Sport

«Eerlijkheid» in de sport

Afgelopen week besloot de internationale automobielfederatie (FIA) in Londen tot strengere spelregels in de formule 1. Het is vanaf nu afgelopen met allerlei technische snufjes, zoals automatische transmissie, tractiecontrole (trekkracht van de motor) en automatische start. Ook is tijdens het rijden radiocontact tussen coureur en teambaas verboden, mag er tijdens een grandprix nauwelijks nog aan een wagen worden gesleuteld en is een reserveauto uit den boze.

Reden: de spanning is uit de autosport verdwenen doordat al leen top teams als Ferrari, Wil liams en McLaren de finan ciële middelen hebben om de nieuwste technieken toe te passen. Lees: Ferrari-rijder Schumacher mag niet voor de zesde keer de wereldtitel veroveren. Meer maatregelen volgen, zo beloofde de bond afgelopen week in Londen, want om de autosport weer spannend te maken, moet het «eerlijker».

Maar wat betekent eerlijkheid in sport? De wielrenner Indurain had een groter dan normaal hart, meer liters bloed en een grotere longinhoud dan andere stervelingen. Sommige basketballers zijn twee meter dertig, andere slechts één meter zeventig. Tijdens de atletiekloopbaan van de op veertigjarige leeftijd plotseling overleden sprintkampioene Griffith-Joyner waren de dopingcontroles nog niet zo scherp als nu. Haar wereldrecords blijken daarom inmiddels niet meer te evenaren. De vader van tennisser Agassi ketende zijn kind vanaf het zesde levensjaar dagelijks met een ketting aan het hek van de tennisbaan, de mijne zei bijna dagelijks dat te veel tennissen niet goed is voor je persoonlijkheid. Sport bestaat uit oneerlijke concurrentie. Als je er even over nadenkt, is spreken over «eerlijkheid in de sport» belachelijk.

Dit is wellicht een open deur. Iedereen begrijpt wat totems als Mart Smeets bedoelen: in sport behoren talenten en kwaliteiten (waaronder doorzettingsvermogen, ervaring en geleverde trainingsarbeid) te worden vergeleken onder zo gelijk mogelijke omstandigheden.

Maar ook zo genuanceerd geformuleerd is dat een fictie. Als je aantallen medailles per land vergelijkt met het inkomen per hoofd van de bevolking, dan zie je twee bijna identieke lijstjes. Oké, er zijn uitzonderingen. Zoals Ethiopië en Kenia. Daar wonen uitzonderlijk goede langeafstandlopers. Maar hoe eerlijk is dat? Een Amerikaanse wetenschapper vond in het grensgebied tussen beide landen het zogenaamde «hardloopgen». (Het «sprintgen» werd bij een stam in West-Afrika gevonden.) Wie daar niet mee is behept, heeft een «natuurlijke» achterstand om duurlopen te winnen. Eigenlijk verdienen de Spanjaard en de Marokkaan die in de afgelopen jaren menige ma rathon wonnen een grotere prijs dan de Ethiopische kampioenen. Of nog «eerlijker» zou het zijn (gelijke omstandigheden immers) als Europeanen bij elke race met enige minuten voorsprong mogen vertrekken.

Gelijke omstandigheden zijn een fictie en doen er ook niet toe. In sport willen we zien — hoe weinig sympathiek ook — waartoe de menselijke soort maximaal in staat is. We willen supermannen de Mont Ventoux op zien fietsen, niet de beduidend lang zamer rijdende vrouwen, of de gehandicapten tijdens hun eigen Paralympics. In de Formule 1 wil ik zien hoe hard een door een mens bestuurde auto kan gaan. Het is autosport, geen coureursport. Bij de paardensport beslist de bond toch ook niet dat de fysieke superioriteit van Bonfire moet worden geremd door haar enkele dagen voor de wedstrijd eten en drinken te onthouden?

«Eerlijkheid» is slechts een vals voorwendsel om die arrogante Duitser van een volgende wereldtitel af te houden. Als Schumacher in een van de afgelopen jaren eens een forse verkoudheid had opgelopen, of een paar weken te neerslachtig was om te rijden, dan had niemand de discussie over de eerlijkheid in de autosport gevoerd. Eerlijk is eerlijk.