Waaraan ik een ode zou willen brengen, vroeg een studentenblad. Welk boek, kunstwerk, wat dan ook. Gulliver’s Travels, denk ik eerst. Het boek van Jonathan Swift dat ik las toen ik achttien was, waarvan ik dacht dat het me voorgoed de ogen opende, vooral het vierde deel waarin hij kennismaakt met de walgelijke Yahoos.

Van de week nog, toen ik moe in de nachttrein zat. Ik zag mijn medereizigers bezig, de een at een banaan, de ander speelde met zijn telefoon, iemand las een boek, bladerde door een krant. De tl-balk in de coupé scheen nog ’s bij. Wat een gedoe. Wat zijn mensen toch lelijk, eng, hulpbehoevend. Al die ledematen op niks af, die vlezige monden. Eenmaal hier beland denk ik: Jonathan Swift. Zo diep zit zijn blik verankerd. Niet leuk genoeg om over te vertellen. Mulholland Drive wordt het, van David Lynch. Ook de verbeelding van een nachtmerrie, maar dan met mooie vrouwen. Ik denk eigenlijk altijd dat ik een boek moet schrijven als Mulholland Drive, hoe hovaardig dat ook klinkt. Vlak voordat ik erover word geïnterviewd heb ik de neiging nog eens van alles op te zoeken over de film. Alsof ik straks een college moest gaan geven, in plaats van een interview. De film is eigenlijk te moeilijk, maar dat klinkt weer zo afschrikwekkend. Terwijl dat deel van zijn aantrekkingskracht is. Het heeft iets te maken met kunstmatigheid, niet bang zijn te laten zien dat je iets maakt dat niet echt is. Terwijl het toch ook geen spelletje is. Frans Kellendonk heeft daar iets over gezegd, en ik moet altijd opzoeken wat dat ook weer was, zozeer zijn het niet mijn woorden, zozeer is het níet wat ik zelf had kunnen verzinnen: dat als het goed is een kunstwerk weliswaar probeert de geheimzinnige werkelijkheid te gehoorzamen, maar dat dat gebeurt in een sfeer die niet zelf de werkelijkheid is. Het is precies wat Lynch, en ja, ook Swift, doet: hij toont de werkelijkheid als de droom, of nachtmerrie zo je wilt, waaruit niet valt te ontwaken.

Laatst kreeg ik het verzoek een essay over de liefde te schrijven voor een relatief nieuwe glossy. Esther Gerritsen en Arnon Grunberg waren me hierin voorgegaan, dus niet Estelle Gullit en Jan Smit. Het moest zowel persoonlijk als beschouwend zijn, maar vooral persoonlijk. ‘Het zou fijn zijn als het verhaal herkenbaar is en meeslepend en emoties bevat.’ Vroeger kreeg ik altijd een rood hoofd als iemand vroeg ‘waar gaat je boek over’ en ik niks anders kon verzinnen dan ‘over de liefde’. Inmiddels zeg ik gewoon dat het gaat over de vraag hoe mensen kunnen veranderen nu er geen grote ideologische modellen meer beschikbaar zijn. En als die ander ’t nog niet op een compulsief gapen heeft gezet, voeg ik eraan toe dat ik schrijf over hoe mensen nog verbindingen kunnen aangaan in een maatschappij gekenmerkt door individualisme en verdeeldheid. Ik had dit overgeschreven uit het programmaboekje dat werd uitgereikt toen Angels in America van Tony Kushner werd opgevoerd in de Stadsschouwburg.

Nu kreeg ik het opnieuw warm van dit essayverzoek. Ter inspiratie stond ook nog dit in de mail: ‘Misschien heb (of had) je een relatie met een man die niet communiceert, ben je een keer vreselijk bedrogen (of bedroog je zelf), misschien heb je gedate, heb je te veel vrijheid nodig om een relatie aan te kunnen, ben je heel erg jaloers… Dat is aan jou.’

Nu ik het overtyp zie ik dat er geen vraag is naar dumpen of gedumpt worden, zoals ik me de mail herinnerde. Dat komt misschien doordat ik het net met m’n dochter daarover had gehad.

Weet jij hoe het is om gedumpt te worden? vroeg ze mij.

Nee, zei ik.

Stel je voor dat ik ‘ja’ had gezegd. Wat had ik haar moeten vertellen?

Stel je voor dat ik een essay ga schrijven over mijn relatie met een man die niet communiceert. Dat ik te veel vrijheid nodig heb. Dat ik Mulholland Drive vooral zo mooi vind vanwege de lesbische seksscènes. Sinds dit weekend weet ik dat Kees Prins is vreemdgegaan toen hij veertig was. Ik weet dat Frans Thomése’s favoriete lichaamsdeel ‘kont’ is. Dat Arthur Japin twee geliefden heeft die hem telkens zeggen hoeveel ze van hem houden, maar dat wist ik al. Dat Halina Reijn tegen de muur gezet wil worden door een brute man. Ik zie de lieslaarzen van Jeanine Hennis-Plasschaert op een foto bij een kranteninterview en weet nog dat ik me een hoer voelde toen ik laarzen kocht in New York. Oké, ze waren rood. Dat gevoel van strak leer om mijn kuiten, hoe ik me om en om draaide voor een spiegel in een winkel aan Broadway. Ik zal het nooit vergeten, net zo min als ik zal vergeten hoe snel het went, die laarzen. ‘Beetje vingeren, beetje porno kijken’, antwoordde Tatum Dagelet, gevraagd naar haar bezigheden zoal. Het is al weer een tijd geleden dat ik dat las, en toch hoef ik het niet op te zoeken, zeg ik het drie keer daags als een mantra.