Nederland leest W.F. Hermans’ De donkere kamer van Damokles

Eerst groen dan rood dan grijs

Nederland leest W.F. Hermans’ De donkere kamer van Damokles. Vaak wordt dit boek aangehaald in het relativistische betoog over ‘goed’ en ‘fout’ in de oorlog. Ten onrechte, want daar ging het Hermans niet om.

Medium nll12 luxe editie stansgat 200

De Nederland Leest-campagne van dit jaar draait om twee kleuren: groen en rood. Groene boekjes met de omslagtekst ‘Wie dit leest is goed’, rode boekjes met ‘Wie dit leest is slecht’. Groene post-its met de tekst ‘Ik vind dit goed’, rode post-its met ‘Ik vind dit slecht’. Als klap op de vuurpijl: een ‘gigantisch’ slotdebat met een groene en rode tribune. Het is duidelijk: deze actie rondom W.F. Hermans’ roman De donkere kamer van Damokles (1958) wil ons aan het denken zetten over goed en kwaad.

Met deze zevende Nederland Leest-actie kiest de Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (cpnb) voor een duidelijker inkadering dan voorgaande jaren. Het verhaal over de sullige Henri Osewoudt die na een ontmoeting met zijn stoere evenbeeld Dorbeck in het verzet gaat, gaat volgens cpnb over de ondoorzichtigheid van de oorlogswerkelijkheid. Osewoudt krijgt steeds minder grip op de liquidaties die hij moet uitvoeren en wordt uiteindelijk gevangen genomen. Na de oorlog beschouwt men zijn verhaal over het bestaan van opdrachtgever Dorbeck als verzonnen; er is geen enkel bewijs dat Dorbeck echt heeft bestaan. Osewoudt wordt neergeschoten, wanhopig op zoek naar zijn held.

De roman is volgens veel critici niet alleen een van de spannendste thrillers uit de Nederlandse literatuur, maar ook een illustratie van Hermans’ wereldbeeld. Dat zou erop neer­komen dat er louter chaos in de wereld bestaat en dat morele categorieën arbitrair zijn. Goed en kwaad zijn zinloze begrippen in tijden van oorlog, wanneer ieder mens zich als wolf openbaart. Deze visie op Hermans volgt ook Chris van der Heijden in Grijs verleden (2001). In deze studie beweert Van der Heijden dat tijdens de Tweede Wereldoorlog de meeste mensen niet goed of slecht waren, maar in een ‘grijs’ gebied zaten. Zij handelden niet principieel, maar opportunistisch. Van der Heijdens moreel relativisme is in kringen van oorlogshistorici erg controversieel. Zelf verdedigt hij zijn standpunt niet alleen met archiefmateriaal, maar ook door te verwijzen naar een aantal schrijvers die al vroeg het gemodder tijdens de oorlog beschreven hebben. Hermans is een van hen. Volgens Van der Heijden zag Hermans, terugkijkend op de oorlog, ‘slechts chaos, toeval en mislukking. Vandaar dat hij nooit genoegen nam met het klassieke beeld van de collaborateur (of verzetsheld). Dat beeld klopte niet met zijn mensbeeld.’ Even later beweert Van der Heijden: ‘De werkelijkheid was, aldus nog steeds Hermans, gecompliceerd. “Goed” en “fout” liepen door elkaar’, waarna onder meer deze zin volgt uit Hermans’ essay Experimentele romans: ‘Wie goed om zich heen ziet, ontwaart geen eenheid van handeling, maar veelheid en zinneloosheid van handeling, verwarring, chaos en verveling.’ Ewoud Kieft, die het trouwens met het relativisme van Van der Heijden helemaal niet eens is, concludeert aan de hand van deze passage in zijn Oorlogsmythen (2012): ‘Hermans’ mensbeeld is exact hetzelfde mensbeeld dat Van der Heijden zelf in Grijs verleden schetst, vaak in precies dezelfde termen.’

Ik ben het met Van der Heijden en Kieft niet eens. Volgens mij projecteren ze Hermans’ visie op kwesties als waarheid en werkelijkheid ten onrechte op het onderscheid tussen goed en fout. Hermans spreekt in het door Van der Heijden geciteerde stuk niet over de oorlog, maar over het onderscheid tussen de geordende romanwereld en de werkelijkheid buiten de tekst. Zijn visie op goed en fout was helemaal niet relativistisch. Integendeel: hij ging in de jaren zeventig tekeer tegen de oorlogsbedrieger Weinreb en diens medestanders. Volgens Hermans had Weinreb zijn machtspositie misbruikt om zijn eigen hachje te redden en er nog geld aan te verdienen ook. Een onderzoek gaf hem later gelijk, maar daar gaat het me niet om. Ik bedoel te zeggen dat Hermans wel degelijk onderscheid maakte tussen wie slecht en goed was geweest in de oorlog.

Medium 681219229

Je kunt Hermans verwijten dat hij, die er altijd als eerste bij was om de slechtheid van zijn medemens in zijn essays te demonstreren, zelf ook alleen maar slechte personages geschapen heeft. Maar dat is alleen maar een probleem wanneer je gelooft dat een personage de denkbeelden van de auteur zou moeten verdedigen. Dat deden veel van de personages van Hermans juist niet: hoewel sommigen van hen heel wat met hun schepper gemeen hebben, ontwierp Hermans ze welbewust als onsympathieke figuren. Dat deed hij niet om goed en kwaad te relativeren, maar juist om dingen die hem tegenstonden te kunnen demonstreren.

Het vraagstuk van goed en kwaad staat in het oeuvre van Hermans nooit op zichzelf. Altijd verbindt hij het met het vraagstuk van waarheid en verantwoordelijkheid. Dat geldt in het bijzonder voor De donkere kamer van Damokles. Gelukkig biedt de Nederland Leest-campagne rond dit boek materiaal waarmee juist de verbintenis tussen goed/kwaad en waarheid gelegd zou kunnen worden. Daardoor ontstaat er een lezing van De donkere kamer die het boek veel interessanter maakt voor maatschappelijk debat dan bij de visie van Van der Heijden het geval is.

Waarin schuilt nu het verschil tussen Van der Heijdens en Hermans’ kijk op de oorlog? Je zou kunnen zeggen dat Van der Heijden in de waarheid van een objectieve historische analyse gelooft en met zo’n analyse aantoont dat goed-fout-verschillen niet zo groot waren als gedacht. Hermans denkt precies het tegenovergestelde: hij meent dat er wel onderscheid bestaat in goed en fout, maar dat een historicus nooit in staat zal zijn de waarheid daarover aan het licht te brengen. De geschiedwetenschap schreef alleen fabeltjes. Als er ergens een waarheid kon worden aangetoond, dan was het in de natuurwetenschappen. Ook in dat domein bleek het kenvermogen van de mens meestal tekort te schieten, maar een enkele keer slaagden de meest begaafde natuurwetenschappers er volgens Hermans in om werkelijk te denken. In het essay Antipathieke romanpersonages schreef hij voorzichtig dat het zou kunnen ‘dat in de kosmos een bepaald ordeprincipe aanwezig is en dat enige enkelingen die later succesrijke wis- of natuurkundigen worden, gedeeltelijk toegankelijk zijn voor de stille suggestie van dit ordenende principe’.

Diep van binnen was Hermans dus een positivist, iemand die meende dat de waarheid gevonden kon worden, zij het alleen in het kleine domein van de natuurwetenschappen. Daarbuiten was het ontdekken van de waarheid feitelijk onmogelijk. Maar dat wilde voor Hermans helemaal niet zeggen dat we wel wat lichtzinniger met die waarheid zouden mogen omgaan. Deze opvatting verdedigde hij in het indrukwekkende nawoord van zijn essaybundel Het sadistische universum 2: Van Wittgenstein tot Weinreb (1970), waarin hij de twee figuren uit zijn titel tegenover elkaar stelde. Wittgenstein, zijn filosofische held die ook het ‘naschrift’ voor De donkere kamer leverde, was in de voorstelling van Hermans een zoeker naar waarheid, zelfs als die ongrijpbaar bleek. Weinreb was de schepper van een waarheid die hem het best uitkwam.

Ethische kwesties waren voor Hermans dus nauw verbonden met vraagstukken van waarheid en kennis; verwerpelijk aan Weinreb was dat hij moedwillig de boel had belazerd. Om de titel van Hermans’ eerste verhalenbundel uit 1948 te parafraseren: iedere mens is aan mis­verstand overgeleverd, maar voor wie uit moedwil anderen bedroog had de essayist Hermans geen goed woord over.

Terug naar De donkere kamer. De vraag naar de goed- of slechtheid van Osewoudt, of van de andere personages, wordt nergens in de roman gesteld. Net zoals in het essay uit Het sadistische universum 2 ging het Hermans in deze roman niet om ethische kwestie an sich, maar om waarheids­vraagstukken en verantwoordelijkheid. Het kernprobleem voor Osewoudt zelf is niet of zijn handelen juist was, voor hem gaat het er alleen maar om of hij het bestaan van Dorbeck kan aantonen. Hij kan zijn eigen goede bedoelingen immers legitimeren via Dorbeck. Zo zegt hij tegen het slot van de roman tegen pater Beer: ‘Maar als eenmaal aangetoond zal worden dat Dorbeck werkelijk bestaan heeft, verandert de hele zaak. Dat is het enige waar ik op hoop, dat is tastbaar en duidelijk.’ Daarna staat er: ‘Je bent hovaardig, zei pater Beer, je stelt het recht boven de genade.’ Pater Beer kan alle verantwoordelijkheid op God afschuiven, de niet-gelovige Osewoudt is op zijn eigen waarheids­gevoel teruggeworpen, maar zoekt verbeten naar tastbare ‘wetenschappelijke’ bewijzen om zijn ideeën te onderbouwen.

Osewoudt is daarmee de verzinnebeelding van de twintigste-eeuwse mens die van zijn geloof gevallen is en alleen zijn eigen geest en morele gevoel heeft om op te bouwen. Dat isolement wordt in de roman invoelbaar gemaakt: je hebt als lezer alleen toegang tot de belevingswereld van Osewoudt, zodat je evenmin als Osewoudt een overzicht over de verhaal­werkelijkheid kunt krijgen. Maar ook thematisch draait dit boek om isolatie. Denk maar aan de anekdote waarmee het boek begint, over een man die in z’n eentje op een vlot over zee zwerft en van dorst omkomt. Of aan de zin daarna: ‘Nadenkend over het verhaal van de onderwijzer, werd Osewoudt door een blauwe tram die juist kwam aanrijden, van de anderen gescheiden.’ Het probleem bij Osewoudt is dat hij niet is opgewassen tegen die eenzaamheid, die je ook als vrijheid zou kunnen uitleggen. In plaats van zelf verantwoordelijkheid te nemen voor zijn daden heeft hij een Dorbeck nodig. Osewoudt is niet slecht zoals Weinreb dat was; we hebben er geen aanwijzingen voor dat hij moedwillig zijn medemensen bedriegt. Hoogstens is hij zwak en gaat hij verkeerd om met zijn waarheids- en verantwoordelijkheidsgevoel.

Het is te hopen dat dit boek in de Nederland Leest-campagne niet zozeer aanleiding geeft tot eindeloze discussies over wie rood, groen of grijs was, maar eerder tot bredere debatten over verantwoordelijkheid. Het rood-groene campagnemateriaal biedt daar weinig ruimte voor, maar over de leesgids en de essays rond de Nederland Leest-campagne ben ik enthousiaster. In de leesgids worden ‘moraal’ en ‘waar of niet waar’ als centrale vraagstukken in de roman aangewezen. Ik denk als gezegd dat deze kwesties bij Hermans onmogelijk te scheiden zijn, maar goed, ze worden in elk geval geagendeerd. Interessanter nog vind ik het korte essay van Frank en Maarten Meester dat is opgenomen in de luxe editie van het boek. Zij verbinden de schuldvraag in De donkere kamer met het denken van hedendaagse hersenwetenschappers als Dick Swaab. Volgens mij moeten we deze roman inderdaad zo lezen: als een boek dat niet in de eerste plaats iets over de Tweede Wereldoorlog zegt, maar veeleer iets over vrijheid en gedeter­mineerdheid. Ik ben alleen bang dat zulke vraagstukken verloren dreigen te gaan zodra we bezig gaan met het plakken van rode en groene post-its.


Laurens Ham werkt aan een proefschrift over autonomie in de Nederlandse literatuur, onder meer bij W.F. Hermans

beeld: Daan Dirk de Jonge