Niet denken aan wat er ook deze keer weer zal gebeuren. Aan hoe je hoop zult putten uit de mensen om je heen. Aan hoe dankbaar je bent als je hoort dat ze ook deze keer weer stemmen met de levens van anderen in hun achterhoofd. Niet denken aan hoe je jezelf een heel klein beetje zult laten meeslepen door de schoonheid van het ideaal, door al die voorovergebogen mensen in die knullige stemhokjes, door hoe lastig ze het vinden om het papier weer op te vouwen, door dat knullige rode potloodje en door hoe blij ze zijn als ze horen dat ze het mogen houden, door de gedachte dat wat vandaag nog niet is, morgen zou kunnen zijn. Allemaal niet aan denken.

Niet denken aan wat er ’s avonds gebeurt, wanneer je de televisie niet hebt aangezet maar je via het gekwetter in de tijdlijn de programmering van zeker zes kanalen tegelijk binnenkrijgt. Niet denken aan de eerste exit poll, ook nu weer een mokerslag. Hoe onverschillig en guur het land wederom zal blijken. Dat de aantrekkingskracht van de haat onverminderd groot is en dat het andere er weinig toe doet. Dat kinderen daar in modderige kampen of op zee sterven of hier in een door de Belastingdienst georganiseerde armoedefuik worden getrapt? Dat de ene helft geen betaalbare woning kan vinden terwijl de andere helft van gekkigheid niet meer weet in welk vastgoed er nu weer moet worden geïnvesteerd? De klimaatcrisis, het vreten aan de rechtsstaat en hoe gecalculeerd de bestrijding van de pandemie de laatste maanden soms toescheen?

Allemaal niet aan denken. Niet dat hallucinante stuk in de Volkskrant lezen, dat stuk waarin een paar wetenschappers geduldig vertellen hoe uit onderzoek blijkt dat de keuzes van Nederlandse media bepaalde politici en partijen stelselmatig in de kaart spelen, en waarin vervolgens een lange stroom journalisten op basis van niets anders dan een gekrenkt zelfbeeld de conclusies uit dat onderzoek in twijfel mag trekken. Invloed? Wij? Dat kan ik me eerlijk gezegd echt niet voorstellen, dus waar hebben we het over?

Niet dat je het zelf allemaal zoveel helderder ziet, dat niet. Het is immers de kloof tussen je eigen voorstellingsvermogen en de werkelijkheid die straks, als de stemmen eenmaal zijn geteld, opeens wordt overbrugd. Er zit even niets anders op dan een paar dagen verdwaasd ronddolen in een gigantisch voldongen feit. Maar ook daar nog maar even niet aan denken.

Het is ook nog veel te vroeg, hè. Het is nog geen acht uur op een doordeweekse ochtend en ik sta in de keuken tussen de rotzooi van de vorige avond een pannenkoek te bakken. Ja: één pannenkoek. We scrolden net in bed langs een filmpje waarin een vrouw vol vuur het evangelie van de enorme pannenkoek uit de oven predikte.

Hoeveel kwaad kan een likje schenkstroop als je hooguit twee halve tanden hebt?

Ik ben altijd wel te porren voor een novelty breakfast, maar de afleiding is dubbel welkom. Er is hier iemand ‘van haar curve gedonderd’. Gefronste wenkbrauwen bij instanties en alles. Hier geen grote paniek verder, het kind wekt over het algemeen de zorgeloze en actieve indruk van een ANWB-lid met prepensioen. Ze is alleen steevast na drie happen afgeleid. En waarom zou je dan licht wanhopig en bij voorbaat vergeefs koude klonten Brinta uit een bakje lepelen en tegen een gesloten mond duwen als je ook gewoon één grote pannenkoek kunt bakken?

En zeg nu zelf: hoeveel kwaad kan een likje schenkstroop als je hooguit twee halve tanden hebt? Niet veel, toch? Opeens mag alles. Scheutje olijfolie erin, klontje boter erdoor. Eerst de kaas opeten. Het brood komt later wel. Nee, havermelk drink je maar als je achttien bent. Kun je je beter op het eten concentreren met een filmpje erbij? Dan zetten we toch gewoon dat door een Vlaamse Timothy Leary in een VRT-kelder ontwikkelde antwoord op lsd aan: Tik Tak.

Ho, even opletten nu. Wat heb je nodig als iemand zegt: ‘Take your regular old pancake mix, but double it’? Gewoon bloem en zout? Nee, Amerikaanse pannenkoeken zijn luchtig. Fluffy. Google helpt. ‘Vergeet het bakmeel niet’, zegt Martha Stewart. ‘En doe er ook een flinke schep suiker doorheen.’ Nu ben ik in feite twee recepten door elkaar aan het maken en hoewel we het hier over een pannenkoek hebben, met de beste wil van de wereld niet als een culinaire meesterproeve te beschouwen, is het toch alsof ik me op dun ijs begeef.

Ze zijn een guilty pleasure, die kookfilmpjes. Van eenzame potten op het vuur en anonieme handen die er perfect gesnipperde uitjes, wortels en bleekselderij inschuiven tot celebrity chefs die in gezellig chaotische keukens op kameraadschappelijke toon vertellen wat het geheim van een goede pasta is. (Het antwoord is altijd hetzelfde: eerlijke en simpele producten.) Het is de overzichtelijkheid van alles, de ijzeren logica van het kookproces als een optelsom van ingrediënten en handelingen. Toen ik vannacht tegen vieren klaarwakker in bed lag heb ik een half uur lang gebiologeerd zitten kijken naar een Azerbeidzjaans echtpaar dat zwijgend – maar dan ook echt zwijgend, zwijgend zoals alleen mensen die al een heel leven samenzijn in elkaars gezelschap kunnen zwijgen – in een roerloos sneeuwlandschap voor een hobbit-huisje gigantische hamburgers bakte. Daar leek geluk heel gewoon.

De enorme pannenkoek uit de oven was een beetje een deceptie. Niet echt dat je zegt: lekker fluffy. Maar soms zijn kleine teleurstellingen op een vreemde manier welkom, omdat ze even afleiden van de grotere teleurstellingen die nog in het verschiet liggen.