Het centrum van Mosul, Irak, met de beroemde Nouri-moskee die IS voor vertrek nog even platgooide

Hoog ligt het schroot opgetast langs de kant van de grote weg naar de Iraakse stad Mosul. Boven op de autowrakken en het verwrongen ijzer prijkt triomfantelijk een rode, sjiitische vlag. Na afloop van iedere oorlog in Irak vormt het schroot een belangrijke inkomstenbron voor de winnaars, en wordt het met vrachtwagens vol door het land gereden. Omdat Mosul grotendeels verwoest was, is het ook na de oorlog tegen de islamitische terreurgroep IS een lucratieve handel. Die geheel in de handen ligt van leden van een kleine, sjiitische minderheid.

De Shabak vormen een etnische groep van ruim een kwart miljoen leden die, tot IS kwam, in relatieve vrede op de Ninevevlakte en in Mosul woonden. In de strijd tegen de terreurgroep vormden ze de Dertigste Brigade, een van de vele sjiitische milities die zich aansloten bij de nationale Popular Mobilisation Forces, de pmf.

‘Het voelt als een nieuwe bezetting’, zegt ingenieur Muaamar Sameer Sadoon, wiens bedrijf in Mosul elektrische apparatuur importeert, levert en installeert. Dat bedrijf heeft de IS-bezetting maar net overleefd. ‘Daesh eiste een percentage op van de inkomsten van private ondernemingen als de mijne’, zegt hij, de lokale naam voor IS gebruikend. ‘Ze zeiden dat het bestemd was voor Daesh-leden in Iraakse gevangenissen en om de corrupte regering te bestrijden. Onder Daesh betaalden we tien procent. Nu moeten we zelfs veertien tot vijftien procent afdragen.’

Na de bevrijding bleven de milities naast de Iraakse federale politie en het leger achter om de soennitische gebieden veilig te houden. En zo werden de Shabak van een minderheidsgroep op de Ninevevlakte een machtsfactor van belang. Leden van de militie hebben niet alleen een monopolie verworven op de handel in schroot; samen met andere sjiitische milities beheersen ze ook de belangrijkste controleposten, en daarmee de toegang tot de stad. Bovendien hebben ze hun mannetjes op alle belangrijke plekken in het bestuur weten te plaatsen, en die persen alle winkeliers en zakenlieden in Mosul af.

Afpersing is bepaald niet nieuw in Mosul. IS had er een uiterst belangrijke inkomstenbron aan en daarvoor hield Al-Qaeda zich er al op kleinere schaal mee bezig. Ook de Iraakse veiligheidstroepen maakten zich er jarenlang schuldig aan. Er is wel een verschil met nu, zegt Sadoon. Vroeger kende je je afperser. ‘Direct contact hebben de militieleden niet met ons. Ze hebben corrupte ambtenaren die dat doen, maar het geld gaat wel grotendeels naar hun zakken.’

Weigeren te betalen is geen optie. Dan krijgt Sadoon zijn goederen niet meer langs de controleposten. ‘Zelfs niet als ik een groot contract met de regering heb voor bijvoorbeeld zonnecollectoren. Omdat alles van buiten komt, zou ik als ik niet betaalde grote schade aanrichten aan mijn bedrijf.’

Voor de bezetting door IS in 2014 hield de angst om gepakt te worden corrupte ambtenaren nog tegen. Maar toen IS openlijk overal geld voor vroeg, was dat snel verdwenen, zegt hij. ‘Het werd teamwerk tussen de verschillende ambtenaren. IS bestrafte het wel, maar nam dan vervolgens zelf een deel van de buit.’ En daarmee was de trend gezet voor na de bevrijding.

De zakenman zit ook op andere manieren klem. Nadat bij de bevrijding in 2017 zijn bedrijfspand in West-Mosul vernield was, vestigde hij zich in een verbouwd woonhuis in het oosten van de stad. Daar kampt hij inmiddels met een tekort aan opslagruimte, vooral nu hij zich meer wil gaan toeleggen op duurzame-energieproducenten. ‘Rondom de stad had de gemeente speciale gebieden aangewezen voor de industrie. Maar de milities hebben die industriële zones opgeknipt in stukjes en die onder hun eigen mensen verdeeld en verkocht voor woningbouw.’

Daarvoor komt hij niet in aanmerking, maar dat is niet omdat hij, net als de meerderheid van Mosul, soennitisch is en de milities, net als de machthebbers in Bagdad, sjiitisch. Ken je de juiste mensen en betaal je op de juiste plekken, dan kan iedereen ruimte kopen. Het gaat echter om illegale activiteiten, om diefstal van geld en goederen, en verzet je je daartegen, dan loop je kans ontvoerd te worden en te verdwijnen, zegt hij. Of het slachtoffer te worden van een bomaanslag, zoals het goedlopende Abu Leila-restaurant in West-Mosul dat de corrupte ambtenaren weigerde te betalen. Het zwaar beschadigde restaurant is daarna niet weer opengegaan.

En dan is er de greep die de milities hebben op de weinige fondsen die voor wederopbouw uit Bagdad komen, waardoor Mosul vier jaar na de vernietigende oorlog tegen IS nog steeds deels in puin ligt. Een corrupte, sjiitische gouverneur is inmiddels gewipt, waarna de bruggen over de Tigris die de stad verdeelt eindelijk werden gerepareerd. Met Amerikaanse steun schoof vorig jaar de populaire generaal Najm al-Jabouri door naar de gouverneurszetel. Tijdens en na de bevrijding was hij verantwoordelijk voor de veiligheid, maar tegen de macht van de milities heeft hij weinig kunnen doen.

Dat er toch wordt herbouwd komt vooral door de burgers en zakenlieden zelf, met hulp van leningen en van buiten. ‘We hebben het vooral aan de internationale ngo’s te danken’, zegt Sadoon. Hij wijst er echter op dat ook die gedwongen zijn de milities via de omweg van de corrupte ambtenaren een percentage van het hulpgeld te betalen.

Dat is algemeen bekend in Mosul, waardoor velen nu echt overal corruptie en diefstal zien. Zoals de bezoekers in een theehuis in het centrum van de stad, met zicht op de beroemde Nouri-moskee die IS voor vertrek nog even platgooide. De mannen willen graag hun hart luchten. Ze weten dat de unesco een wedstrijd heeft uitgeschreven voor het ontwerp voor de herbouw van de moskee, die een Egyptisch architectenbureau heeft gewonnen, dat het met geld van de Emiraten zal uitvoeren. Wat ze niet weten, is dat voor de bouw nu eerst de archeologen aan het graven zijn op het ommuurde terrein. Het heeft tot gevolg dat er, sinds die delen van de Hadba-minaret en de koepel die nog overeind stonden zijn gestabiliseerd, boven de muren uit geen voortgang meer zichtbaar is. Voor de theedrinkers is het duidelijk: dat komt door de corruptie – ook al wordt er op meters afstand van het theehuis, als onderdeel van hetzelfde unesco-project wel hard gewerkt aan de restauratie van de omliggende eeuwenoude huizen. Zij weten het zeker: ook het geld voor de wederopbouw van hun geliefde moskee is al in verkeerde zakken verdwenen.

sjiitische vlaggen in Mosul

In 2017 waren de inwoners van Mosul maar wat blij dat hun landgenoten een einde maakten aan de IS-bezetting. Vier jaar later is die vreugde totaal verdwenen. De milities beheersen alles en hebben overal een vinger in de pap. Een sjiitische minderheid die in Mosul maar een paar procent van de bevolking uitmaakt, gebruikt het feit dat ze deel uitmaakt van de machtige pmf, de Popular Mobilisation Forces, om zich te verrijken. Dat ze bijzonder onpopulair is, komt ook omdat alle Iraakse sjiitische milities zijn getraind en betaald door buurland Iran, dat dankzij hun moederpartijen in Bagdad grote invloed heeft op het Iraakse regeringsbeleid, terwijl Mosul jarenlang de hoofdstad van het Iraakse leger was, dat grotendeels in haar militaire academies is opgeleid. In de jaren tachtig vocht het leger acht jaar lang tegen datzelfde Iran, toen Iraks aartsvijand.

De milities maken hun overheersing graag zichtbaar. Overal in en buiten de grotendeels soennitische stad hangen de vlaggen die sjiieten sinds de val van het soennitische regime van Saddam Hoessein in Irak gebruiken om zich te identificeren. Groene en rode met de beeltenissen van de schoonzoon en kleinzoon van de profeet Mohammed, die zij beschouwen als zijn enige opvolgers, en in de rouwmaand Muharram pikzwarte.

‘Pure provocatie: we hebben nu ook opeens een Khomeini-school. Mensen voelen zich steeds meer onderdrukt’

Maar toen sjiieten echter een portret van de sjiitische geestelijke ayatollah Ali al-Sistani plaatsten boven een markt die ze illegaal midden op archeologische grond hadden gebouwd, liep in Mosul de spreekwoordelijke emmer over. Na protesten liet de Iraakse ayatollah zelf weten dat zijn portret moest worden weggehaald, en archeologen wisten de overheid te bewegen om de markt sterk terug te dringen, al verdween ze niet geheel.

Wie de stad binnenrijdt vanuit Iraaks Koerdistan wordt al snel geconfronteerd met portretten die de Mosulers nog meer prikkelen. In de middenberm hangt iedere paar meter een poster met de door de Amerikanen begin 2020 bij een droneaanval omgebrachte Iraanse generaal Qassem Soleimani, samen met de tegelijkertijd gedode Iraakse pmf-leider Abu Mahdi al-Muhandis, met wie hij nauw samenwerkte. Voor veel soennieten staan deze twee symbool voor de Iraanse macht in Irak, waardoor zij zich onderdrukt voelen. De positieve rol van de beide mannen in de oorlog tegen IS is allang vergeten.

‘Het is pure provocatie’, zegt de jonge politicus Abdullah al-Nujaifi over die portretten langs de snelweg. ‘We hebben nu ook opeens een Kho-meini-school. Daardoor voelen mensen zich steeds meer onderdrukt. Het is alsof ze niet meer in hun eigen land wonen.’

Die Khomeini-school, genoemd naar de Iraanse ayatollah die in 1979 Iran in een islamitische republiek veranderde, staat in Bartella. Dat stadje op de Ninevevlakte, kilometers van Mosul, was vóór de IS-bezetting grotendeels christelijk. Na de bevrijding werd het echter de basis van Brigade 30 en namen Shabak steeds meer huizen en grond over. Christenen voelden zich onveilig en velen keerden niet naar huis terug. Ze bleven liever in de Koerdistan Regio wonen, waar ze bij de inval van IS hun toevlucht hadden gezocht. Daarmee is de identiteit van Bartella veranderd: nu is het grotendeels sjiitisch.

Voor Nujaifi, een dertiger die kandidaat staat voor een soennitische lijst bij de Iraakse parlementsverkiezingen van 10 oktober, gaat het allemaal om identiteit; om de soennitische identiteit van de stad – die door het radicale soennisme van IS echter omstreden is geraakt. En dat is waar de sjiieten nu gebruik van maken. ‘Mensen zijn bang om daarover te praten’, zegt hij. ‘Ik zie angst als ik het tijdens mijn campagne juist wel probeer te bespreken.’

Die schroom om het probleem te benoemen is typisch voor Irak, waar je kritisch uitspreken jarenlang levensgevaarlijk was. Voor dit artikel leidde dat enerzijds tot beleefdheidsgesprekken en anderzijds tot weigeringen. Ook pogingen om Mosulse vrouwen te horen over de gevolgen van de sjiitische aanwezigheid voor hun levens liepen erop stuk.

De jonge Abdullah Nujaifi ontvangt zijn bezoek in het Nujaifi Huis, een fraai herbouwd pand van zijn politiek actieve familie op de nog grotendeels in puin liggende westoever van de Tigris. In de grote ontvangstzaal hangt een zwarte doek die de Kaaba in Mekka heeft bedekt als pronkstuk aan de muur. Zijn oom Osama was voorzitter van het Iraakse parlement en zijn vader Atheel gouverneur van Mosul, tot IS de stad binnenviel.

Als gouverneur had Atheel Nujaifi zich gekeerd tegen de inzet van de sjiitische Waqf, de administratie voor het sjiitische geloof in Irak, om zeggenschap te krijgen over 27 soennitische moskeeën in Mosul. Onder het Baath-regime van Saddam Hoessein waren tal van sjiitische gebedshuizen overgeheveld naar de soennieten, en toen de sjiieten na 2003 de macht kregen in Irak begonnen zij een campagne om die terug te vorderen. In Mosul gaat het echter vooral om moskeeën waarvan de sjiieten zeggen dat die eerder van hen zijn afgenomen. Het meest omstreden is hun claim op de Nabi Younes, de Jona Moskee, want Jona is een profeet van meerdere religies en bepaald niet exclusief sjiitisch. De moskee is, net als de Nouri, door IS vernield maar vormt een belangrijk onderdeel van de identiteit van de stad.

Abdullah Nujaifi vertelt dat zijn vader er in 2012 samen met de gemeenteraad een stokje voor heeft gestoken. ‘Het zou politiek heel schadelijk zijn geweest als we het hadden geaccepteerd, dan zouden alle moskeeën in Mosul sjiitisch kunnen worden. Want zij denken dat Mosul ooit sjiitisch was. Iran werkt daar heel strategisch aan.’ Daarmee doelt hij ook op de veranderde samenstelling van Bartella, en op de aankoop van grond rondom Mosul en in christelijk gebied. Sjiitische zakenlieden uit het zuiden plannen daar woningbouw voor sjiitische gezinnen, met name de families van de milities die in het gebied gelegerd zijn. De inzet is het sjiitisch kleuren van het hele gebied – vergelijkbaar met de manier waarop Saddam Koerdische gebieden probeerde te arabiseren door er Arabische burgers uit het zuiden naartoe te verhuizen.

De beslissing om de moskeeën niet terug te geven, leidde na de bevrijding in 2017 alsnog tot een rechtszaak die in het nadeel van Nujaifi senior uitpakte. De sjiitische Waqf eiste als schadevergoeding grof geld en wilde zelfs beslag laten leggen op Nujaifi’s eigendommen. Maar onlangs vernietigde een hogere rechtbank dat vonnis. ‘De rechter zag er geen grond voor, er is geen enkel bewijs dat die moskeeën sjiitisch zijn’, zegt de zoon tevreden.

Ook hier gaat het weer om geld: al die 27 moskeeën hebben een graf van een heilige waar gelovigen bidden en donaties achterlaten. IS vernielde ze vrijwel allemaal, omdat in haar radicale visie op de islam er binnenin een moskee geen graf hoort te zijn. Slechts een enkele is herbouwd en weer in gebruik, omdat de meeste geloofsgemeenschappen vanwege de sjiitische claims besloten te wachten met herstel.

het centrum van Mosul

De Brigade 30, of Liwa al-Shabak, is lang niet de enige militie die actief is in Mosul en omgeving, en zich niets heeft aangetrokken van opdrachten van respectievelijke Iraakse premiers sinds 2018 om zich terug te trekken. Ze delen de macht over de stad samen met de radicale en pro-Iraanse milities Kata’ib al-Imam Ali, Hezbollah en Asaib al-Haq. De laatste heeft bovendien zogenoemde economische commissies die actief zijn bij het verwerven van bouwcontracten en andere opdrachten, net als Saraya al-Salam van de in zuid-Irak populaire sjiitische geestelijke Moqtada al-Sadr. Dat Bagdad die kantoren al jaren geleden per decreet liet sluiten had geen enkel effect.

Daarnaast is er ook nog de christelijke Brigade 50, of Kata’ib Babiliyun, die ook is aangesloten bij de pmf en bij gebrek aan voldoende christelijke militieleden sjiieten uit het zuiden in haar gelederen heeft. De leider daarvan, Rayan al-Kaldani, is niet minder corrupt dan Waad Qado, of Abu Jaafar al-Shabaki van de Shabak-brigade, en beide heren staan al geruime tijd op Amerikaanse sanctielijsten. Dat is ook vanwege de manier waarop hun milities burgers intimideren. Officiële Amerikaanse rapporten spreken van ‘onrechtmatige opsluiting van Koerden, Turkmenen en christenen’ en van ‘afpersing, illegale arrestaties, ontvoeringen en gevangenneming zonder arrestatiebevel’.

Dat maakt het spannender om hun controleposten te passeren dan die van leger of federale politie, of de lokale politie bij de ingang van wijken. Militieleden zijn berucht vanwege hun onvoorspelbare gedrag dat afhankelijk lijkt van hun buien. Ze zijn minder gedisciplineerd en veel minder goed getraind dan leger en politie. Wat de spanning nog verder doet oplopen is het feit dat de Iraakse mukhabarat, de veiligheidsdienst, onderdak bij hen heeft gekregen. Bij al hun controleposten op toegangswegen naar de stad zit zo’n agent, die altijd sjiitisch is, en in de gaten houdt wie er in en uit gaat.

‘Mensen hebben het vertrouwen in de overheid verloren, en gaan nu maar direct naar de milities om hun problemen op te lossen. Zo ver is het al’

In Al-Abour, een dorp vlak buiten Mosul, klagen ze over de voortdurende intimidatie die ze ondervinden bij de controlepost op de weg de stad uit. ‘Taxichauffeurs weigeren er te passeren, en dus moeten we altijd een heel eind lopen’, vertelt Abdelmounim Omar, die een van de oudste bewoners is van het dorp waar zijn vader grond kocht, een huis bouwde en boerde. Hij zag het dorp groeien en toen na 2003 verarmen. Daarbij veranderde het langzaam in een kraamkamer voor de radicale islam, Al-Qaeda en later IS; rond 2014 hadden de meeste gezinnen hier wel iemand die zich bij de terreurgroep had aangesloten.

Veel inwoners zijn arm, er zijn vooral werklozen en dagloners, waardoor het dorp grotendeels is veranderd in een armenwijk met veel illegale bebouwing. Want na de bevrijding in 2017 vestigden zich hier gezinnen die geen andere plek konden vinden, meestal omdat ze, terecht of onterecht, met IS worden geassocieerd. En nog onlangs kwamen daar IS-gezinnen bij die de opvangkampen moesten verlaten maar in eigen dorp of stad niet meer welkom zijn. Ze mochten hun tent uit het kamp meenemen en sloegen die op aan de rand van het dorp, vertelt Omar.

Ze werden gedoogd, tot er een nieuwe militie opdook, die rondom het dorp meerdere kleine bases inrichtte. De militie noemt zich de ‘Zonen van de Oude Man’, een verwijzing naar de omgebrachte pmf-leider Abu Mahdi al-Muhandis, wat aangeeft dat ze radicaal en pro-Iraans is. Als gevolg van deze aanwezigheid is er nu geen tent meer te zien in het dorp of de wijde omgeving, en staan ook veel van de onafgebouwde huizen die met dekens zijn afgedekt er leeg bij.

De militie jaagt iedereen schrik aan. ‘Ze pakken je gewoon op voor terrorisme’, verzucht Omar. Er zijn berichten over IS-weduwen en alleenstaande vrouwen wier man vermist wordt, die door militieleden gedwongen worden tot seks in ruil voor ‘bescherming’. De voortdurende intimidatie en onderdrukking leiden tot machteloosheid en frustratie, en toen de Taliban hun emiraat vestigden in Afghanistan, laaide in Al-Abour de hoop op dat iets dergelijks ook in Irak opnieuw zal gebeuren.

Dat leidt er echter alleen maar toe dat de onderdrukking en intimidatie nog verder toenemen. Omar vertelt dat de geheime dienst voortdurend in het dorp probeert te infiltreren, op zoek naar IS-cellen. ‘Zo gauw we ontdekken dat iemand een informant is, marginaliseren we hem. Dat gebeurt nu echt nog veel meer dan onder Saddam.’

De vergelijking met Saddam wordt in hedendaags Irak veel gemaakt. De conclusie is dan dat het onder de dictator beter was, want er was minder corruptie en meer respect voor de staat. Invloedrijk zakenman Abu Moumen, die niet onder zijn echte naam wil praten, klaagt dat corruptie geïnstitutionaliseerd is geraakt omdat de huidige regeringen zo zwak zijn. ‘Afpersing werd normaal. Het is van een uitzondering de norm geworden. Niemand is bang voor de staat, en niemand maakt zich zorgen gestraft te worden.’

De eigenaar van meerdere ondernemingen klaagt dat de regering minder moeite heeft met de misdaden van de milities dan met het terrorisme van IS. Omdat de milities via hun moederpartijen banden hebben met de regering ‘wordt corruptie gefaciliteerd en afpersing gelegaliseerd’. Aan tafel in een populair restaurant in het centrum van Mosul maakt hij duidelijk dat hij zich grote zorgen maakt. ‘Zij die bedreigd worden door terroristen kunnen zich nog tot de regering richten voor hulp, maar waar ga je naartoe als je bedreigd wordt door de milities, die deel zijn van de regering?’

Hij stelt vast dat er in Mosul een nieuwe klasse is ontstaan van zakenlieden die gedeelde interesses hebben met de milities en met hen samenwerken. ‘Ze zoeken snelle winst. Daarvoor hebben ze het afgelopen jaar duizenden nieuwe bedrijven opgericht.’ En mede door hun collaboratie is de corruptie nauwelijks meer te bestrijden. ‘Als zakenlieden eerlijk waren en uit protest hun werk zouden staken, houdt het vanzelf op. Maar mensen zijn inhalig.’ Terwijl tegelijkertijd hun activiteiten gevolgen hebben voor de werkgelegenheid in Mosul. ‘De economie staat erdoor onder druk. Door hen zijn er minder mogelijkheden om zaken te doen, en is er dus minder werk.’

Hij hoopt op ingrijpen van buitenaf. Die paar sancties tegen militieleiders zijn niet voldoende, en Iraakse anti-corruptiemaatregelen werken niet. ‘Wie in Irak wordt aangeklaagd rent gewoon weg naar het buitenland, want ze hebben vaak een tweede nationaliteit. We hebben internationale afspraken nodig om te zorgen dat ze ook daar vervolgd worden en niet vrijuit kunnen gaan.’

In de tussentijd gaan de milities ongestoord door om hun macht uit te breiden. Ze richten zich op de overheid en instituties. Het directoraat van de Gezondheidszorg beheersen ze inmiddels geheel. Daar heeft de gouverneur geen invloed meer, zegt Abdullah Nujaifi. Met als gevolg dat openbare ziekenhuizen niet worden herbouwd, en de stad van ruim anderhalf miljoen inwoners het moet doen met een paar noodbarakken. ‘Mensen hebben het vertrouwen in de overheid verloren, en gaan nu maar direct naar de milities om hun problemen op te lossen. Zo ver is het al.’

Mensen wachten urenlang bij een overheids­gebouw voor een afspraak met een ambtenaar, Mosul

Zakenman Muaamar Sadoon wijst erop dat de infiltratie ook betrekking heeft op de politiek, want zo willen militieleden hun economische en militaire macht veiligstellen. ‘Ze moeten voorkomen dat het geld dat ze via hun deals hebben weten te stelen weer van hen wordt gestolen.’

Daarom hebben beide corrupte militieleiders van de Brigades 30 en 50 zich verkiesbaar gesteld voor de komende parlementsverkiezingen, en prijken hun verkiezingsposters overal in de stad en erbuiten. ‘Straks hebben we parlementsleden tegen wie sancties zijn uitgevaardigd!’ zegt Abdullah Nujaifi verontwaardigd. Hij ziet het als een aanval op de staat. ‘Strategisch, via een uitholling van het concept van de staat, met chaos en onderdrukking, wat leidt tot een gebrek aan vertrouwen. En dan via politici die de milities vertegenwoordigen.’

Precies daarom moet volgens hem de provincie Nineve, waarvan Mosul onderdeel is, een autonome regio worden. Net zoals de Koerden die al hebben binnen Irak, waar de ontwikkeling en welvaart vooruitlopen op de rest van Irak en sjiitische milities niet welkom zijn. Ook Basra, Najaf en Salahadin maken aanspraak op zo’n regiostatus. ‘Hier is 43 procent van de inwoners voor’, zegt hij. Dertig procent is tegen, en twintig heeft nog geen mening. ‘We moeten de situatie herordenen en opnieuw beginnen. Daarmee zullen een heleboel problemen verdwijnen.’

Want in die regio zouden de sjiieten weer gewoon een minderheid zijn, is de gedachte, terwijl voor de sjiitische milities uit het zuiden geen plek meer is. Daarmee zou ook hun corrupte netwerk verdwijnen, en dan zou je de corruptie in bestuur en overheid beter moeten kunnen bestrijden.

Voor de twee zakenlieden ligt dat minder simpel. Terwijl Muaamar Sadoon roept om een wonder opdat de stad hier ooit weer vanaf komt, spreekt Abu Moumen van een virus, een infectie die je moet bestrijden. ‘Door bewustzijn te kweken onder de mensen over de gevaren ervan. Maar dat gaat decennia kosten. En misschien krijgen we eerst nog wel nog weer een ramp zoals Daesh, voor het eindelijk echt doordringt.’


Met dank aan fixer en vertaler Faisal Jeber. Dit artikel kwam tot stand dankzij een bijdrage van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek