Bij Rob van Essen is het gekke gewoon © Stephan Vanfleteren

Soms heb je romans die zich snel in één zin laten samenvatten, maar dan weet je nog niks. Walvisvaarder jaagt op een witte walvis. Iemand herinnert zich een oude vriend in Indië. Neem de nieuwe roman van Rob van Essen: twee heren die op hetzelfde kantoor werken ondernemen een lange fietstocht waarna ze ook nog een vliegtochtje maken. Gewoner kan haast niet en Van Essen stelt er een eer in ons alles zo gewoon mogelijk voor te schotelen. Dit is zijn handelsmerk en ook in deze roman ligt de nadruk op het gewone van het gekke.

Neem bijvoorbeeld ene Scherpenzeel: hij treft in zijn net gehuurde kamer propjes papier aan waarop berichten staan. ‘Ga naar de brug’ staat er bijvoorbeeld. Op de brug aangekomen ziet hij een paar handen die zich een meter onder de leuning aan een soort stalen pijp vastklemmen. Eerst denkt hij nog aan een ontgroening of aan kunst, aan ‘hyperrealisme, beelden van mensen die niet van echt te onderscheiden zijn. Hier wil iemand milde onrust wekken.’ Maar dan ziet hij dat er echt een jongen hangt. Als hij eindelijk een agent vindt, is de jongen verdwenen. Gesprongen? Dood?

Terug op kantoor treft hij diezelfde jongen (Jonathan) aan bij zijn collega Wildervanck. Wat is er aan de hand? Leeft die Jonathan wel? Ja, die leeft, hij zag net zijn gestorven moeder in tram 81, ze gaan op zoek naar een groot gebouw met een plat dak waar zij lange tijd gewoond heeft, samen met schoorsteenvegers en glazenwassers en waar ze Jonathan kreeg. Alles steeds gewoon te volgen en Van Essen geeft voortdurend details waarin hij de zaken zo realistisch mogelijk voorstelt. ‘Vooral als ze over de glazenwassers vertelde geloofde niemand haar. Misschien moest ze haar mond houden maar hoe mooi was het geweest toen met de glazenwassers, hoe ze op het dak woonden met z’n allen, hoe haar vader samen met de anderen bij de balustrade de takelconstructie uitklapten waaraan ze hun gondels hingen, hoe ze de contragewichten plaatsten, hoe ze in de gondels klommen (…)’. Je zou bijna geloven dat Van Essen een paar weken stage heeft gelopen bij glazenwassers. Er speelde ondertussen allang een kleine glimlach rond mijn mond; juist door dit soort verbluffende details slaagt Van Essen erin de slapstick zowel op een afstand te houden als om hem onbehoorlijk dichtbij te brengen. Echt of onzin? U zegt het maar.

Je zou bijna geloven dat Van Essen stage liep bij glazenwassers

Datzelfde doet hij bij de geschiedenis van Wildervanck en Scherpenzeel die langzamerhand van de grond komt. Wildervanck woont naast het kantoor waar hij werkt, maar dat vindt hij toch bezwaarlijk. Dus maakt hij altijd eerst een kleine fietstocht voordat hij naar kantoor gaat, dan krijgt ‘naar kantoor gaan’ een aparte eigen betekenis. Die fietstochten breiden zich steeds verder uit, op het laatst verschijnt hij pas laat in de middag op kantoor. Het valt Scherpenzeel op. Waar fietst Wildervanck steeds naartoe? Hij besluit hem te volgen, hij heeft het dwingende idee dat Wildervanck hem op een of andere manier met Jonathan in contact kan brengen. Eerst heeft Wildervacnk niet in de gaten dat hij gevolgd wordt, maar uiteindelijk betrapt hij Scherpenzeel. Ze besluiten gezamenlijk door te fietsen, niet terug te gaan naar kantoor, maar gewoon erop los te fietsen. Ze bezoeken bezienswaardigheden, overnachten in één bed in hotels en kopen een rode tandem (dat ‘rood’ is weer zo’n slapstick detail, maar je moet het wel willen zien).

Alweer trakteert Van Essen ons op doodnormale scènes die het gekke volstrekt aanvaardbaar maken: ‘Wildervanck deed het licht uit en rolde zich weer op zijn zij. Scherpenzeel sliep binnen de minuut. Wildervanck luisterde naar de rustige ademhaling naast hem in de hoop dat hij daardoor de slaap zou kunnen vatten, maar nee.’

In dat ‘maar nee’ zit het volkomen aanvaardbare van de situatie. Ondertussen debatteren ze af en toe nog over de jongen die aan de brug hing, maar Wildervanck gelooft helemaal niets van dat verhaal. ‘Scherpenzeel was blijkbaar iemand die ter plekke een verhaal kon verzinnen, wie had dat achter hem gedacht, zo iemand was hij nog nooit tegengekomen. Het was interessant maar ook een beetje verontrustend – wat school daar allemaal onder.’ Ook hier komt slapstick met grote passen dichterbij: volstrekt serieus ingaan op een totaal dwaze situatie. En juist daardoor krijgt het verhaal nog iets ernstigs ook, zoals dat hoort in de waarlijk grote slapstick-kunst.

Het spreekt vanzelf, je kunt erop wachten, dat de verschillende reizigers, Jonathan en zijn moeder, plus Wildervanck en Scherpenzeel elkaar uiteindelijk treffen. En dan maken ze gezamenlijk nog een volkomen logische vliegtocht om alles een keer van boven te bekijken. Van Essen gelooft niet in surrealisme, bij hem is alles realisme, gewoon, niet gek, de normaalheid zelve, ook al weet je als lezer dat je meegetrokken wordt in de totale gekte en slapstick. Als je dat niet ziet, moet je deze roman niet lezen en alleen nog de krant geloven. Gewone mannen en vrouwen die een reisje ondernemen. Ja hoor, ik weet niet zeker wie ik was: Scherpenzeel of Wildervanck. Of toch Jonathan.