Hoofdcommentaar

Eerst de man, dan de moraal

Het eigen volk toespreken is een vak. Veel politici hebben dat ambacht niet zo goed onder de knie. In Nederland is de techniek van de speech altijd een beetje verdacht geweest. Toen politieke partijen nog massaorganisaties waren en een taak hadden om de schismata te voorkomen die door de verzuiling van de samenleving op de loer lagen, moesten politici vooral dempen. Hoe groter de woorden, hoe holler de vaten: dat was het idee dat nu in onder anderen premier Jan Peter Balkenende is geïncarneerd. Niet dat politici indertijd louter brabbelden, maar ze moesten altijd op hun hoede zijn om geen coalities naar de filistijnen te helpen als die nog van pas zouden kunnen komen. Joop den Uyl, Hans Wiegel, Ruud Lubbers en Hans van Mierlo – om er een paar uit het recente verleden te noemen – beheersten dat vak.

Sinds Pim Fortuyn zijn nagenoeg alle politici in Nederland – Geert Wilders en Hilbrand Nawijn niet te na gesproken – zoekende. Ze laveren tussen rust en opwinding. Een voorbeeld is de potentiële VVD-leider Rita Verdonk, die het woord «binding» op zo’n gestaalde toon kan uitspreken dat je je in de Hoogovens waant en niet weet of je moet smelten of stollen.

Eén politicus denkt dat euvel te hebben verholpen: Wouter Bos. De leider van de PvdA ontpopt zich als de Tony Blair van de Lage Landen. Blair kreeg de Labour Party aan zijn voeten dankzij een uitzonderlijk retorisch talent. Wie bij hem in de zaal zit, luistert nog slechts in een roes naar een man die alles precies goed zegt en nog mooi ook. De tekst later nog eens rustig doorlezen, is meestal een teleurstelling. De bedoelingen zijn fraai, maar in welke volgorde zullen ze worden uitgevoerd en wat kost het allemaal?

Zo ging het afgelopen zaterdag ook op het partijcongres in Delft met Wouter Bos. Nadat de PvdA eerst een nieuw beginselmanifest had goedgekeurd – dat overigens iets minder suf is dan het eerste concept, goddank onderkent dat er geen «solidariteit» mogelijk is zonder een welwillende middenklasse maar nog veel uitwerking behoeft – was de leider aan de beurt.

De mise-en-scène was fraai en meeslepend. In een doorsnee voetbalkleedkamer gaat het er minder inspirerend aan toe. Bos presenteerde een «boodschap van hoop». De PvdA is geen etatistische partij meer maar een vrijheidsbond van mensen die kunnen «begrijpen, luisteren en overtuigen». Terecht concludeerde Bos dat Nieuw Rechts, met zijn theoretische concepties over de gemiddelde burger, in dezelfde val gaat lopen als Oud Links een kwart eeuw geleden. Om het individuele karakter van het nieuwe mensbeeld der sociaal-democratie, vermoedelijk ongewild, te stipuleren gebruikte Bos 26 keer het woord «ik» en negen keer «wij».

De partij heeft haar «trauma’s» nu verwerkt en wil dit nieuwe bewustzijn inzetten om het land weer op te stuwen. «Trots en vertrouwen, de kurk waar een zelfbewuste natie op zou moeten drijven, daar hebben we maar heel weinig van over», aldus Bos: «Politiek doet er toe.» Mits de mens maar in het middelpunt staat en niet de aloude ambtenaar met zijn regelzucht, en politici zich laten leiden door wellevend «fatsoen».

Daarom hunkert de PvdA naar een kabinetscrisis. Ze is klaar voor een klinkende overwinning op de coalitie en de regeringsmacht. Volgens Bos ontbreekt het nergens meer aan: niet aan ideeën, niet aan tactiek, niet aan mensen. De partij, kortom, blaakt van zelfvertrouwen. Maar wie zijn tekst aan een tweede lezing onderwerpt, ondergaat een Blair-ervaring. Sterker, zo algemeen zou de Britse premier het niet hebben gehouden. Een congrestoespraak is geen academisch vertoog, hoeft dus niet uit te wijden over onmogelijke dilemma’s als de verhouding tussen markt en staat dan wel individu en gemeenschap. Maar een paar praktische kwesties aansnijden, dat was al te veel. Over de noodzaak tot herstructurering van de Nederlandse economie, nu die nog steeds kwakkelt. Over de consequenties van een zorgstelsel waarin de verzekeraars de baas zijn, al moeten de burgers hun eigen keuzes maken. Over de onhoudbaarheid van de ongebreidelde renteaftrek voor de hypothecaire lening op het eerste huis. Over de hervorming van het kiesstelsel. Over de spanning tussen de bestrijding van terrorisme en het behoud van de rechtsstaat. Over de gevolgen voor Nederland van de Europese uitbreiding. Over dit alles? Geen woord. Fatsoen? Tja, fatsoen is uiteindelijk (helaas) geen politiek begrip, al denkt ook premier Balkenende dat samen met Bos wel.

Natuurlijk. Wouter Bos heeft in 2002 een ontredderde partij geërfd die weer op twee benen moest gaan lopen. Evenmin valt te ontkennen dat alle politieke partijen niet meer precies weten waarop ze zich moeten richten. Wie te veel aandacht heeft voor de grootste gemene deler van de midden groepen verliest de randen uit het oog (zoals Fortuyn bewees). Wie zijn heil verwacht van de ontevreden randen verspeelt zijn coalitie kansen zolang Nederland geen tweepartijen democratie is. Medio jaren tachtig had toen malig VVD-leider Joris Voorhoeve daarvoor een theorie: die van het soepbord met een smalle rand en een diepe kom. De balletjes in de kom maken het kwantitatieve verschil onder het electoraat, de gemorste sliertjes op de randen representeren het kwalitatieve klimaat waarin de kiezers zich bewegen.

In dit soepbord zit ook Bos gevangen. De PvdA heeft veel weg van de Vara. Het mag best leuk zijn, maar moet wel een beetje niveau hebben. Daaraan kan Bos op zichzelf weinig doen. Politieke partijen beginnen over de hele linie verdacht veel op omroepverenigingen te lijken. Net als Vara of Avro zijn ook PvdA en VVD op jacht naar hetzelfde publiek.

Toch ontslaat dat Bos niet van de plicht verder te denken. Als het verzuilde bestel in Hilversum over een paar jaar ter ziele is, moet hij namelijk kunnen aantonen dat een politieke partij meer is dan een netwerk van goedwillende mensen met gemeenschapszin.