Debat: liberalisering en privatisering

Eerst liberaliseren, dan privatiseren

KPN is bijna failliet; de sociale zekerheid is weer in overheidshanden. Moet het Nederlandse privatiserings- en liberaliseringsbeleid worden afgeremd of juist versneld? Hoog tijd voor een principieel debat. Jens Arnbak, Ewald Engelen, Kees Vendrik en Kees Wiechers zijn het over één ding eens: de overheid moet de regie in handen houden.

«We moeten het per sector bekijken. Privatisering van nutsbedrijven — van andere bedrijven heb ik geen verstand — is een goede zaak mits de overheid het publieke belang op een heldere manier vastlegt», doceert Jens Arnbak, hoogleraar telecommunicatie en voorzitter van de Opta (Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit), de toezichthoudende instantie in de telecomsector. Als Deen ergert hij zich groen en geel aan de Nederlandse compromiscultuur. Het is hier kennelijk onmogelijk het publieke belang te formuleren of te handhaven zoals dat in zijn vaderland gebeurt. «Daarom ontaardt de vermarkting van de cruciale publieke diensten — stroom, zorgverlening — in dit land vaak in een chaos.»

«Maar waarom zou je eraan beginnen?» Ons rondetafelgesprek is nog geen twee minuten oud, of filosoof Ewald Engelen, gespecialiseerd in macro-economische vraagstukken, stelt de hamvraag: «Die verschuiving van publiek naar privaat eigendomsrecht, wat is daarvan nu precies het voordeel?»

Arnbak: «Staatsbedrijven opereren over het algemeen slechter dan private bedrijven. Commercieel winstbejag zorgt voor efficiëntie, met name in de nutssectoren als gas, water, licht, telefonie et cetera. Een belangrijke overweging is ook dat de staat te weinig middelen had. Sinds de jaren dertig was er een tekort op de Nederlandse rijksbegroting, en zo ontstond de drang om kapitaal te betrekken uit de privé-sector. Ook het internationaliseren van netwerken heeft zijn consequenties. Je kunt geen kaasstolp over Nederland zetten; het proces is internationaal dwingend, of we het leuk vinden of niet. Dat geldt misschien niet voor de taxistandplaatsen in Amsterdam, dat kunnen we hier wel regelen — althans dat zouden we moeten kunnen. Maar Nederland gaat onbezonnen te werk. Jullie beginnen met het privatiseren van kabelbedrijven en dan ontstaat een monopolist, UPC, waartegen de Opta moet opboksen. Hetzelfde gebeurde met KPN: een beursgang zonder dat de tucht van de markt zijn werk kon doen. Dat is vragen om problemen.»

Engelen: «Dus wat de overheid in te veel gevallen heeft nagelaten, is het creëren van markten. Dat is ook een lastige klus.»

Arnbak: «Inderdaad. Daar wordt in Nederland lichtzinnig mee omgegaan. Ik pleit voor een ordelijk verloop van het proces, zeker bij de bedrijven die bestaan dankzij de netwerken tussen de gebruikers als kabel, telefoon, post, spoor, gas — daar gaat de overheid uiterst slordig mee om. Ik zeg: kijk eerst naar de specifieke kenmerken van iedere sector, stel per sector vast welke publieke doelen je wilt waarborgen en ga dan pas liberaliseren en vervolgens, eventueel, privatiseren. Dat is de enige goede volgorde. Dan schep je volwaardige markten.»

De energiesector is nog geen volwaardige markt, maar topman Kees Wiechers van Nederlands grootste nutsbedrijf Essent denkt volgend jaar rondom deze tijd geprivatiseerd te zijn. Wiechers: «Ik wil dat niet zozeer, maar mijn aandeelhouders: de provincies en gemeenten. Privatisering is een logisch gevolg van de liberalisering. Als de energiemarkt is geliberaliseerd, is er geen goede reden waarom de overheid eigenaar zou zijn van een energiebedrijf. Arnbak heeft gelijk: de overheid blijkt nimmer een goede ondernemer te zijn. De overheid gebruikt een bedrijfstak voor haar eigen politieke doelen. In de goeie ouwe tijd was de energiesector een melkkoe. Maar voor de verwerving van publieke middelen hebben we een belastingstelsel, dat staat tenminste onder democratische controle. Privatisering schept een meer transparant systeem, waarbij de behartiging van het gemeenschapsbelang tot stand komt door regelgeving.»

Arnbak: «Regelgeving is tenslotte de kerntaak van de overheid.»

Wiechers: «Precies. Laat de overheid zich met haar core business bezighouden. Dan houd ik me bezig met de mijne: een bedrijf runnen. Dan doet iedereen waar hij het beste in is.»

Niet geheel toevallig is die regelgeving Kees Vendriks core business. Als kamerlid van GroenLinks wordt hij voortdurend geconfronteerd met privatisering en liberalisering op allerlei maatschappelijke gebieden. Hij voorzag de mislukking van de privatisering van de sociale zekerheid (zie kader) en twijfelt zeer aan het nut en de noodzaak van het hele proces — op welk gebied dan ook.

Vendrik: «Privatisering oefent op voormalige staatsbedrijven een grote aantrekkingskracht uit: het leidt tot meer dynamiek en meer ondernemingsvrijheid. Je ziet dat er na verloop van tijd vanuit de sector zelf een enorme push komt voor privatisering. En de politiek maakt daarvan gebruik om problemen van zich af te schuiven, door haar aansprakelijkheid voor wat er in de samenleving gebeurt te beperken. De bestuurlijke verantwoordelijkheid wordt gedelegeerd aan de markt. Bij veel politieke partijen leeft die behoefte om de scope van de overheid te verkleinen. Maar wat zijn vanuit de overheid gezien nu de redenen om te privatiseren? Neem de waterleidingbedrijven. Ik heb daarover gediscussieerd met Tob Swelheim, de baas van Nuon en een groot voorstander van privatisering. Toen ik hem vroeg wat nu eigenlijk de problemen waren met de huidige drinkwatervoorziening, bleef hij het antwoord schuldig. We hebben in Nederland een fantastische watersector met zeer veel expertise en redelijke prijzen. Ik signaleer dat de dynamiek voor privatisering er vaak eerder is dan het probleem dat er zogenaamd door zou moeten worden opgelost.»

Wiechers: «Dat is mooi gesproken, maar hoe weet je dat die waterprijzen redelijk zijn?»

Vendrik: «Daar is internationaal benchmark-onderzoek naar gedaan: een vergelijking van de Nederlandse prijs-kwaliteitverhoudingen met de buitenlandse. Ik ben principieel tegen privatisering van waterleidingbedrijven, ook tegen privatisering en liberalisering van de energiesector. Al deze netwerksectoren hebben een specifiek kenmerk, namelijk dat ze gehoorzamen aan de wet van de toenemende meeropbrengst. Hoe groter ze zijn, des te hoger hun winsten, en uiteindelijk ontstaan er toch weer monopolies. In plaats van prijsconcurrentie, zoals je die zou verwachten volgens de klassieke theorie, krijg je concentratie, juist in die netwerksectoren. Liberaliseren en privatiseren is dan echt de kat op het spek binden.»

Wiechers: «Maar dat kan de overheid toch voorkomen door goed toezicht? Daarvoor hoeft de staat geen aandeelhouder te zijn.»

Vendrik: «Via de lijn van de aandelenhouder heeft de overheid invloed op hoe het bedrijf functioneert. Die invloed verlies je door privatisering.»

Wiechers: «Maar dan krijg je belangenvermenging, want de overheid heeft ook private belangen. Daar gaat het steeds weer verkeerd.»

Vendrik: «Ik weet niet of die vermenging zo fout is. Dat is het wezen van de politiek, om meerdere belangen te dienen. De overheid is niet een marktpartij met een enkel belang, ze heeft meervoudige en strijdige belangen te behartigen en te toetsen. En marktpartijen zijn ook niet zuiver op de graat. In de sociale zekerheid heeft de overheid marktwerking ingevoerd. Wat gebeurde er: de oude publieke instellingen holden naar het bank- en verzekeringswezen, sloten zich aaneen in conglomeraten en waren niet meer bezig met het reïntegreren van werklozen en arbeidsongeschikten. Dat is een belangrijke karakteristiek van geliberaliseerde markten: er gebeurt altijd iets anders dan de overheid of de marktpartijen verwachten. Privatiseringsprocessen zijn onvoorspelbaar.»

Engelen: «Privatisering zonder liberalisering is in elk geval onzinnig. Daar is iedereen aan deze tafel het toch over eens, mag ik hopen.»

Terwijl iedereen instemmend knikt, vervolgt Engelen zijn betoog: «De zogenaamde tucht van de markt bestaat alleen dankzij concurrentie. Die is niet zo makkelijk uit de grond te stampen, en dus doet men een beroep op toezichthoudende organen. Maar de Nederlandse mededingingsautoriteit (NMA) heeft al grote moeite om die marktwerking te toetsen aan criteria die veel verder gaan dan het marktaandeel van elk bedrijf. Dat geldt ook voor de Opta. Wij hebben hier helemaal geen mededingingscultuur.»

Wiechers: «Klopt. Het zou hier ondenkbaar zijn dat een grote onderneming wordt gesplitst op gezag van een mededingingsautoriteit, zoals in Amerika vaak gebeurt. Amerika heeft een mededingingscultuur en weet ermee om te gaan.»

Engelen: «Maar zelfs in die Amerikaanse mededingingscultuur blijkt het lastig markten competitief te houden. Daarnaast blijft die spanning bestaan tussen individuele koopkracht en maatschappelijke behoeften. Met andere woorden: wij als maatschappij kunnen vinden dat de weduwe van Appelscha betaalbaar openbaar vervoer moet hebben, voor de desbetreffende bedrijven is dat niet altijd rendabel.»

Arnbak: «Maar de politiek moet die behoeften formuleren! In Scandinavië zijn we dat gewend. Nederland is een mitsen- en marenland. De doelstellingen worden per kabinet voor vier jaar in het regeerakkoord vastgelegd en daarna is alles weer helemaal open. Ondertussen heerst er vanwege het regeerakkoord vier jaar lang een moratorium op de wezenlijke discussie over het publieke belang en de manier waarop het moet worden gewaarborgd.»

Vendrik: «Wij hebben in Nederland een traditie van zwakke markten en een zwakke overheid. Wat we nu doen, is sterke markten scheppen door privatisering en liberalisering, maar zonder dat er een sterke overheid tegenoverstaat. Maar dat is niet alleen een kwestie van poldercultuur, van pappen en nathouden, en onhelder formuleren. Toezicht komt niet als manna uit de hemel vallen, het is ook voorwerp van concurrentieoverwegingen. De oudste toezichthouders die we hebben bijvoorbeeld, de centrale banken, verliezen langzaam het toezicht op de financiële markten. Overheden hebben de keuze gemaakt om dat te reduceren, want toezicht kost geld. Er is een tendens om toezichthouders klein te houden zodat de bedrijven optimale winst kunnen genereren. Alles vanwege de internationale concurrentiepositie.»

Arnbak: «Internationalisering is niet iets om je achter te verschuilen. Ook aan een internationale sector kan per land aparte publieke doelstellingen opgelegd worden. Het maakt niet uit of een telecom- of energiebedrijf in handen is van een Nederlands of buitenlands bedrijf. Als er maar goede regelgeving is, en dat vraagt om een krachtdadige overheid. Zelfs een monopolie is dan geen bezwaar. In Amerika ontstonden na de uitvinding van de telefoon in 1870 allemaal kleine bedrijven, maar rond de eeuwwisseling werden die opgekocht door at&t en meteen werd er van overheidswege met anti-monopoliewetgeving gedreigd. Maar at&t ging naar het Witte Huis en zei tegen de president: wij zullen alle Amerikanen van telefoon voorzien in ruil voor een monopolie. In Zweden werkte dat ook zo; daarom heeft het nu de hoogste telefoondichtheid van Europa.»

Waarom worden in Nederland geen heldere randvoorwaarden geschapen? Arnbak wijt het vooral aan de politieke cultuur: «Je moet kunnen articuleren wat het publieke belang is, en dat kunnen Nederlanders niet. Wijers, voormalig minister van Economische Zaken, wilde een actieprogramma elektronische snelwegen schrijven. Daarvoor werd een club samengesteld onder mijn voorzitterschap. We hadden zeven actielijnen waaronder liberalisering van de markt, creëren van de kennismaatschappij, al die dingen die we nu ook kennen. De zevende actielijn, ingebracht door Aad Nuis, luidde: formuleer het publieke belang. Dat werd een totale miskraam. De ambtenaren in de interdepartementale commissie kakelden allemaal vanuit hun departementale belangen, ze waren voortdurend in oorlog. Het publieke belang bij de elektronische netwerken is nooit geformuleerd. In de VS kan het wel, mind you, en in Scandinavië kon het ook. Maar kennelijk niet in Nederland.»

Engelen: «Maar je hebt toch altijd te maken met deelbelangen. Het idee dat daar één heldere formulering van het publieke belang uitkomt, is naïef. Als je dat als gegeven beschouwt, moet je met je beleid ontzettend voorzichtig zijn. Maak eerst eens die markten, kijk of het lukt. Waar het lukt, kun je verder privatiseren. En waar het niet lukt, heb je dat eigendomsrechtelijke instrument nodig om te kunnen blijven reguleren. Zodra bijvoorbeeld nutsbedrijven zijn genoteerd aan de beurs, ben je die controle kwijt.»

Vendrik: «En zelfs als je het kabinet vraagt uit te rekenen wat het prijsverschil is tussen een private dienstverlening en publieke dienstverlening in een bepaalde sector, dan krijg je geen antwoord. Dat ontbreekt in al die privatiseringsprojecten van de laatste jaren: een winstschatting.»

Arnbak: «Helemaal mee eens.»

Wiechers: «Er is één goed voorbeeld van dat voordeel, namelijk dat door de liberalisering van de elektriciteit de stroom goedkoper is geworden.»

Arnbak: «Sinds de liberalisering zijn ook de telefoonverbindingen veel goedkoper geworden. Bovendien hoef je niet meer negen maanden op een aansluiting te wachten.»

Vendrik: «Maar weegt dat voordeel wel op tegen het nadeel dat je geen langetermijnbeleid meer kunt maken?»

Het milieu is bij uitstek een langetermijnbelang, en daarop spitst de discussie zich dan ook allengs toe. GroenLinks is tegen privatisering van de energiesector, niet alleen om economische redenen maar ook uit milieuoverwegingen. Vendrik: «We hebben een gigantisch klimaatprobleem. Dus eisen wij dat de overheid greep houdt op de sector en maximaal voorrang geeft aan alternatieve energievoorziening. Nu koerst men op lagere prijzen en vergeet het milieu. ‹Dat gaan we via Europa regelen›, roept PvdA-woordvoerder Fred Crone dan. Maar er komt helemaal geen Europees energiebeleid want Spanje ligt dwars. We krijgen duurzaam lagere prijzen, geen duurzaam energiebeleid.»

Wiechers: «Maar waarom zou de overheid geen groene stroom kunnen stimuleren? Dat kan door middel van heffingen en premies. Als het GroenLinks niet lukt daar animo voor te krijgen, moet je die frustratie niet op de politiek of de sector afwentelen. Het gaat om politieke keuzes, die zijn anders gemaakt dan jij graag zou willen.»

Vendrik: «Maar groene stroom vormt slechts één procent van het stroomaanbod. Eén procent! Dat is een schande!»

Wiechers: «Het is een begin van een ontwikkeling, en die gaat nu sneller dan vijf jaar geleden toen de energievoorziening in overheidshanden was.»

Engelen: «Maar Vendrik, de publieke verstrekking van energie lost jouw probleem ook niet op. De prijsstelling voor grootverbruikers zal niet veranderen als de politieke consensus ontbreekt.»

Wiecher: «Sterker nog: vroeger werden de grootverbruikers zelfs onder de tafel gesubsidieerd, toen was het nog erger.»

Engelen: «In Europa gaat het alleen over markten, privatiseren en liberaliseren, maar sociale of ecologische doeleinden komen niet aan bod. Dat is een perverse logica. Het enige wat je in deze context zou kunnen doen, is bedrijven verplichten een percentage van hun winst te investeren in duurzame energie.»

Vendrik: «In ons land is het enige expliciet publieke belang: lagere prijzen. Maar na een privatisering, wanneer het private belang eenmaal de markt domineert, is het heel moeilijk enig publiek belang af te dwingen, zelfs op Europees niveau. Het eigendomsrecht is uitstekend beschermd, het is de kern van het kapitalisme. Er wordt een brandmuur tussen bedrijfsleven en publiek belang opgeworpen.»

Engelen: «Ik trek de grens vooral bij de beursgang van nutsbedrijven, omdat die de onderneming blootstelt aan de dynamiek van de snelle winst, de korte termijn, de speculatieve activiteiten die niets meer met dienstverlening van doen hebben. Er zijn echter ook andere vormen van eigendomsrechtelijke privatisering denkbaar. Je zou de overheidsaandelen ook kunnen uitzetten bij pensioenfondsen of stichtingen.»

Wiechers: «Exact. Wij lopen ook niet zo hard naar de beurs, alleen zien wij dat de overheid zich wil terugtrekken uit de energiesector. Ik klop liever aan bij institutionele beleggers, niet bij koopjesjagers. Het beroerde is echter dat lagere overheden bij privatisering haast altijd voor het grote geld gaan, dus dan moeten we er misschien toch aan geloven.»

Arnbak: «Een bijkomend probleem is de extreme gevoeligheid van de politiek voor incidenten. De privatisering van het spoor in Engeland is in hoge mate gekoppeld aan een paar grote spoorwegongelukken. Nu is er vorige week een spoorwegramp gebeurd in België, en krijgen we een discussie over de vraag of overheidsbedrijven wel voldoende denken om de veiligheid van hun klanten? Nee, daar hoor je niemand over. Incidenten op zichzelf bewijzen niets. Ze horen bij de invoering van nieuwe technologieën. De Titanic, Tsjernobil, de echte leermomenten zijn helaas de rampen.»

Vendrik: «Maar dat kun je ook omdraaien. Als er sprake is van zoveel rampzalige priva tiseringsoperaties, zoals in de sociale zekerheid of bij de zo goed als failliete KPN, waarom trekken we daar dan geen lering uit? Waarom blijft men als rechtvaardiging wijzen op die paar oude staatsbedrijven die er een potje van maak ten? Er zijn zoveel overheidsdiensten die wel goed functioneren. Neem onze belastingdienst, dat is een parel van publieke dienstverlening. De Franse TGV is één groot feest van de bureau cratie; die was er nooit gekomen als de pri va te ondernemingen het voor het zeggen had den.»

Wiechers: «Hoe weet je dat de belastingdienst optimaal draait?» (Lachend) «Misschien moet je die eerst privatiseren. Ik zie het voor me: concurrerende belastingdiensten. Nee werkelijk, ik heb slapeloze nachten wegens het totale gebrek aan inzicht van de politiek. Nederland heeft een gezonde energiesector. Laten we die alsjeblieft de kans bieden zich goed te ontwikkelen op de Europese markt.»

Vendrik: «Als het een gezonde sector is, waarom moeten we hem dan privatiseren? Daar kan ik nou van wakker liggen.»

___________________

  1. Telecommunicati

Vaste telefonie — Deze markt is de jure volledig geliberaliseerd en geprivatiseerd. Maar de facto is het de voormalige staatsmonopolist KPN die de scepter zwaait: 96 procent van deze markt wordt bediend door KPN. In de praktijk is er dus wel privatisering, maar geen echte liberalisering. Het grote probleem is dat het telefoonnetwerk (de kabels in de grond) in bezit is van KPN, die dit netwerk vanwege de liberalisering moet openstellen voor de concurrenten. De mastodont verzet zich heftig hiertegen: KPN vecht niet alleen zo goed als elk besluit van de Opta juridisch aan, maar pestte ook de concurrenten door niet te vertellen waar de 1400 wijkcentrales zich bevinden — een eerste vereiste om toegang tot het netwerk te krijgen.

Mobiele telefonie — Een daadwerkelijk succesvolle liberalisering én privatisering. De schaarse frequenties zijn in handen van de overheid, en die heeft ze per veiling aan de hoogste bieder verkocht. In de relatief kleine Nederlandse markt zijn vijf aanbieders van mobiele telefonie die elkaar sterk beconcurreren. Gevolg: internationaal gezien lage prijzen en een kwalitatief hoogwaardig product.

Kabel — De verkoop van de Amsterdamse kabel is een klassiek voorbeeld van een inhalige lokale overheid (de gemeente Amsterdam) die zich laat verblinden door de enorme bedragen die met de verkoop gemoeid zijn. Met dat geld leken grote en dure infrastructurele projecten ineens haalbaar. Het publieke belang, zoals vrije nieuwsgaring, deed er niet meer zo toe.

Zo kon het gebeuren dat de nieuwe eigenaar van de kabel (A2000, nu overgenomen door UPC) besloot dat de wereldburgers van Amsterdam het zonder CNN en MTV moesten stellen, omdat deze zenders weigerden toegangsgeld aan A2000 te betalen. Ook de private monopolist A2000 vond geld verdienen belangrijker dan de belangen van de klanten. Niet alle kabels zijn geprivatiseerd. Zo beheert nutsbedrijf Essent, in handen van provinciale en gemeentelijke overheden, de kabels in Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Flevoland, Noord-Brabant en Limburg.

  1. Sociale zekerheid

Sociale zekerheid — De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) schreef vorig jaar in het rapport Het borgen van publiek belang dat de politiek niet zelden «te ondoordacht en te onvoorbereid» kiest voor marktwerking in traditionele overheids taken. Als voorbeeld daarvan noemt de WRR de sociale zekerheid. Jarenlang was Den Haag vol van marktwerking: concurrentie zou de sociale zekerheid de zo vurig gewenste efficiëntie en slagvaardigheid geven. Het liep anders. Publieke en private gelden waren tot een onoverzichtelijke kluwen vervlochten. Voor menig moederbedrijf werden de commerciële uitvoeringsinstellingen (UVI’s in jargon) een melkkoe — publiek geld werd voor commerciële activiteiten aangewend.

Eind 1999 ging het roer radicaal om: de UVI’s werden gerenationaliseerd, de privatisering werd teruggedraaid.

Ook de ww’ers en wao’ers zijn niet beter af met marktwerking, zo concludeerde het College van Toezicht Sociale Verzekeringen (CTSV) begin dit jaar in een rapport. Waar vroeger de arbeidsbureaus werklozen en arbeidsongeschikten hielpen met het vinden van werk, krijgen nu reïntegratiebedrijven via aanbestedingsprocedures de opdrachten. De markt blijkt weinig transparant, concurrentie is eerder belemmerd dan bevorderd, en, zo sprak CTSV-voorzitter Witteveen destijds in NRC Handelsblad, «de moeilijk plaatsbare mensen vallen tussen wal en schip. Om hen was het allemaal begonnen».

  1. Vervoer

NS — De geplande beursgang is voorlopig van de baan. Om met de woorden minister Netelenbos te spreken: de NS komen weer onder de tucht van de overheid, en niet onder die van de markt. Railinfrabeheer, het spoorwegnet, komt in handen van de overheid. In een «prestatiecontract» heeft minister Netelenbos (Verkeer) met de NS afspraken gemaakt over het aantal zitplaatsen, punctualiteit en het aantal verbindingen. Evengoed, de hegemonie van weleer is voorbij. Zo hebben de NS een concessie voor niet meer dan tien jaar om over het hoofdnet te rijden. De Hoge Snelheidslijn en regionale lijnen worden aanbesteed, waarbij de NS kunnen meedingen. Net als Deutsche Bahn.

Regionaal — Het regionale busvervoer moet in 2003 voor 35 procent aanbesteed zijn, en in 2006 moeten alle lokale bussen uit handen van de overheid zijn. Nu al zijn enkele gebieden in handen van buitenlandse ondernemingen, waarbij de overheid slechts bij de concessieverlening invloed op de dienstregeling heeft. Met name provinciale lijnen zijn verliesgevend. De Delftse openbaar-vervoerexpert Wijnand Veeneman zei hierover in De Groene Amsterdammer: «Dit soort privatiseringen zijn heel lastig om goed uit te voeren (…). Het gaat geheid mis: er komen dagen dat er in bepaalde regio’s geen bussen of treinen rijden, omdat het uitvoerende bedrijf failliet is.»

Schiphol — De aandelen van Schiphol zijn volledig in overheidshanden. Schiphol wil dolgraag geprivatiseerd worden en de recente beslissing van de Tweede Kamer om dit nog even uit te stellen, was slecht nieuws voor Schiphol. Ten eerste omdat het nu geen aankopen in het buitenland kan doen. Zo is de Italiaanse overheid er bepaald niet happig op om een vliegveld te verkopen aan een «Nederlands staatsbedrijf». Ook is er de kwestie van belangenverstrengeling. Schiphol-baas Gerlach Cerfontaine in weekblad Elsevier: «De overheid draagt te veel petten. Ze is wet- en regelgever, toezichthouder, handhaver van milieunormen, investeerder en eigenaar.» Minister Netelenbos en minister Zalm (Finan ciën) delen zijn visie.

  1. Water & energie

Water — Ondanks druk van minister Jorritsma (Economische Zaken) zal minister Pronk (Vrom) de waterbedrijven niet privatiseren. Voorlopig wordt leidingwater alleen door de overheid verkocht. Critici, onder wie Europees commissaris Frits Bolkestein (verantwoordelijk voor de interne EU-markt), wijzen op het gevaar de Europese boot te missen. Door tegen de Europese trend in te gaan (liberalisering en privatisering) kunnen de Nederlandse waterbedrijven niet uitgroeien tot grote Europese spelers. Terwijl andere, Europese geprivatiseerde waterbedrijven dat wel kunnen. Bolkestein, in vakblad Waterspiegel: «Pronk veroordeelt de Nederlandse watersector tot de status van Pinkeltje in Madurodam.»

Energie — Grote bedrijven kunnen nu al stroom kopen bij het bedrijf van hun keuze. Het midden- en kleinbedrijf zal in 2002 volgen en consumenten kunnen in 2004 gaan winkelen. Vanaf 1 juli 2001 kunnen consumenten zelf al bepalen van wie zij groene stroom kopen.

Stroomnetbeheerder TenneT (de beheerder van het landelijk elektriciteitsnet) werd onlangs gerenationaliseerd. Als de PvdA voet bij stuk houdt, zullen de regionale netwerken niet in eigendom van de distributeurs geprivatiseerd worden. Naar schatting worden de distributiebedrijven hierdoor drie kwart minder waard. De houding van Essent is helder: geen netwerk, geen beursgang.