Over wat je kunt zeggen, en wat niet

Eerlijke taal – en dat plusje

‘Beste reizigers.’ De overheid overdenkt de mogelijkheden voor genderneutraal taalgebruik, dat de diversiteit van de samenleving moet weerspiegelen. Het mannelijke en vrouwelijke alleen volstaan niet meer. En ook de termen voor huidskleur verschuiven razendsnel.

Of we onze ogen dicht willen doen, en alleen de woorden tot ons willen laten komen. Het is niet duidelijk wie er aan het woord is in het openingsverhaal van het onlangs verschenen De dwaler van Roos van Rijswijk, een vluchteling, vreemdeling, een buitenaards wezen misschien. In ieder geval iemand die zich ervan bewust is dat het moeilijk, zo niet onmogelijk is, zichzelf volkomen begrijpelijk uit te drukken. Het heeft te maken met taal op zich, die net als ons bewustzijn altijd ontoereikend zal zijn, waardoor je soms beter kunt dansen als je iets duidelijk wil maken, of schilderen. Maar er is ook nog het feit dat hij, of zij, of hen, een andere taal spreekt en zich moet zien uit te drukken in een vreemde taal met een ander vocabulaire. Zo kan hij niet het woord vinden voor de uitdrukking die bij hem thuis zoiets betekent als: verdriet dat valt als een zware kraag.

Van Rijswijk roept in haar verhaal de sensatie van onvertaalbaarheid op, en biedt even zicht op een nieuwe gevoelsdimensie.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Stephan Sanders Groene-redacteur Marja Pruis over genderneutraal taalgebruik en wat je wel of juist niet kunt zeggen. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Iets dergelijks gebeurde in de Amerikaanse sciencefictionfilm Arrival (2017) van Denis Villeneuve, waarin aliens op aarde landen van wie gevreesd wordt dat ze op oorlog uit zijn. Er moet een linguïste bij komen om hun voor ons onbegrijpelijke tekens te ontcijferen en daarmee hun bedoelingen te doorgronden. Het niet-lineaire handschrift van de aliens blijkt te corresponderen met een volkomen andere tijdsbeleving. Door de taal te leren maakt de linguïste in Arrival zich een andere manier van denken eigen, sterker nog: ze raakt verzoend met het drama in haar leven omdat zij dankzij die vreemde taal op een nieuwe manier heden, verleden en toekomst ervaart.

‘Het is belangrijk in welke taal je leeft om je te kunnen uiten’, schrijft Mira Feticu in de Liefdesverklaring aan de Nederlandse taal die ze onlangs publiceerde. Van oorsprong Roemeense heeft ze zich het Nederlands toegeëigend toen ze zich bij haar liefde in Nederland voegde. In het hoofdstuk ‘Taal en context’ roept ze de frustratie op die ze in de eerste jaren in Nederland voelde als ze haar man in het Nederlands verhalen hoorde voorlezen aan hun dochter. Als ze vér na haar dochter de sprookjes van Grimm leest, komt ze erachter dat ze hetzelfde zijn als in het Roemeens en toch ook weer niet. Leest ze bijvoorbeeld over Doornroosje’s huid ‘zo wit als sneeuw’, dan moet ze beslissen of ze zich de dikke sneeuw voorstelt waarin je in Roemenië tunnels graaft, of voor de losse sneeuw die in Nederland als je geluk hebt eens in de vijf jaar op de stoep warrelt.

‘De woorden en de betekenissen hebben zich in de loop van de tijd in mijn hoofd uitgesmeerd als een door een auto verpletterde kikker.’

Neem ook zoiets als ‘kaas’, die in het Nederlands jong belegen kan zijn, of belegen, maar in het Roemeens ongeveer de geschiedenis van het land weerspiegelt. Onder Ceauşescu was kaas, cascaval, niet makkelijk te krijgen, en dus kreeg het woord ook de betekenis van een extraatje, het beste van iets. Naar de cascaval reiken betekent: overdreven pretenties hebben. Ook kon je in de cascaval komen te zitten: een ruim betaald overheidsbaantje krijgen waarmee je rijk kunt worden zonder te hoeven werken. ‘Sommige woorden dragen te veel geschiedenis mee’, aldus Feticu. ‘Als je ze gebruikt, voel je je alsof je net gescheiden bent en een andere man kust.’

—————

Het is een romantisch beeld, de taalgebruiker als minnaar én gevangene van zijn taal. Vooral omdat het impliceert dat er lonkende vertes zijn waar hij nog geen weet van heeft. Alsof er altijd nog delen van je bewustzijn liggen te slapen, tot ze door een andere taal, vreemde woorden, worden wakker gekust. Wij zijn meer dan de taal die we toevallig gebruiken. Het is ook een potentieel bevrijdend beeld, als je denkt dat door iets in de taal te veranderen, de aanspreekvormen bijvoorbeeld, of de woordenschat, je de blik van iemand kunt bijstellen, of iemands denken kunt veranderen. Dit laatste ligt impliciet ten grondslag aan de adviezen en handreikingen waarmee de overheid de laatste jaren taalpolitiek bedrijft, gehoor gevend aan activisten en inspelend op een veranderende samenleving waarin mensen zich niet gezien of verkeerd gezien voelen. Blijkbaar is de tijd rijp. Rijper in ieder geval dan ik ooit had kunnen denken toen ik in de jaren tachtig algemene taalwetenschap studeerde en nog dacht dat met de taal ook de wereld zou veranderen, of andersom: dat we met andere woorden ook op andere ideeën zouden kunnen komen.

Deels waren die grote verwachtingen terug te voeren op de Sapir-Whorf-hypothese, die ook de linguïste in Arrival het hoofd op hol brengt. Dit is een taalwetenschappelijke hypothese van begin twintigste eeuw, genoemd naar de Amerikaanse taalkundigen Edward Sapir en Benjamin Lee Whorf, die een verband veronderstelt tussen de taal die iemand spreekt en de manier waarop diegene de werkelijkheid waarneemt. Van tijd tot tijd en in meer of minder afgezwakte vorm komt deze hypothese, ook wel de hypothese van linguïstische relativiteit genoemd, weer opduiken. In feite grijpt ze terug op de oergedachte dat taal de spiegel zou zijn van de ziel van een natie, of van de volksaard. En dat er dus iets te kneden valt, aan de taalkant.

Wil je mensen in beweging brengen, of een nieuw perspectief onder de neus wrijven, dan kun je beginnen met de dingen anders verwoorden.

In de jaren tachtig waren we gek op de Sapir-Whorf-hypothese, omdat we er de wereldveranderende potentie van zagen, én omdat ze ons nederig stemde. Wij Europeanen, al denk ik dat we onszelf toen nog westerlingen noemden, zouden nog wat kunnen leren van andere volkeren, die we toen nog dachten te kunnen aanduiden als inheemse volkeren. De Hopi-indianen bijvoorbeeld, die overigens inmiddels beter niet meer indianen genoemd kunnen worden, zouden meer respect voor de natuur hebben dan wij, omdat zij werkwoorden bleken te hebben voor verschijnselen waarvoor wij alleen maar zelfstandige naamwoorden hebben, zoals onweer, lawaai, storm. En omdat wij tijdsbeleving uitdrukken in telbare eenheden, zoals dagen, minuten, gaan we er zo zuinig en gespannen mee om.

Ik had studiegenoten die afreisden naar reservaten waar nog quechua werd gesproken, en terugkeerden als andere mensen. Ze gooiden hun agenda uit het raam, stonden onaangekondigd bij je op de stoep, bleven eten, slapen, gelukkig duurde het allemaal nooit lang.

De belachelijkheid ligt met terugwerkende kracht op de loer. Of eigenlijk is het weerstand die zich vermomt als lacherigheid. Gewoon, omdat iedere taalgebruiker specialist is en het liefst de zaken houdt zoals hij ze met veel moeite heeft geleerd. De persoonlijke voornaamwoorden, de d’s, de t’s, de meervoudsvormen, de enige juiste spelling, om nog maar niet te spreken over de woorden op zich, woorden die erbij komen, woorden die niet meer kunnen. Het stáát allemaal ergens voor, mensen houden van hun taal, klampen zich eraan vast, willen nooit het gevoel krijgen opeens ‘niks’ meer te mogen zeggen zonder voor seksist, racist, homofoob, te worden uitgemaakt. De gevoeligheid ligt altijd dicht onder het oppervlak, net als de angst voor verandering.

—————

Het denken over taal en denken nam bij mij destijds een hoge vlucht, van een vage Arrival-achtige bevrijdingsromantiek tot een tamelijk ver gaande vrijheidsstrijd. Want als je er even over doordenkt, De tweede sekse op je nachtkastje hebt liggen en bier tapt in het vrouwencafé, rijst toch al gauw de vraag: wie heeft ooit waartoe onze taal in elkaar gezet? Is onze taal niet een instrument van het patriarchaat? Om deze vraag niet alleen zonder blozen te kunnen stellen maar ook met vanzelfsprekend aplomb te beantwoorden, kun je het best te rade bij in het Frans schrijvende feministische filosofes, en zeker in die tijd was daar gelukkig geen tekort aan.

Zo was daar Luce Irigaray die de vrouwelijke identiteit vooral in het talige vond en in de jaren tachtig teksten schreef als Parler n’est jamais neutre en Le sexe linguistique. Voor het bijvak antropologische linguïstiek schreef ik een werkstuk waarin ik het principe van uitdrukbaarheid ter discussie stelde. Dit principe was afkomstig van de Amerikaanse taalfilosoof John Searle die taal benaderde als een waardenvrij dynamisch fenomeen, namelijk als het verrichten van taalhandelingen. De onderliggende aanname was dat iedere taalgebruiker in principe aan de ander duidelijk kon maken wat hij bedoelde.

Taal zou de spiegel zijn van de ziel van een natie, of van de volksaard. En dus valt er iets te kneden, aan de taalkant

U begrijpt, dat is best comfortabel zo niet rechts, om daar zomaar van uit te gaan.

Het begrip ‘veilig’ bestond destijds alleen in combinatie met ‘verkeer’, zelfs ‘veilig vrijen’ was nog niet in zwang. Van een veilig studieklimaat had in ieder geval nog niemand enige weet. En dus zie ik mezelf nog zitten in een van die stalige lokalen in het Bungehuis aan de Spuistraat in Amsterdam waar inmiddels de gym is gevestigd van een fancy besloten club met zwembad op het dak, mezelf zo klein mogelijk makend voor de docente die ten overstaan van mijn werkgroepgenoten mijn werkstuk over ‘de principiële onuitdrukbaarheid van de vrouwelijke ervaring’ afbrandde. Hoe ik er toch bij kwam dat iets niet te zeggen zou zijn, in welke taal dan ook? En of ik misschien wat concrete voorbeelden zou kunnen geven van die vrouwelijke ervaringen die in onze patriarchale taal weggemoffeld zouden zijn.

‘Nou?’ keek ze me spottend aan. ‘Wat dan?’

Ik weet niet meer wat ik in reactie stotterde. Ik denk iets met bloed en erotiek, een beetje op z’n Frans. De benamingen voor gradaties van seksueel geweld moesten nog komen overwaaien uit Amerika, van ongewenste intimiteiten tot seksuele intimidatie. De mistige ondertoon van mijn werkstuk miste in ieder geval zijn uitwerking niet op het denken van een jongen in mijn werkgroep die steevast een zwart colbertje droeg en in zijn vrije tijd oude auto’s naar Ghana reed (vroeger zeiden we Afrika). We stonden na afloop van de publieke slachting te roken bij de koffieautomaat en hadden een goed gesprek over het fascistoïde karakter van het principe van uitdrukbaarheid, en de volgende dag – een onschuldige zonnige dag, ‘klimaat’ en ‘probleem’ hadden nog niks met elkaar van doen – belde hij op om te vragen of ik zin had mee te gaan naar het strand. Er zat een enorme langharige hond op de achterbank. Op het strand ging het colbertje uit, en in razend tempo de rest. Het strand bleek een naaktstrand.

Ik kan nog steeds niet goed uitdrukken waaraan ik ten prooi viel op dat moment, behalve aarzeling hoeveel ik kon aanhouden zonder voorgoed tot het tuttendom te behoren. Er is niet echt één woord voor deze oerervaring die het vrouwenbestaan kleurt. Het bevindt zich in die grote grijze schemerzone van mee- en tegenwerking, tussen ‘ik wil niet de lulligste zijn’ en ‘flikker op’. Onder het mom van vrijheid-blijheid word je ergens in gemanoeuvreerd door iemand die zich tot dan toe manifesteerde als een kameraadschappelijke vrijbuiter.

‘In het Portugees bestaat een term voor zo’n type man’, zei een vriendin toen we onlangs een vergelijkbaar incident bespraken. ‘Het betekent zoiets als: hij heeft in zijn kast één pak hangen waarmee hij de wereld in trekt.’ Zouden Portugese vrouwen dan ook sneller weten met wie ze te maken hebben? Of moeten ze zó vaak op hun hoede zijn dat er een woord voor in het leven is geroepen?

—————

Dat taal iets ‘doet’ met je onderscheidingsvermogen lijkt logisch maar is niet zomaar te bewijzen. Zo is nog steeds de vraag hoe in het Nederlands vrouwen het meest zichtbaar zijn, of zich aangesproken kunnen voelen. Veel talen, van het Nederlands tot het Hebreeuws, onderscheiden grammaticale geslachten. In vrijwel alle talen worden mannelijke voornaamwoorden gebruikt als alle mensen worden bedoeld. Het Nederlands zit weliswaar net iets minder ordelijk in elkaar dan het Duits, dat voor elke beroepsbenaming een vrouwelijke en een mannelijke uitgang heeft (‘Liebe Künstler und Künstlerinnen!’ stak Angela Merkel vorig jaar de culturele sector een hart onder de riem), maar biedt meer mogelijkheden voor vrouwelijke aanduidingen dan je op grond van het gebruik zou denken.

Het was een van de hangijzers destijds al. Met de opkomst van de tweede feministische golf werd er vooral gedacht dat je niet specifiek genoeg kon zijn in het benoemen van het vrouwelijke, dus niet alleen consequent hij/zij, zijn/haar schrijven, maar ook zo veel mogelijk gebruik maken van de grammaticale mogelijkheid om de vrouwelijke functie uit te schrijven.

Dit was achteraf gezien van korte duur. Met het inburgeren van het woord ‘gender’ dat in de jaren negentig in de plaats kwam van het al te ondubbelzinnige ‘sekse’, maakten de seksespecifieke taalkeuzes plaats voor de genderneutrale. Het werd beschouwd als een vorm van powerfeminisme, denk ik, dat de directrice zich ‘gewoon’ directeur liet noemen. Een soort verrassingsfeminisme ook: kijk, dat hadden jullie niet gedacht, maar de voorzitter is een vrouw. Dat de secretaresse niet tot secretaris kon promoveren, soit.

Zelf zeg ik ook bij voorkeur dat ik redacteur ben, schrijver, en vele vrouwelijke collega’s met mij. Officieel omdat schrijvers óók vrouwen kunnen zijn en het er niet toe moet doen of een schrijver een man of een vrouw is, stiekem omdat ‘schrijver’ toch beter klinkt. Voor je het weet scheid je damesromans af en kom je nooit in aanmerking voor een literaire prijs. Kunstenares? Iets met naald en draad zeker.

Dat dominantie van mannen ook in taal onwenselijk is, is inmiddels dan toch maar mooi van overheidswege bekrachtigd, zij het dat het vooralsnog erop neerkomt dat dames worden afgeschaft. In de trein roept de conducteur je niet meer wakker met ‘dames en heren, we naderen station Alkmaar’, maar spreekt ze ons aan als ‘beste reizigers’. Het Europees Parlement bracht een paar jaar geleden een richtsnoer uit voor genderneutraal taalgebruik: ‘Gendergelijk en inclusief taalgebruik draagt bij aan de vermindering van genderstereotypering, brengt sociale verandering teweeg en zorgt voor meer gendergelijkheid.’

Psycholinguïste Theresa Redl promoveerde in januari van dit jaar aan de Radboud Universiteit op het effect van genderneutrale taal in de praktijk van alledag. Een opmerkelijk onderzoek, omdat het de link tussen taal en denken ook echt lijkt te kunnen betrappen. Ze vroeg zich af of als in de krant de vraag wordt gesteld ‘Wat kost een student? En wat levert hij op?’, lezers zowel meisjes als jongens in hun hoofd hebben.

Aan zo’n vijfhonderd proefpersonen legde ze op beeldscherm tekstjes voor waarin ‘hij’ en ‘zijn’ werd gebruikt, en pas in tweede instantie duidelijk werd dat het ook ging om vrouwen of een vrouw. Tijdens het lezen legde een camera de oogbewegingen van de proefpersonen vast. Bij sommige woorden bleven de ogen van de lezer langer stilstaan, omdat ze kennelijk lastiger te verwerken waren. Redl verbond hieraan conclusies over wat er gebeurt in de hersenen van de lezer. Die ziet een zin waarin mannelijke woorden staan; de hersenen moeten vervolgens verwerken dat het ook om vrouwen gaat. Zelfs al is de tekst genderneutraal bedoeld, bijvoorbeeld in ‘Als een leerling honger heeft, kan hij naar de eetzaal’, dan wordt die toch in eerste instantie als mannelijk begrepen. Het woord ‘leerling’ is mannelijk, maar de leerling in kwestie hoeft dat niet te zijn. Die kan ook vrouwelijk zijn, of iets anders – maar naar die aanspreekvorm zijn we nog druk zoekende.

Een saillante constatering van Redl was dat vooral de mannelijke proefpersonen bleken te haperen bij het gebruik van het bezittelijk voornaamwoord ‘zijn’, als ook op vrouwen werd gedoeld. Vrouwen lazen zonder aarzeling door, waaruit volgens Redl blijkt dat meisjes er van jongs af aan in getraind worden een neutrale betekenis te geven aan wat ze lezen; anders gaan teksten immers nooit over hen. Is dit erg, zou je je kunnen afvragen. Een beetje, en soms heel erg, al denk ik ook dat het vaak de kunst is zelf op het idee te komen dat iets óók over jou gaat, of óók voor jou is weggelegd, zonder dat je expliciet wordt uitgenodigd om bijvoorbeeld professioneel voetballer te worden, of loodgieter. Aan de andere kant is het natuurlijk niet te doen dat wat voor de een de kunst, voor de ander een vanzelfsprekendheid is. Simpelweg omdat deze zich gezien zijn achtergrond, sekse, kleur, alleen al in een aanspreekvorm of functieaanduiding gezien voelt, zo niet een gespreid bedje kan vermoeden.

Dat de directrice zich ‘gewoon’ directeur liet noemen werd in de jaren negentig beschouwd als powerfeminisme

En nog iets anders. Vraag iemand naar zijn favoriete schrijvers, geheid krijg je een ander rijtje dan als je expliciet vraagt naar iemands favoriete schrijfsters en schrijvers.

De conclusie van Redls proefschrift was in ieder geval dat je door mannelijke aanduidingen als neutraal of vanzelfsprekend te beschouwen iedereen uitsluit behalve mannen.

—————

Veel van wat nu tamelijk breed wordt gesignaleerd en als ‘kwesties’ aan de orde wordt gesteld op het gebied van taal en taalgebruik komt mij van vroeger erg bekend voor. Neem het interruptiegedrag van premier Mark Rutte tijdens de ministerraad. Zou dit voorheen vooral een mooie casus zijn geweest voor de werkgroep feministische linguïstiek waarin de conversationele strategieën van vrouwen versus die van mannen werden bestudeerd, nu is het iets dat een vrouwelijke minister (voor ‘minister’ bestaat geen vrouwelijke vorm, wat me niet echt toeval lijkt) ter sprake brengt in een praatprogramma op televisie. Vervolgens wordt het fenomeen ‘manterrupting’ – een samentrekking van ‘man’ en ‘interrupting’, zoals een paar jaar geleden de Amerikaanse essayiste Rebecca Solnit de term ‘mansplaining’ muntte – breeduit besproken, ook in de krant, met verwijzingen naar onderzoeken die teruggaan tot de jaren zeventig. En dus staat het er zwart op wit, voor eenieder te lezen: mannen zijn in 99 procent van de gevallen degenen die interrumperen, of het nu gaat om Mark Rutte of Kanye West. Of je collega.

Ik denk dat dat ene resterende procent vrouwen zijn die dronken zijn. En Sigrid Kaag.

Op Kaag zou je als feministisch linguïste kunnen afstuderen. Om aan het woord te blijven heeft zij zich een typisch mannelijke gespreksstrategie eigen gemaakt, namelijk het zogenaamde ‘Wurmsatzsyndrom’, ook wel bekend als ‘das Kraftsyndrom’, met dank aan taalkundige Ursula Zumbühl die ons in de hoogtijdagen van de jaren tachtig verraste met een tamelijk no-nonsense-studie, Frauen und Sprachgebrauch. Eenmaal in staat om dit fenomeen te herkennen, de zin waar geen einde aan komt, gewoon omdat er een woord voor is, verlaat je dit nooit meer. Misschien hoort het bij een bepaalde positie, maar veel mannen hebben er last van: ze beginnen te praten en ze houden er niet meer mee op. Alles is even belangrijk, omdat ze het een aan het ander vastknopen, en mocht het nog niet helemaal duidelijk zijn dat ze voorlopig nog niet klaar zijn, dan kondigen ze alvast aan dat er drie aspecten zijn die ze graag willen belichten, tel maar mee op hun hand. ‘Wurmsatz’, mompel ik intussen, maar ik geef toe dat ik het ook mompel als Kaag aankondigt: ‘Ik wil deze even afmaken’, of afdwingt: ‘Laat me deze even afmaken.’

Het écht opmerkelijke aan powervrouw Kaag is dat ze zich de ‘mannelijke’, competitieve gespreksstrategie heeft eigen gemaakt, maar al naar gelang de context ook nog de ‘vrouwelijke’, coöperatieve stijl beheerst. Iedereen, of nou ja, bijna iedereen, was onder de indruk van de wijze waarop Ploumen en Kaag in aanloop naar de verkiezingen met elkaar in debat gingen, gefocust op de inhoud en op zoek naar een gezamenlijk perspectief.

—————

Wat nu echt anders is, is dat het vrouwelijke en mannelijke niet meer volstaan om de wereld te duiden, en dat het Nederlands dus aan een zogeheten genderupdate toe is. Van iedereen een man maken blijkt niet bepaald een genderneutrale oplossing, maar iedereen in een vrouwelijk dan wel mannelijk hokje stoppen is achterhaald. Opmerkelijk genoeg lijkt de overheid, in de gedaante van de Taalunie, voorop te lopen in het nadenken hierover en er niet voor te terug te schrikken adviezen, handreikingen en woordenlijsten het land in te zenden. Zouden taalveranderingen niet eigenlijk van onderop moeten komen om ook ‘echt’ weerklank te vinden, in plaats van van bovenaf te worden opgelegd?

Aan de andere kant: je moet de mensen soms op een idee brengen. De Zweedse praktijk laat zien dat het kan werken: naast ‘han’ (hij) en ‘hon’ (zij) is het genderneutrale ‘hen’ ingevoerd, dat óók verwijst naar wie zich man noch vrouw voelt. In het Engels begint langzaam ‘they’ ingeburgerd te raken als voornaamwoord voor non-binaire personen. Het is even wennen, de meervoudsvorm voor één persoon, maar dankzij de context snap je wat er staat. De werkgroep ‘genderinclusieve taal’ is zich aan het beraden op hoe ook in het Nederlands kan worden voorzien in de behoefte aan genderfluïde of non-binaire tussenwoorden.

Woorden kunnen kwetsen, brandmerken, stereotyperen. En waar geen woord voor is, zie je niet zo snel. ‘Wie zich thuis voelt in een taal, hoeft zijn woorden niet zo zorgvuldig te wegen’, schrijft Wytske Versteeg in het vorig jaar verschenen Verdwijnpunt, een meditatie over pijn die uitmondt in een bespiegeling op taal. ‘Wat doen we wanneer we praten?’ haalt ze Wittgenstein aan. ‘Hoe geven we betekenis, hoe ontstaat begrip?’

Het is niet langer buitenissig of radicaal om te erkennen dat taal een product is van geschiedenis, geografie en tijd, en in die zin de een beter bedient dan de ander. Taalissues zijn geen academische kwesties meer, maar onderwerp geworden van maatschappelijk debat, aansluitend bij emancipatiebewegingen. Surprise, de chirurg uit de bekende mop met de zoon op de operatietafel blijkt niet alleen vrouw, maar ook zwart. In de inleiding van de onlangs verschenen overheidshandreiking Waarden voor een nieuwe taal: Een veilige, inclusieve en toegankelijke taal voor iedereen in de kunst- en cultuursector wordt opgemerkt dat taalkundige discussies nu vaak zoveel ruimte innemen dat de kern van de daadwerkelijke vraagstukken verloren dreigt te gaan. En dus wordt voorgesteld bepaalde woorden niet langer of juist voor het eerst te gebruiken, zodat er meer ruimte komt voor ‘meerstemmigheid’. Kun je taal in die zin echt opschonen? Bestaat taalkundige gelijkheid als die er in werkelijkheid ook niet is? Hoe ver kun je gaan in het actief benoemen van identiteit?

Dat dit een continu proces is laat de geschiedenis van taalverandering zien. Niemand neemt nog onbewust en te goeder trouw het n-woord in de mond. Een populaire cabaretier wordt publiekelijk aangesproken op zijn homofobe woordkeuze. Leek ‘tot slaaf gemaakte’ een gezochte constructie, ‘slaafgemaakte’ is nu zo gebruikelijk dat het een daad van vijandigheid is om het níet te gebruiken. Mensen zijn niet op de eerste plaats iets níet, en zeker niet niet-westers of niet-hetero. Blank is wit geworden, en zwart is niet niet-wit. De termen voor huidskleur verschuiven razendsnel, krijgen steeds meer nuance, en zijn soms sneller achterhaald dan je denkt, of verdwijnen achter een schild van asterisken. Als je deze lijn volgt, blijft er geen woord meer over om kleur te benoemen. Wat misschien wel het hele punt is.

Je kunt er je gedachtes bij hebben, maar waarom eigenlijk? Voor mezelf weet ik het wel, enigszins. Het heeft iets te maken met angst om het verkeerde te zeggen. De wrr adviseerde al in 2016 om het woord ‘allochtoon’ niet meer te gebruiken, en ik vraag me af of ik dat ooit wel tot me heb laten doordringen. Ik gebruikte pas het woord ‘multiculti’ in gesprek met een theatermaakster, wat me op een reprimande kwam te staan. Een beetje lacherig, maar toch.

Als je iets goed kunt zeggen, kun je het ook fout doen.

Toen ik de faux pas met ‘multiculti’ aan een collega bekende, zei die ook nog eens uit de grond van zijn hart dat dat ook écht niet meer kon. Hij legde het nog eens heel uitgebreid aan me uit en ging ermee door nadat ik al drie keer gezegd had het te snappen.

‘Ik voel me een bruine papieren zak vol met van alles en nog wat, tegen een muur overeind gezet’, schreef Zora Neale Hurston in 1928 in Hoe het voelt om van kleur te zijn. ‘Tegen een muur gezet in gezelschap van andere tassen: wit, rood en geel.’

Mag ik haar citeren omdat dit het meest in de richting van mijn huidige identiteitsbeleving komt? Ik kan de afkorting niet onthouden waarmee je de gehele genderfluïditeit onder een paraplu krijgt, ik lig er wakker van, de letters dringen om voorrang. Lhbtiq Of nee: lhbtiq+. Volgens mij gaat het om dat plusje. Het besef dat er altijd nog iets bij zal komen, iets waar we nu nog geen woord voor hebben.