Vrijhandel, het heilige neoklassieke huisje

Eerst m’n baan terug!

Al voor de overwinning van Trump verweten de voorstanders van vrijhandel de tegenstanders populisme en bangmakerij. Maar ook neoliberale economen twijfelen steeds openlijker aan de zegeningen.

Medium hh 53398986

Het is ‘de grootste diefstal in de geschiedenis van de wereld’, al die banen en bedrijven die China van de Verenigde Staten heeft gepikt. En gemakkelijk dat het ging, ‘alsof ze snoep afpakten van een baby’. Of wat te denken van alle fabrieken die naar Mexico verhuisden dankzij de North American Free Trade Agreement (Nafta)? ‘Een rampzalige deal!’ En dan waren ze ook nog eens van plan het Transpacific Partnership (ttp) af te sluiten, de verdragstekst ligt zelfs al klaar. Maar dat gaat mooi niet door, niet zolang hij president is. Hij gaat ze terugbrengen, de goed betaalde productiebanen voor de Average Joe; Nafta wordt heronderhandeld en het ttp is een gedrocht dat linea recta de prullenbak in kan. En als de Chinezen moeilijk doen, dan slingert hij er gewoon een importheffing tegenaan. Het is gedaan met het tijdperk van globalism, vanaf nu is het America first.

Zou het dit soort retoriek zijn geweest die Donald Trump het beslissende zetje heeft gegeven? Natuurlijk, zijn campagne was doordrenkt van racisme en misogynie, maar Trump speelde ook bewust in op de economische onzekerheid bij veel boze witte burgers, de ‘downwardly mobile white Americans’, zoals George Packer ze onlangs noemde in The New Yorker. De Republikeinse kandidaat brak rigoureus met de economische orthodoxie van zijn partij en fulmineerde tegen de belabberde handelsakkoorden die de incapabele leiders hadden afgesloten en die de gewone Amerikaan in de kou lieten staan. Het was een boodschap die ongetwijfeld resoneerde bij arbeiders in de cruciale swing states, die hun banen zagen verdwijnen, en bij de lower middle class van wie het inkomen stagneerde.

Niet alleen in de Verenigde Staten zijn de ‘verliezers van de globalisering’ een politieke factor van belang geworden. In Europa blijven de protesten tegen ttip en ceta aanzwellen en stemden de Engelsen voor een Brexit in een poging ‘to take back control’. Nog voor Trumps verkiezing zaten de wereldleiders op de G20-top in Hangzhou met de handen in het haar. Nota bene de Chinese president Xi Jinping, toch niet de meest voor de hand liggende verdediger van vrijhandel, waarschuwde dat we vooral niet mogen vervallen in protectionisme, nu de wereldeconomie op dit ‘cruciale kruispunt’ staat. imf-directeur Christine Lagarde drong er zelfs bij de zakenwereld op aan om vooral te lobbyen voor meer ‘openheid’: ‘Als er geen internationale handel is, als er geen grensoverschrijdende investeringen zijn, als diensten, kapitaal, mensen en goederen de grens niet kunnen oversteken, dan betekent dat minder activiteit voor jullie; het betekent minder banen, in welk land je hoofdkantoor ook staat.’

Lagarde’s schaamteloze smeekbede bij de captains of industry heeft alles te maken met de opkomst van een nieuwe alliantie van globaliseringscritici die de vrijhandelsconsensus aan het wankelen heeft gebracht. Rond de eeuwwisseling was het verzet tegen globalisering nog het domein van linkse activisten die, met No Logo van Naomi Klein in de rugtas, afreisden naar Seattle om te protesteren rond de bijeenkomst van de Wereldhandelsorganisatie (wto). In de hoogtijdagen van het antiglobalisme, in 2001, kwamen ruim tweehonderdduizend anarchisten, socialisten en allerhande antikapitalisten samen bij de G8-top in Genua om hun ongenoegen over het mondiale handelssysteem kenbaar te maken – een massademonstratie die uitmondde in grootschalige rellen en een gewelddadige confrontatie met de politie.

Met zijn bestseller Globalization and Its Discontents (2002) voorzag Joseph Stiglitz de antiglobalisten van intellectuele ammunitie: als econoom bij de Wereldbank zag hij hoe een marktgedreven globalisering een vernietigend effect had op ontwikkelingslanden. Het Internationaal Monetair Fonds handelde vanuit een blinde ideologie en veroorzaakte vaak meer problemen dan het oploste. De baten van internationale handel werden ongelijk verdeeld en het was vooral het grootbedrijf dat kon profiteren.

Vijftien jaar later zijn de ‘andersglobalisten’ terug van nooit weggeweest en vinden hun argumenten meer weerklank dan ooit. ttip, het investerings- en handelsverdrag tussen Europa en de Verenigde Staten, stond al op losse schroeven en lijkt met president Trump definitief van de baan. India zegde in augustus 57 handelsverdragen op, uit frustratie over de arbitragehoven waar bedrijven steeds exotischer claims aanhangig maakten. En vorige maand was Wallonië even het Gallische dorpje dat dapper weerstand bood aan het grootkapitaal, toen de socialistische regering weigerde het vrijhandelsverdrag met Canada (ceta) te ondertekenen. Handelsbeleid is niet langer een onderonsje tussen technocraten, maar een zaak waar de burger zich mee wenst te bemoeien.

Ondertussen hebben de andersglobalisten bijval gekregen van rechtse demagogen. Op het vlak van handel kent de agenda van Bernie Sanders best wat overlap met de voorstellen van Donald Trump. In hun afkeer van ttip kunnen Jesse Klaver en Geert Wilders elkaar de hand reiken. En de coalitie van Brexiteers omvatte zowel Tories als Whigs. Voor het Britse weekblad The Economist was het reden om te constateren dat onze tijd wordt gekenmerkt door een nieuwe politieke scheidslijn: de tegenstelling tussen links en rechts is achterhaald, de nieuwe kloof loopt tussen ‘open’ en ‘gesloten’.

Met die karikaturale tweedeling belanden critici van globalisering onmiddellijk in het verdomhoekje. Het ‘gesloten’ kamp, dat zijn de barbaren die de grenzen dicht willen gooien, protectionisme voorstaan en zich het liefst terugtrekken in de cocon van de natiestaat. De verdedigers van een open samenleving, met het weekblad als trotse woordvoerder, zijn de verlichte geesten die begrijpen dat migratie onvermijdelijk is, dat vrijhandel welvaart oplevert en dat experts nu eenmaal nodig zijn om supranationaal bestuur in goede banen te leiden. The Financial Times kon zich wel vinden in deze eenvoudige dichotomie: wat we nu zien, schreef redacteur Shawn Donnan in september, is een strijd tussen Free Trade versus Populism. En op 8 november 2016 won het populisme.

‘Sommige media hebben de neiging om kritiek op vrijhandel op één hoop te gooien met xenofobie’, zegt Robert Went. ‘Ze zien meteen een tegenstelling tussen globalisten en nationalisten, maar daarmee missen ze waar dit werkelijk over gaat: de spelregels van globalisering worden aan de kaak gesteld. Dat is iets wat al twintig jaar in opkomst is en nu breder wordt gedragen dan ooit. Er zijn allerlei prachtige beloftes gedaan over de voordelen van vrijhandel en veel mensen beginnen zich te realiseren dat die lang niet allemaal zijn waargemaakt.’

Voor de econoom bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (wrr) is het een verademing dat het debat over globalisering zo leeft. Al ruim twintig jaar schrijft hij over dit thema, maar soms voelde hij zich een roepende in de woestijn. Toen hij in 1996 Grenzen aan de globalisering publiceerde was hij een dissidente stem in zijn vakgebied. Aan de overzijde van de oceaan vond hij een bondgenoot in de Turkse Harvard-econoom Dani Rodrik, die een jaar later het boek Has Globalization Gone Too Far? uitbracht – een vraag die de meeste van zijn collega’s destijds met een ondubbelzinnig ‘nee’ beantwoordden. Went: ‘De afgelopen jaren heeft Rodrik bij economen enorm aan statuur gewonnen, ik zie overal artikelen van hem verschijnen en iedereen haalt zijn ideeën opeens aan.’

‘Sommige media hebben de neiging om kritiek op vrijhandel op één hoop te gooien met xeno­fobie’

Dat was twintig jaar geleden wel anders, blijkt uit een anekdote die Rodrik optekende in een recent artikel op de opiniewebsite Project Syndicate. Toen hij in 1997 een vooraanstaand econoom benaderde voor een aanbeveling op de achterflap weigerde deze beleefd. ‘Hij zei dat hij het niet per se oneens was met mijn analyse, maar dat hij bang was dat het boek “munitie voor de barbaren” zou zijn.’ Regressieve nationalisten zouden met Rodriks argumenten aan de haal kunnen gaan in hun antiglobalistische protest. Lange tijd waren academici huiverig om te wijzen op de negatieve effecten van vrijhandel, uit angst dat het protectionisme zou voeden.

Inmiddels lijkt de omerta verbroken. Nu de globaliseringsverliezers in opstand komen, worden economen en beleidsmakers tot zelfreflectie gedwongen. De voordelen van vrijhandel, toch een hoeksteen van het liberale economische denken, blijken lang niet zo eenduidig als gedacht. De kritiek op globalisering komt niet langer van een clubje radicalen in de marge, maar is doorgedrongen tot het hart van de economische wetenschap en de opiniepagina’s van de financiële pers. Bezwaren tegen vrijhandel laten zich niet wegwuiven als ongefundeerde volksmennerij, nu zelfs ‘mainstream’ economen soortgelijke geluiden laten horen – zij het op een bedeesdere toon.

Neem de Amerikaanse stereconoom Paul Krugman, iemand die je toch moeilijk van radicalisme kunt betichten. In 1997 verkondigde hij, net als vrijwel al zijn vakgenoten, vol overtuiging de blijde boodschap dat internationale handel goed was voor iedereen, het leverde immers ‘gratis’ welvaart op. ‘Als economen de wereld zouden besturen was er zelfs geen Wereldhandelsorganisatie nodig’, schreef hij destijds. ‘Het is in essentie een kwestie van eigenbelang voor ieder land om vrijhandel na te streven.’ Vergelijk het met de volgende regels uit zijn _New York Times-_blog van begin dit jaar: ‘Het elite-argument voor almaar vrijere wereldhandel dat het publiek wordt voorgehouden, is grotendeels oplichterij.’ Het klopt wel dat internationale handel er over het algemeen voor zorgt dat landen efficiënter en rijker worden, ‘maar de winst is niet zo groot en vrijhandel creëert even makkelijk winnaars als verliezers’.

En die verliezers zijn niet geholpen, maar zelfs extra bestraft, constateert de Belgische econoom Paul de Grauwe in een column voor De Morgen. Werknemers hebben hun lonen zien dalen, werklozen worden gekort op hun uitkering, terwijl miljardairs ongegeneerd hun zakken mochten vullen. Zijn hele academische carrière was de hoogleraar aan de London School of Economics een voorstander van vrijhandel, maar nu komt hij tot de conclusie dat ‘globalisering op haar grenzen botst’. Milieukosten blijven buiten beschouwing en de ongelijkheid in westerse landen is alleen maar toegenomen. Zolang dat niet verandert kunnen nieuwe vrijhandelsakkoorden volgens De Grauwe ‘beter in de ijskast worden gestopt’.

De ultieme personificatie van het voortschrijdend inzicht onder economen is misschien wel Larry Summers. De aan Harvard geschoolde econoom geldt als een van de architecten van het economische beleid van Bill Clinton, de president die globalisering ooit ‘het economische equivalent van een natuurkracht’ noemde. Was Summers in de jaren negentig nog een fervent pleitbezorger van handelsverdragen zoals Nafta, inmiddels is hij van mening dat globalisering aan herziening toe is. ‘Mondiale integratie zou een bottom-up-_project kunnen worden, in plaats van _top-down’, schreef hij in The Financial Times. In plaats van naar ‘internationale handel’ zouden we moeten streven naar ‘internationale harmonisatie’, met meer aandacht voor milieu en arbeidsrechten.

Medium beeldunie 00134588

‘Wie had een paar jaar terug kunnen denken dat Larry Summers nog eens zo kritisch zou zijn over globalisering?’ zegt Robert Went opgetogen. ‘Misschien komen we eindelijk los van ons handelsfetisjisme.’

De vrijhandelsdiscussie is de laatste hoos van een wind die sinds de crisis door de economische faculteiten waait en wordt aangewakkerd door ReThink Economics, de internationale actiegroep van studenten die hun vakgebied eens goed willen doorluchten. Te lang hebben academici zich vastgeklampt aan hun neoklassieke modellen en geloofd dat ze voorspellingen konden doen met een wiskundige precisie. Ruimte voor ideologische pluriformiteit in de opleiding was er nauwelijks en onderliggende aannames werden niet kritisch onder de loep genomen, terwijl de theorieën uit de lesboeken zelden overeenkomen met de rommelige werkelijkheid. Zo ook bij globalisering: in theorie brengt die voorspoed voor allen, in de praktijk profiteert lang niet iedereen.

‘Iedere student economie krijgt ingeprent: vrijhandel is gewoon iets goeds’, zegt Robert Went. ‘De term heeft al een positieve connotatie: “vrijhandel” klinkt mooi, terwijl “protectionisme” toch een beetje een vies woord is.’ De vader van dit idee is de Britse econoom David Ricardo, die in 1817 de theorie van het comparatieve voordeel ontwikkelde. In een notendop: internationale handel bevordert specialisatie, waardoor de productiekosten dalen en de algehele welvaart stijgt. Als Portugal zich zou specialiseren in wijn en Engeland in textiel, zo illustreerde hij zijn theorie met een eigentijds voorbeeld, zijn beide landen beter af. ‘Maar veel economen hebben nooit écht Ricardo gelezen, of de kritieken bestudeerd die daar vervolgens op zijn geformuleerd’, zegt Went. ‘Als je dat wél doet, kom je er al snel achter dat er veel onbepaald is en er talloze aannames worden gedaan. Zelfs het beroemde historische voorbeeld dat Ricardo geeft is betwist. Er is een proefschrift dat dit na is gegaan en tot de conclusie kwam dat dit helemaal niet zo simpel was. Portugal profiteerde veel minder dan Engeland.’

Dat vrijhandel gepaard gaat met baanverlies wisten economen natuurlijk best. Maar zolang de winnaars de verliezers zouden compenseren, zou iedereen beter af zijn. ‘Het probleem is alleen dat dit in de praktijk nooit gebeurt’, zegt Went. ‘Dat beginnen steeds meer economen in te zien. Een paar jaar geleden bracht slechts een handjevol mensen, zoals Dani Rodrik en Joseph Stiglitz, deze boodschap, nu erkennen zelfs de grootste cheerleaders van globalisering dit.’

‘Fanatieke verdedigers van globalisering reageren nu heel defensief en erg hautain’

Dat de zegeningen van vrijhandel in de afgelopen decennia niet evenredig zijn verdeeld, bewijst Wereldbank-econoom Branko Milanovic in zijn laatste boek Global Inequality: A New Approach for the Age of Globalization. Aan de hand van een uitgebreide dataset toont hij wie er sinds de jaren tachtig hebben geprofiteerd van globalisering en wie er bekaaid vanaf zijn gekomen. De statistieken liegen er niet om: het was vooral de middenklasse in relatief arme Aziatische landen en ’s werelds ultrarijken (de mondiale ‘top 1 procent’), die erop vooruit zijn gegaan. Terwijl de (lagere) middenklasse in het relatief rijke Westen haar welvaart de afgelopen dertig jaar nauwelijks zag groeien – in Europa en de Verenigde Staten nam de ongelijkheid dan ook toe.

De remedie lijkt eenvoudig: om het ‘globaliseringsproject’ te redden moeten we ervoor zorgen dat de taart beter wordt verdeeld. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Want was het niet juist globalisering die beleidsmakers ertoe dwong om de arbeidsmarkt te liberaliseren? Werden niet uit naam van ‘competitiviteit’ de sociale voorzieningen uitgekleed en de bedrijfsbelastingen verlaagd? Zo groeiden de inkomensverschillen en werd de basis voor de welvaartsstaat steeds verder uitgehold. Door globalisering voor te stellen als een ‘natuurkracht’, een onstuitbaar en onomkeerbaar proces, konden politici hun besluiten verkopen als alternativlos. Aan beleidsmakers restte immers slechts de taak om verdere mondiale integratie te faciliteren.

‘Toen ik in de jaren negentig discussieerde over globalisering kreeg ik van alle kanten klappen’, vertelt Went. ‘Velen waren van mening dat de natiestaat door globalisering irrelevant zou worden. Nationale overheden zouden steeds minder te vertellen krijgen. Onzin, vond ik dat toen al. Nationale politiek wordt juist steeds belangrijker, zij moet immers zorgen voor het compenserende mechanisme. Alleen de staat kan een sociaal vangnet spannen of ontslagen arbeiders begeleiden naar een nieuwe baan. Tijdens de crisis van 2008 bleek ook dat nationale regeringen helemaal niet overbodig zijn geworden. Wie had anders de banken moeten redden? Dat besef begint langzaam in te dalen. Nu heeft Larry Summers het over “responsible nationalism” en pleit Lodewijk Asscher voor een “progressief patriottisme”.’

Een sterke nationale democratie is onmisbaar om slimme en rechtvaardige spelregels van globalisering op te stellen, dit is precies ‘The Globalization Paradox’ waar Dani Rodrik in zijn boek uit 2011 op wijst. Maar vanaf de jaren tachtig heeft een marktfundamentalisme ons richting ‘hyperglobalisering’ gedreven, alsof het vrije verkeer van goederen en kapitaal een doel op zich was. ‘We doen soms alsof een euro die we verdienen met handel meer waard is dan een euro die verdiend wordt door de plaatselijke bakker’, zegt Went. ‘Als het over migratie gaat, zal vrijwel niemand beweren dat we de grenzen volledig open moeten gooien. En inmiddels hebben we ook ingezien dat restricties op het kapitaalverkeer soms nodig zijn voor landen of de stabiliteit van de wereldeconomie. Waarom zou vrijhandel dan niet mogen worden gereguleerd, of in bepaalde gevallen beperkt?’

Hoe zwaarder vrijhandel onder vuur komt te liggen, hoe dieper de voorstanders zich verschansen in hun ideologische loopgraven. Begin oktober bracht The Economist een themanummer uit ‘ter verdediging van globalisering’. Op de cover staat een grimmige tekening van demonstranten die borden in de lucht steken met daarop leuzen tegen migranten, ttip, kapitalisme en experts. Het opschrift: ‘Why they’re wrong’. Gezien zijn ontstaansgeschiedenis is het niet vreemd dat het liberale weekblad in de bres springt voor vrijhandel: The Economist werd opgericht in 1843 uit protest tegen de protectionistische Corn Laws, die Engelse landeigenaren beschermden tegen de import van goedkoop graan. De free traders zegevierden, de graanwetten werden afgeschaft en tot de dag van vandaag werpt The Economist zich op als voorvechter van vrije wereldhandel. ‘Het pleidooi voor openheid is grotendeels hetzelfde als toen dit blad werd opgericht’, was het redactionele commentaar in de special.

De verdediging van globalisering bestaat bij The Economist vooral uit het oppoetsen van de klassieke theorie van David Ricardo. Oké, wat meer aandacht voor de globaliseringsverliezers kan geen kwaad, maar een ‘reset’ van het handelsbeleid is nergens voor nodig. Globalisering heeft ons voorspoed gebracht en zal dat blijven doen, zolang we maar niet terugvallen in een primitief protectionisme. Ongehinderde vrijhandel is nog altijd de enige weg vooruit. Het special report besluit met een prachtige cirkelredenering: de bewijsvoering uit 1843 staat nog altijd fier overeind, want ‘wat deze argumenten hun kracht en blijvende geldigheid verschaft, is dat ze nu eenmaal waar zijn’.

‘Sommige voorstanders van vrijhandel blijven maar volhouden dat There Is No Alternative’, zegt de Vlaamse econoom Paul de Grauwe in een Skype-interview. ‘Linkse tegenstanders zijn soms blind voor de successen van het kapitalisme, maar fanatieke verdedigers van globalisering hebben evengoed oogkleppen op. Ze reageren nu heel defensief en erg hautain.’ En ze gebruiken drogredeneringen, want in het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst, zoals The Economist het doet voorkomen. We leven niet meer in de negentiende eeuw: onze wereld ís al in hoge mate geïntegreerd. ‘De voordelen van vrijhandel zijn het grootst wanneer je van extreem protectionisme naar vrije handel gaat’, zegt De Grauwe. ‘Maar het laaghangende fruit is inmiddels wel geplukt. De nieuwe reeks handelsverdragen gaat helemaal niet over het afschaffen van importtarieven, die bestaan nauwelijks meer tussen Europa en Noord-Amerika. Het gaat over het harmoniseren van regelgeving rondom gezondheid en veiligheid en daarmee raak je aan de democratische soevereiniteit. Het is logisch dat daar discussie over ontstaat. Om nu nog vruchten te kunnen plukken moeten we gevaarlijk hoog de boom in klimmen, met alle risico’s van dien.’

En dan zijn die vruchten ook nog eens weinig sappig. Zelfs volgens de meest optimistische prognoses is de winst van de nieuwe verdragen in termen van economische groei verwaarloosbaar. Toch schreeuwen sommige politici en commentatoren moord en brand nu ttip in het gedrang lijken te komen. Alsof het een economische ramp zou betekenen wanneer de onderhandelingen spaak lopen. ‘Totaal overtrokken’, oordeelt De Grauwe. ‘Het gevaar is juist dat de maatschappelijke steun voor zinvolle globalisering afbrokkelt, als we koppig vast blijven houden aan deze vrijhandelsagenda.’

Vaak zijn het de tegenstanders van ttip en ceta die beschuldigd worden van bangmakerij, maar voorstanders kunnen er ook wat van, merkte Ferdi De Ville. De politicoloog van de Universiteit Gent volgt het Europese handelsbeleid op de voet en schreef vorig jaar, samen met een collega, een boek over ttip. In oktober laaiden de emoties in het vrijhandelsdebat hoog op in België, toen de Waalse socialisten dwars lagen bij de ondertekening van het handelsverdrag met Canada. Met verbazing zag De Ville hoe fel en irrationeel de verdedigers van ceta reageerden: ‘Als je ook maar enigszins twijfels uitte over ceta werd je direct uitgemaakt voor een populist of een holbewoner. Terwijl juist voorstanders vaak argumenten aanvoerden die ronduit belachelijk waren. Het ging bijna nooit over de inhoud of directe effecten van het verdrag. We zouden ceta moeten ondertekenen omdat Canada zo’n sympathiek en progressief land is (terwijl het akkoord onderhandeld is met de vorige conservatieve regering). En als het niet door zou gaan, zouden we in een recessie terechtkomen. Of de Walen zouden de geloofwaardigheid van heel Europa op het spel zetten – er werd zelfs geschermd met het einde van België.’

Het zijn de ‘egel’-economen die zich in het nauw gedreven voelen, zou Dani Rodrik zeggen. In The Globalization Paradox past hij het onderscheid tussen egels en vossen, dat de Britse filosoof Isaiah Berlin maakte in het beroemde essay over Tolstoj (The Hedgehog The Fox), toe op zijn vakgenoten. De tweedeling gaat terug op een uitspraak die wordt toegeschreven aan de Griekse dichter Archilochus: ‘De vos weet vele dingen, maar de egel weet één groot ding.’ Egels bekijken de wereld vanuit een allesomvattende theorie: ze zien uitzonderingen over het hoofd, poetsen discrepanties weg en worden niet snel aan het twijfelen gebracht. Het zijn de vrijhandelsfundamentalisten die weigeren in te zien dat hun axioma feilbaar is. Vossen, daarentegen, wantrouwen Grote Ideeën, schaven hun denkbeelden constant bij en zijn doordrongen van de weerbarstigheid van de werkelijkheid. Nu een vos als Paul de Grauwe zich hardop de vraag stelt of we de grenzen van globalisering hebben bereikt, krijgt hij van ‘egel’-collega’s het emotionele verwijt dat hij overgelopen is naar het kamp van protectionisten. ‘Terwijl dat natuurlijk absoluut niet is waar ik voor pleit’, zegt hij.

‘Ik denk dat economen het gevoel hebben dat oude zekerheden verschuiven’, zegt Ferdi De Ville. ‘Dat maakt hen nerveus, dus grijpen ze in de discussie over ttip of ceta terug op de simpele formule dat vrijhandel meer welvaart oplevert.’ Decennialang waren hun ideeën dominant, zowel sociaal-democraten als liberalen luisterden braaf naar hun economische adviezen. Liberalisering, deregulering en marktwerking was het devies voor succesvol bestuur; vrijhandel was een no brainer. Maar nu er ook tegen dit heilige neoklassieke huisje wordt geschopt, zetten de egels zich schrap voor een ideologische twist. ‘Onbelemmerde vrijhandel is misschien wel de laatste pilaar van de Washington Consensus die nog overeind staat’, denkt De Ville. ‘Sommige economen houden zich krampachtig vast aan de laatste zekerheid van hun wereldbeeld.’


Beeld: (1) Vrijhandelsfundamentalisten weigeren in te zien dat hun axioma feilbaar is (Jochen Knobloch); (2)Rotterdam, veiligheids- inspectie op een schip met allerlei soorten lading aan boord (Freek van Arkel / De Beeldenunie)