baarde in 1903 veel opzien met zijn boek Boefje, een schokkend, op de rauwe Rotterdamse werkelijkheid gebaseerd relaas van een elfjarige jongen uit Katendrecht die in de gevangenis terechtkomt.

Na lezing van Van Abkoudes artikelen vroeg het Sociaal Weekblad zich verbijsterd af «of het wáár is dat de gemeente Rotterdam zóó haar werklieden behandelt?» Niettemin bleef de gemeente hardnekkig weigeren geld te steken in eten en kleren voor de duizenden Kruimeltjes van Rotterdam. Het droeg niet bij aan Van Abkoudes respect voor de autoriteiten. Zoals hij schreef aan het slot van Droevig Kinderleven: «Groote, groote wereld, wat ben je klein! Klein in al je wufte pracht, klein met al je grote gebouwen van kunst, kunst, kunst… klein in je peuterig gedoe, klein met al je geld-tellende prulmannetjes met hooge hoeden en zwarte jassen, klein in al je voornaamheid van excellentietjes en edelachtbaartjes en andere afgodjes.»

Die afkeer van autoriteiten werd de rode draad in het oeuvre van Chris van Abkoude, dat veertig boeken beslaat, geschreven tussen 1906 tot 1936. In zijn in 1906 verschenen Bert en Bram was al direct een voorloper van Pietje Bell te vinden: «Bert, het twaalfjarige zoontje van schoenmaker Hak, was een alleraardigste jongen. Zijn koolzwarte ogen schitterden van guitigheid, z’n mond lachte vóór hij ’t zelf wist en z’n heele voorkomen maakte zo’n prettige indruk, dat je hem dadelijk een aardige vent zou hebben gevonden. Hij had een goed en rechtschapen karakter, was onder de dorpsjongens, op een enkele uitzondering na, algemeen bemind, toonde medelijden met armen en zwakken, en tóch… hij was de grootste bengel van het dorp. Niet, dat hij meedeed aan laffe plagerijen of baldadigheid, maar Bert had een onbedwingbare lust tot grappen maken en guitenstukjes uithalen, en dat bezorgde hem dikwijls veel onaangenaamheden.»

Schrijven vanuit kinderlijk perspectief was pioniersarbeid in de tijd dat Van Abkoude zijn eerste boeken voor de jeugd publiceerde. Natuurlijk, er bestonden grote buitenlandse voorbeelden — Tom Sawyer van Mark Twain en Sans Famille (Alleen op de wereld) van Hector Malot, geschreven rond 1875 —, maar in het Nederlandse taalgebied bestond er eigenlijk geen traditie. Jeugdboeken waren niet meer dan versimpelde versies van boeken voor ouderen, meestal bijbels van thematiek, of anders geïnspireerd op de glorie van het vaderland tijdens de Tachtigjarige Oorlog of op de wereldzeeën, of — wat actueler in die dagen — de heroïsche verhalen van Christiaan de Wet over de strijd van de Boeren tegen de Britten in Oranje-Vrijstaat en Transvaal.

Het Nederlandse jeugdboek stond in die tijd nog in de kinderschoenen. Of liever gezegd: in de klompen. Die van Dik Trom bijvoorbeeld. De avonturen van de bolle kruidenierszoon uit Hoofddorp, geschreven door C. Johan Kieviet, hoofdonderwijzer in het gehucht Etersheim, waren een groot succes, mede dankzij de tekeningen van de achterstevoren op een ezel gezeten Dik Trom door Johan Braakensiek, bekend en gevreesd om zijn politieke spotprenten in De Groene Amsterdammer. In de verder van stijf moralisme en braafheid vergeven sector van het Nederlandse jeugdboek was Dik Trom een verademing. «Een echte ondeugenden jongen met een hart van goud», juichte onderwijsvernieuwer Jan Ligthart. Dik Trom is, aldus zijn trotse vader, «’n bijzonder kind, en dat is ie», ondeugend maar recht door zee. Heel wat anders dan die achterbakse klikspaan Bruin Boon, die er alles aan doet om Dik een hak te zetten. Dorpsveldwachter Flipsen is uit hetzelfde treurwilghout gesneden. Beide doen hun uiterste best om het leven van Dik zo zuur mogelijk te maken, maar trekken telkens aan het kortste eind.

Hoewel Dik aan het eind van zijn eerste boek Uit het leven van Dik Trom toch opgroeit tot een verantwoordelijke jongeman, die zelfs intekent voor het Knil in Indië teneinde zijn ouders financieel te kunnen bijstaan, waren de meeste critici niet onverdeeld enthousiast. Met name Dik Troms botsingen met de veldwachter maakten de nodige verontrusting los.

Pietje Bell was in 1914 het denderende startschot van de stedelijke cultuur in de Nederlandse jeugdletteren. De landelijke pastorale van Dik Troms Hoofddorp was hier verruild voor de grootstedelijke jungle van Rotterdam, zoals de held hier geen goeiige dikkerd was, maar een zesjarige jongen met koolzwarte ogen en ravenzwarte ogen genaamd Pietje Bell, zoon van schoenmaker «Jan Plezier» in de Breestraat. In het boek leverde Pietje in turbotempo 117 streken, variërend van een pijnlijke poging tot verwijdering van de wrat op de neus van zijn Tante Cato en een (onbedoelde) brandstichting op school tot een verstoring van een aubade aan de vorstin. Daarnaast hing de titelheld op het verlovingsfeest van zijn zuster Martha nog eens de rode vlag uit, een geste die vier jaar voor de «coup» van Troelstra ook niet vreselijk kon worden gewaardeerd. Het allerergste was dat dit alles zonder ook maar een spoor van moralisme was opgeschreven. Integendeel, de schrijver leek zich geheel met zijn hoofdfiguur te hebben geïdentificeerd, en beschreef alle verwarring door zijn ogen. De afdeling moralisme was toebedeeld aan drogist Geelman en zijn brave zoon Jozef, die zeker wisten dat Pietje Bell voor galg en rad zou opgroeien, maar aan wier zure opmerkingen geen enkele Pietje Bell-lezer zich iets gelegen liet liggen.

«Pietje Bell kwam uit mijn tenen», verklaarde Van Abkoude eens. In het boek had hij de magie van zijn eigen jeugdjaren in Rotterdam verwerkt. Waar barbier Van Abkoude door zijn klanten «Piet Plezier» werd genoemd, heette de goedlachse schoenmaker Bell «Jan Plezier». Van Abkoudes zuster Ida Margaretha leverde de inspiratie voor Martha, de betuttelende doch lieve zuster van Pietje Bell. Pietje Bell was Van Abkoude zelf als kleine jongen, toen hij net als Pietje gaarne mocht paraderen op de Goudse Singel, de Hoogstraat en het labyrint van smalle stegen in het oudste gedeelte van Rotterdam. Dat de figuur van moeder Bell een grote schim is gebleven — een gegeven dat al eens is aangekaart door Gerrit Komrij in zijn essay De ware ondeugd van Pietje Bell (1975) — is waarschijnlijk te wijten aan het feit dat de moeder van Chris vlak na diens geboorte was komen te overlijden.

Ook putte Van Abkoude rijkelijk uit zijn ervaringen voor de schoolklas. In het portret van de oude meester Ster, de onderwijzer van Pietje die aan het eind van het boek sterft, gaf hij een liefdevol beeld van de klassieke Hollandse schoolmeester, het ambt dat hij toen zelf al vaarwel had gezegd. Drogist Geelman was de belichaming van de «geld-tellende, voorname prulmannetjes» waartegen hij zich in Droevig Kinderleven had afgezet. Die autobiografische elementen gaven het werk een vitaliteit en natuurlijkheid waarmee Van Abkoude zijn eerdere werk ruim overtrof. Ook qua taalgebruik verschilde Pietje Bell zeer van zijn voorgangers: hadden zijn eerdere boeken nog te lijden onder een zekere zwaarwichtigheid, het proza van Pietje Bell was licht en soepel als de held zelf.

De kritiek stortte zich niettemin als een roedel hongerige wolven op Pietje Bell. Het huisorgaan van De School met den Bijbel waarschuwde: «Deze prikkellectuur doet kinderen veel kwaad, ontwikkelt den zin voor groven affecten, en staat een gezonden ontwikkeling van den smaak in den weg.» «Geen verkieslijke vriend», zo oordeelde het blad Lectuur voor kinderen.

Van Abkoude was zeer teleurgesteld. Het was een van de redenen dat de schrijver het in 1916 voor gezien hield in Nederland. Met de Holland Amerika-Lijn vertrok hij naar de Verenigde Staten. Anders dan zijn alter ego Pietje Bell, die na een avontuurlijke periode in Amerika terugkeerde naar zijn vaderland en het zelfs tot hoofdredacteur van de Rotterdamse Morgenpost zou schoppen, zou hij zich nooit meer in Nederland vertonen. In New York veranderde hij van naam — Charles Winters — en schreef hij verder aan zijn oeuvre, met in 1923 zijn grote tranentrekker Kruimeltje, het klassieke verhaal van de kleine Rotterdamse verschoppeling («Niemand wou «m hebben, want hij was een schooier»), waarmee Van Abkoude de tragische pendant van Pietje Bell schiep. Ook Kruimeltje kende een hoog autobiografisch gehalte, en dat gaf het werk net als Pietje Bell een buitengewone dynamiek. Helaas werd ook dit meesterwerk vanwege het gebezigde Rotterdamse bargoens en het antimaatschappelijke karakter van de vertelling in brede kring van de hand gewezen.

Een schrijver die in staat is twee figuren te cre eren die in de collectieve herinnering van generaties staan gebeiteld, is een genie. Toch is Chris van Abkoude nog steeds één van de onbekendste schrijvers uit de vaderlandse geschiedenis. Geen straat of pleintje is er naar hem vernoemd in zijn geboortestad, geen plaquette kon eraf, erger nog: tot medio jaren tachtig van de vorige eeuw waren de Pietje Bell-boeken niet eens te leen in de openbare bibliotheken van zijn geboortestad.

«Pietje Bell nog steeds taboe voor de Rotterdamse jeugd», kopte De Telegraaf op 25 april 1984. «Als gevolg van een oeverloze discussie worden de boeken van Pietje Bell al sinds de verschijning geweerd uit de gemeentelijke openbare bibliotheken in Rotterdam. Nog altijd worden in Nederland jaarlijks enkele honderdduizenden exemplaren van de Pietje Bell-boeken verkocht, maar in de twintig à dertig plaatselijke bibliotheken in de Maasstad is het geboekstaafde kattekwaad niet te leen.»

Bibliotheken in andere steden bleven medio jaren tachtig eveneens uiterst beducht voor het gevaar van Pietje Bell. Deze culturele boycot van Pietje Bell kende een lange traditie. In 1965 verklaarde de bekende kinderboekenschrijver K. Norel in een uitzending van Achter het nieuws voor de Vara-televisie de oorlog aan Pietje Bell, naar de mening van Norel «een naar jongetje», die systematisch van de planken van alle openbare leeszaal diende te worden geweerd. Tegenover Martin van Amerongen (in Oom Klaas contra Bel-Hamel Pietje, in Vrij Nederland van 10 april 1965) lichtte Norel zijn weerstanden versus Pietje nader toe. «Vergelijk zo’n jongen als Pietje Bell nu eens met Dik Trom. Dat is een gewone Hollandse jongen met het hart op de rechte plaats. Maar Pietje haalt streken uit met een zeker sadistisch element, waarvan ik op de scène waarin hij een kat achteraan een auto vastbindt na — niet direct een voorbeeld van zou kunnen noemen. Maar het is niet toevallig, dat er direct na het verschijnen van Pietje Bell veel bezwaren zijn gerezen van de kant van de openbare leeszalen. Mijn bezwaar is voornamelijk dat Van Abkoude zijn figuren zonder enige kritiek en zonder enige liefde tekent. Bovendien zijn zijn boeken van een geringe kwaliteit.»

«Het vonnis van Klaas Norel zal ongetwijfeld zwaar wegen», schreef Van Amerongen. «Norel zal er zelf niet aan denken om kleine anarchistjes als Pietje centraal te stellen in zijn boeken, tenzij om het slecht met hen te laten aflopen.» Maar, zo vroeg de verslaggever zich af, ging Norel niet een stap te ver door Pietje van «sadisme» te betichten? «In Norels Stuurman Aart wordt tenslotte met hartstocht gekielhaald, nee, dit boek is zelfs verlucht met een plastisch plaatje van een knaapje dat met zijn hand aan de grote mast is genageld. Zouden dit soort scènes de lezertjes ook niet de nachtrust beroven?»

Erkenning als schrijver kreeg Chris van Abkoude pas postuum. In 1965, vijf jaar na Van Abkoudes dood in Portland, Oregon, meldde zijn uitgeverij Kluitman trots dat er vijftig jaar sinds de verschijning van de eerste Pietje Bell in 1914 reeds honderdduizend exemplaren van het boek waren verkocht. Pietje Bell vierde toen ook al zijn eerste triomfen op het witte doek. Op 26 maart 1964 vond de première plaats van de 85 minuten durende jeugdfilm De avonturen van Pietje Bell (ook wel Pietje Bell, de straatjongen van Rotterdam), naar het boek Pietje Bell’s goocheltoeren, gemaakt door de Limburgse filmer Henk van der Linden, met Jeu Consten in de rol van Pietje Bell. De kritiek was onverbiddelijk, maar ondanks alle gebreken was deze zwart-witfilm goed voor 284.020 bezoekers.

Zo groeide Pietje Bell langzaam uit tot een fenomeen, alle kritiek ten spijt. In het revolutiejaar 1968 werd Pietje feestelijk binnengehaald als proletarische held in het communistische volksdagblad De Waarheid. Onder de kop «Pietje Bell is onverwoestbaar» meldde De Waarheid op 2 november 1968 dat «de schoenmakersoon uit Rotterdams Breestraat» samen met Dik Trom recordhouder was in het aantal verkochte jeugdboeken. De krant liet natuurlijk niet na trots het vlagincident aan het eind van het eerste Pietje Bell-boek te noemen. En presideerde Pietje Bell uiteindelijk ook niet over het revolutionaire genootschap De Zwarte Hand, dat zich ten doel had gesteld te stelen van de rijken om de arme kindertjes van Rotterdam te helpen?

Ook de literaire kritiek werd Van Abkoude heel voorzichtig gunstiger gezind. Dr. Tjaard W.R. de Haan merkte na herlezing van de eerste Pietje Bell op in het Haarlems Dagblad van 9 oktober 1974 dat het zo verguisde boek wel degelijk van een hoog literair gehalte was: «Willem Elsschot in miniatuur, konstaterend en nergens belerend, simpel en direct, heel modern voor een boek uit de ‹belle époque›.»

Ook Gerrit Komrij betuigde zijn liefde voor Pietje Bell. In Vrij Nederland van 23 augustus 1975 schreef Komrij onder de titel De ware ondeugd van Pietje Bell een ode aan zijn jeugdheld. Er wordt, aldus Komrij, «in de boeken van Pietje Bell geruststellend weinig gemoraliseerd», en Pietje’s Bende van De Zwarte Hand, met al zijn inwijdingsrituelen en geheime vergaderingen, was naar de mening van de toekomstige Dichter des Vaderlands een meesterlijke vondst: «Je wilde, na dat gelezen te hebben, nog maar één ding: zelf zo’n bende oprichten. Het was een eer bij de bende te mogen zijn en tot adjudant geslagen te worden, met die absolute gehoorzaamheid aan de leider, zo typerend voor jongens.»

In de jaren tachtig brak literator Hans van Straten een lans voor het werk van Van Abkoude. Hij verzette zich vooral tegen de gekuiste versies van Kruimeltje die uit pedagogische overwegingen na de oorlog op de markt waren gebracht. Zo zou de originele beginregel van het boek — «D’r uit of ik trap je d’r uit» — in ere moeten worden hersteld, in plaats van het ongelukkige substituut: «D’r uit en geen praatjes». Van Straten eiste de originele Kruimeltje terug. «Dat knoeien met de stijl van Kruimeltje heb ik altijd heel karakteristiek gevonden voor het verval van het jongensboek na 1945», schreef Van Straten. «Want het jongensboek is in verval geraakt. Het realisme is met een flinke scheut Hollands gootwater aangelengd. Het avontuur is verschrompeld. De romantiek is verdwenen. De dramatiek is dood. En wat bleef er over van de genadeloze spanning waarmee zo’n boek je in je nek greep, een spanning die maakte dat je dóór las, tot diep in de nacht, soms bij clandestien licht, alleen maar omdat je het boek niet kon neerleggen?»

In 1984 publiceerde Tom Baudoin van de Interuniversitaire Werkgroep Kinder- en Jeugdliteratuur in het vakblad Literatuur een studie over het «kinderlijk perspectief» in Kruimeltje. Baudoin: «Wat Kruimeltje interessant maakt is de kennelijke ambivalentie van een auteur die schrijft voor kinderen en die zich daartoe weliswaar conformeert aan heersende opvattingen over ‹het kind›, maar tegelijk een ander idee over het kinderlijke heeft dan deze opvattingen toestaan.» Baudoin wees op de ontembare vrijheidsdrang in het werk. «Kruimeltjes vrijheidsdrang en uitbundige drift beleving moeten dan ook wel botsen met de beschavingsnormen van de volwassenen», aldus Baudoin.

Achter het pedagogische principe van Kruimeltje gaat een veel wildere, anarchistische strekking verborgen, een vorm van protest van de jeugd tegen de volwassene, en daarmee is Kruimeltje te benoemen als een verre voorloper van de nozembeweging van de jaren zestig. Van Abkoude zelf, aldus Baudoin, was «een halve wilde», met een geheime boodschap naar kinderen, die de oudere lezers ontgaat.

Dankzij de sfeervol gemaakte verfilming van het verhaal van Kruimeltje door regisseuse Maria Peters uit 1999 — met 1,3 miljoen bezoekers de best bezochte Nederlandse film van het laatste decennium — leefde de belangstelling voor het werk van Chris van Abkoude weer op. De hereniging van Kruimeltjes vader en moeder heeft menig traantje doen vloeien, ook buiten Nederland. Op het internationale kinderfilmfestival van Chicago van 2001 werd Little Crumb door een kinderjury gekozen tot beste film en op het Internationaal Filmfestival voor Jongeren en Kinderen in Uruguay kreeg El Miga zowel de kinderjuryprijs als de publieksprijs. Vorige week presenteerde Maria Peters wederom met groot succes haar Pietje Bell-film, zodat nu ook Pietje klaar staat om ver buiten de landsgrenzen triomfen op het witte doek te vieren. Van de acht boeken die Chris van Abkoude schreef over Pietje Bell zijn meer dan anderhalf miljoen exemplaren verkocht, terwijl er van Kruimeltje inmiddels een half miljoen zijn afgezet.

Het is kortom de hoogste tijd voor een rehabilitatie van de Mark Twain van de Lage Landen. Te beginnen in Rotterdam, de stad waar Chris van Abkoude zo van hield dat hij er twintig jaar na zijn vertrek nog altijd prachtige boeken over schreef, het Rotterdam dat op 14 mei 1940 voor eeuwig werd weggebombardeerd en alleen voortleeft in de herinnering en in de boeken van Pietje Bell. Op vrijdag 20 september vond daartoe in de fractiekamer van de Rotterdamse Stadspartij in het stadhuis aan de Coolsingel de oprichtingsvergadering plaats van het Comité De Zwarte Hand. Doel van het genootschap is de volledige rehabilitatie van deze grote Rotterdamse schrijver, wiens pionierswerk ten bate van de Nederlandse jeugdliteratuur na bijna een eeuw van opperste verguizing eindelijk moet worden erkend. Tijdens de bijeenkomst, geleid door Manuel Kneepkens, de dichter-politicus van de Rotterdamse Stadspartij, werd daartoe een reeks initiatieven bedacht, variërend van een standbeeld van de schrijver met zijn twee belangrijkste geesteskinderen, een Pietje Bell-postzegel, tot een jaarlijkse Pietje Bell-lezing, als aanvulling op de reeds bestaande Pierre Beyle-lezing in de Rotterdamse Laurenskerk. De leiding van de Openbare Bibliotheek aan de Maas is inmiddels berouwvol op zijn schreden teruggekeerd en leent Pietje nu gewoon vrij uit, zonder restricties.

Binnenkort verschijnt van René Zwaap en Jan Maliepaard de biografie De vader van Pietje Bell: Leven en werk van Chris van Abkoude, bij uitgeverij Mets & Schilt

Met dank aan het Fonds voor Bijzondere

Journalistieke Projecten