Moreel rendementsdenken

Eerst rekenen, dan geven

Onder de noemer ‘effectief altruïsme’ proberen filosofen de weldoener aan de tucht van de ratio te onderwerpen. Bestaat er zoiets als optimaal goed doen?

Medium groene moreel 20rendement i

‘De natuur heeft de mensheid onder het regime van twee soevereine meesters geplaatst: pijn en plezier. Zij alleen behoren ons de weg te wijzen en zij alleen mogen bepalen wat we moeten doen’, schreef rechtsfilosoof Jeremy Bentham aan het einde van de achttiende eeuw. Hij legde daarmee de basis voor het utilitarisme, een moraalleer die het denken prikkelt, maar in de praktijk tot absurde conclusies kan leiden. Zoveel mogelijk plezier, zo min mogelijk pijn in de wereld veroorzaken – het zou betekenen dat je niet zou moeten aarzelen je geliefde voor de trein te duwen als daarmee de levens van vijf op het spoor vastgebonden onschuldige slachtoffers kunnen worden gered.

Ruim twee eeuwen na Bentham is er een intellectuele beweging op gang gekomen die een poging doet het utilitarisme van een nieuwe toepassing te voorzien. Deze denkers leggen de euro’s die in collectebussen verdwijnen, de vele uren vrijwilligerswerk die mensen verzetten en de algemeen menselijke behoefte om anderen te helpen, langs een benthamiaanse meetlat. ‘Effectief altruïsme’ is het label voor deze beweging en effectief altruïsten hebben een simpele vraag: welke handelingen leveren het meeste resultaat op waar anderen van profiteren?

Geen betere manier om een nieuwe denktrend te begrijpen dan met een voorbeeld. Neem James Orbinski, een Canadese arts en oud-voorzitter van Médecins Sans Frontières. Halverwege de jaren negentig werkte hij in een klein Rode Kruis-ziekenhuis in Rwanda. Hij bevond zich midden in het oplaaiende geweld tussen de Hutu’s en de Tutsi’s. De vele slachtoffers die in Orbinski’s ziekenhuis binnenkwamen, stelden hem voor moeilijke keuzes. Zijn team kon de hoeveelheid gewonden niet aan. Om systeem aan te brengen kreeg iedereen die zich meldde een nummer: één betekende ‘direct behandelen’, twee stond voor ‘binnen 24 uur medische hulp verlenen’. Zo zwaar verwond dat redding eigenlijk uitgesloten was, betekende een nummer drie. Een gruwelijke situatie, die Orbinski dwong te kiezen hoe zijn beperkte middelen zo te besteden dat er zoveel mogelijk mensenlevens werden gered.

Het verhaal van Orbinski wordt gebruikt door William MacAskill, filosoof aan de universiteit van Oxford en auteur van Doing Good Better: How Effective Altruism Can Help You Make a Difference, een pleidooi voor effectief altruïsme. Iedereen die een poging doet om mensenlevens te redden of aangenamer te maken moet moeilijke afwegingen maken, concludeert MacAskill. Wie een deel van zijn inkomen aan het Aids Fonds geeft, verkiest hiv-bestrijding boven de bestrijding van andere levensbedreigende ziektes. Wie een jaar vrijwilligerswerk doet in Zuid-Amerika heeft besloten zijn tijd niet te besteden aan mensen in Bangladesh.

‘De realiteit is dat als we de wereld een betere plek willen maken, we keuzes moeten maken zoals Orbinski dat deed’, schrijft MacAskill. En als we die keuzes maken, kunnen we ons het best laten leiden door utilitaire argumenten, is het centrale punt van Doing Good Better. Bedenk voordat je geld weggeeft aan een goed doel hoeveel mensen van je gift profiteren, en in welke mate ze worden geholpen. Vraag je ook af of dit het meest effectieve is dat je kunt doen. Kijk of je gekozen doel niet al door duizenden anderen wordt ondersteund. Redeneer: wat gebeurt er als ik een andere keuze maak? En ten slotte: vraag je af wat de kansen op succes zijn en hoe goed dat succes zal zijn. Wie deze vragen consequent toepast op de momenten dat hij iets voor anderen doet, kan zichzelf een effectief altruïst noemen, aldus MacAskill.

Medium groene moreel 20rendement iii

De hamvraag is natuurlijk: waar begin je met het vinden van een antwoord op die vragen? Orbinski moest ter plekke beslissen wie te helpen en wie niet. Maar hoe vergelijk je het nut van kankeronderzoek met een campagne om geld op te halen voor als? Is het beter om de voedselbank te bemannen of om een fundraiser voor Burkina Faso te organiseren? Appels versus peren. Om dit probleem op te lossen zoeken effectief altruïsten hulp bij de gezondheidseconomie. Ze meten de effecten van goed doen aan de hand van quality-adjusted life years, oftewel qaly’s. Een qaly staat voor een levensjaar doorgebracht in goede gezondheid.

Wie op zijn vijftigste van blindheid wordt verlost, en 75 wordt, heeft vijftien qaly’s erbij

Hoeveel welzijnspunten een gemiddeld mens inlevert bij ziekte en gebrek is het onderwerp van een kleine wetenschappelijke industrie op zich. Zo hebben onderzoekers berekend dat blind zijn (maar voor de rest in goede gezondheid verkeren) gelijk staat aan 0,4 qaly. Uit enquêtes onder nierpatiënten die dialyse nodig hebben blijkt dat ze hun leven gemiddeld 0,56 qaly geven. En daarmee kan het rekenen beginnen. Een jaar langer leven met een nieraandoening levert volgens deze systematiek meer op dan een jaar langer leven in blindheid. De winst van het genezen van blindheid is 0,6 qaly per jaar. Wie op zijn vijftigste van blindheid wordt verlost, en 75 wordt, heeft 25 x 0,6 = 15 qaly’s erbij. Dezelfde extra levensjaren voor een nierpatiënt leveren 25 x 0,56 = 14 qaly’s op. ‘Qaly’s zijn een universele munteenheid voor gebrek’, schreef filosoof Amia Srinivasan in een bespreking van Doing Good Better in de London Review of Books.

Om dit soort rekenwerk te kunnen doen moet de theorie niet al te veel worden lastiggevallen door de praktijk. In werkelijkheid gaat de keuze natuurlijk niet alleen tussen de Nierstichting en het Oogfonds. Ook het Aids Fonds en duizenden andere goede doelen dingen mee om de gunst van de altruïst die een deel van zijn inkomen ten behoeve van anderen wil besteden (een jaar leven met hiv is 0,5 qaly waard, met aidsremmers 0,9). En zo kun je onderdelen aan de vergelijkingen blijven toevoegen.

Behalve qaly’s tellen schrijft het effectief altruïsme volgens MacAskill voor dat je kijkt naar de marginale meeropbrengst van je handelingen. Ook hier leunt dit denken op een economische wet: overvloed lijdt tot waardevermindering. (Water is goedkoop omdat het voor bijna niks uit de kraan komt. Maar bedenk hoeveel je zou willen betalen voor een liter water als je sterft van de dorst.) Dat geldt ook voor goed doen. Als iedereen kiest voor dezelfde doelen, neemt de impact van de individuele steun af (als je zoveel mogelijk impact wil hebben, zoek verwaarloosde problemen, is een van de adviezen in MacAskills boek).

De laatste stap van de rekensom is bedenken wat er zou gebeuren als je je tijd en geld anders zou besteden. Als jij geen dokter wordt, dan wordt iemand anders dat wel in jouw plaats. De meeropbrengst van de keuze om arts te worden is dus klein. Overweeg een carrière als hedgefondsmanager en geef het grootste deel van je inkomen weg, suggereert MacAskill. Daarmee scoor je meer qaly’s dan een leven lang aan de operatietafel staan. Earning to give heet het onder effectief altruïsten. Zo ontleent het effectief altruïsme zijn legitimiteit aan de impliciete belofte dat in theorie, als alle variabelen in de rekensom zijn gestopt, het optimum aan mogelijke weldoenerij kan worden berekend.

Medium groene moreel 20rendement ii

Net nu de economische wetenschap afstand begint te nemen van het idee dat een rommelige werkelijkheid zich in abstracte modellen laat vangen begint dit moreel rendementsdenken aan een opmars. Effective altruism (EA voor ingewijden) is bezig uit te groeien tot een losjes samengestelde mondiale beweging van individuen die zich aangesproken voelen door de missie altruïstische keuzes te bevrijden van de willekeurige beslissingen die mensen nemen op dit vlak. Want in de kern komt EA daar op neer: wie zijn mantelzorg verleent aan zijn buurvrouw of geld geeft aan een collectant die hij tegenkomt op straat, denkt in feite niet na. Het zijn ‘irrationale’ beslissingen, die niet door analyseren, maar door toevalligheid worden bepaald. Misschien dat iemand anders dan je buurvrouw wel veel harder hulp nodig heeft. Misschien levert een ander goed doel wel meer qaly’s op.

Om uit te denken hoe de altruïst zijn keuzes dan wel moet maken, zijn er EA-conferenties, Facebook-groepen en mailinglijsten. In steden overal ter wereld komen groepen samen om te praten over hoe ze deze filosofie in hun dagelijks leven kunnen inpassen. In Oxford wordt het qaly-denken verder uitgediept bij het door MacAskill en anderen opgerichte Centre for Effective Altruism. Deze onderzoeksschool verzamelt zoveel mogelijk bewijs om geïnformeerde altruïstische keuzes te maken en biedt onderdak aan stichtingen die zich aansluiten bij het EA-gedachtegoed. Een daarvan is Giving What We Can, die mensen probeert over te halen om tien procent van hun jaarinkomen te doneren aan de meest effectieve goede doelen (ontwormingscampagnes en het uitdelen van muggennetten leveren volgens dit centrum de meeste qaly’s op). Daarnaast is er 80.000 Hours. De naam verwijst naar het aantal uren dat een gemiddeld mens ongeveer werkt in een leven. Pas afgestudeerden kunnen daar terecht voor advies over carrièrekeuzes die zoveel mogelijk ‘positieve impact’ hebben op de wereld.

Het effectief altruïsme is een morele filosofie die de moraal probeert op te heffen

De grote inspirator van deze trend is Peter Singer, de Australische moraalfilosoof die naam maakte als pleitbezorger van dierenrechten en berucht werd door strikte toepassingen van de utiliteitsleer. In 2011 verscheen zijn boek The Most Good You Can Do: How Effective Altruism Is Changing Ideas About Living Ethically waarin Singer een nieuwe draai geeft aan het centrale punt waarop zijn denken steunt: goed doen betekent geen willekeurig onderscheid maken tussen mensen. Je bent zelf niet belangrijker dan je buurman. Er is geen doorslaggevende reden waarom het leven van jouw moeder meer waard is dan dat van de moeder van iemand anders.

Een klassiek singeriaans gedachte-experiment gaat als volgt: stel je treft een kind op straat dat sterft van de honger en je hebt een brood bij je. Het zou immoreel zijn om door te lopen en het brood zelf op te eten. Wereldwijd sterven duizenden kinderen van de honger. Dat we die toevallig niet tegenkomen, betekent niet dat het minder immoreel is ze niet te helpen. Zo gaat het verder: stel je hebt geen brood in je handen, maar een euro (en nog veel euro’s meer op je bankrekening). Geef je die dan weg zodat het hongerige kind eten kan kopen? Natuurlijk. Maar dan is het inconsequent dat je die euro zelf houdt als het om kinderen op een ander continent gaat.

Singers The Most Good You Can Do is een pleidooi om zo naar je eigen leven te kijken. Doorgeredeneerd betekent dit dat je je inkomen zou moeten weggeven totdat de marginale meeropbrengst in qaly’s in de wereld nul is. Singer ondersteunt zijn betoog met portretten van altruïsten die redeneren en rekenen voordat ze goed doen. Julia, die moeder wilde worden maar besloot kinderloos te blijven omdat ze zo ‘meer nut voor de wereld’ heeft. Zell, de vastgoedmiljardair die bijna zijn gehele vermogen weggaf en tot het inzicht kwam dat het hebben van twee nieren betekende dat hij zijn leven vierduizend keer zoveel waard vond als dat van een ander. Zell doneerde zijn nier aan een vreemde.

Om te komen tot de redeneringen die het effectief altruïsme ondersteunen gaat Singer uit van wat de negentiende-eeuwse filosoof Henry Sidgwick ‘the point of view of the universe’ noemt. Als je maar ver genoeg uitzoomt, lijken alle mensen op elkaar en verdwijnen de redenen om het welzijn van het ene individu boven dat van een ander te stellen. Het universum is onverschillig, en dat zouden effectief altruïsten ook moeten zijn. ‘Effectief altruïsten’, schrijft Singer, ‘zijn in staat zichzelf te onthechten van meer persoonlijke overwegingen die ons leven doorgaans bepalen.’

En wie zijn eigen leven eenmaal beschouwt vanuit het standpunt van het universum ziet dat er een hoop aangepast kan worden. De keuzes die we maken als consument, als altruïst, als vriend, als familielid, als geliefde, allemaal hebben ze een effect in qaly. En daarmee loert achter iedere handeling de mogelijkheid dat iets anders doen meer kan opleveren.

Wie een idee wil krijgen hoe de levens eruitzien van mensen die dit soort effectief altruïsme consequent doorvoeren, kan Strangers Drowning: Voyages to the Brink of Moral Extremity openslaan, het recente boek van Larissa MacFarquhar. Deze Amerikaanse journalist schreef diepgaande portretten van gewone mensen die hun volledige leven in het teken zetten van anderen helpen. Speelde een ‘dienstbaar leven’ zich ooit voornamelijk achter kloostermuren af, in de 21ste eeuw is wat MacFarquhar een do-gooder noemt iemand die morele redeneerschema’s volgt alvorens een beslissing te nemen. Het resultaat is een leven zoals dat van Aaron, iemand die zich afvraagt hoe hij in hemelsnaam tijd kan besteden aan tv kijken als elders ter wereld mensen van de honger omkomen. Aaron voelt zich ongemakkelijk om te zorgen voor zijn eigen familie, omdat er anderen zijn die zijn aandacht meer nodig hebben. Het werk van Peter Singer was een belangrijke inspiratiebron voor hem.

De extreme altruïsten die MacFarquhar portretteert doen een hoop goed voor anderen, vaak ten koste van zichzelf en hun naasten. De man die een leprakolonie begint in de jungle van India brengt zijn kinderen in gevaar. Het koppel dat twintig kinderen adopteert omdat er altijd wel een kind te vinden is dat hun zorg en aandacht kan gebruiken, moet die tijd en aandacht steeds dunner spreiden. In dit soort levens ligt een antwoord besloten op de vraag welke nieuwe rol altruïsme speelt in deze tijd, of het nu effectief is of niet. Het is een verzameling theorieën, opvattingen en imperatieven die structuur geven aan alles wat een mens dagelijks doet. Op die manier geldt voor altruïsme hetzelfde als voor religie of politieke doctrine: het is een afzetpunt door discussies, een toetssteen voor je eigen motieven en voorkeuren, en voor die van anderen.

En zoals bij alle denksystemen die richting geven aan het leven, heb je verschillende gradaties van toewijding. Er zijn groepen voor wie de theorie heilig is, en mensen die de leer meer losjes toepassen in hun leven. Toen Mark Zuckerberg onlangs besloot om zijn vermogen weg te geven, schreef William MacAskill van Doing Good Better een opiniestuk in The Guardian waarin hij Zuckerberg opriep om vooral eerst te onderzoeken hoe die miljarden het beste kunnen worden besteed. Zo toegepast is effectief altruïsme vooral een pragmatische filosofie, een oproep om op het moment dat je de keuze maakt anderen te helpen erover na te denken hoe dat het beste kan. Aan de andere kant van het spectrum staan de extreme altruïsten in Strangers Drowning van Larissa MacFarquhar, de groep voor wie het altruïsme een dwingende morele opdracht is.

Uiteindelijk probeert effectief altruïsme die intuïtieve behoefte om niet alleen voor jezelf te leven in een wetenschappelijke mal te wringen. Het is een poging om dat brede spectrum aan complexe en inderdaad vaak irrationele drijfveren van mensen om goed te doen te vervangen door een rekensom. Wat dat betreft is het een morele filosofie die de moraal probeert op te heffen. Het effectief altruïsme is een poging om taaie gesprekken over goed en kwaad te omzeilen door abstracte modellen en rekenmethodes toe passen. Die moeten hét antwoord geven op de universele vraag ‘het goede doen, wat is dat?’. Verschillen van mening worden daarmee uiteindelijk gesmoord. De ratio moet de weg naar het goede leven wijzen. De discussie kan hooguit nog gaan over de gebruikte statistische methodes. Hoeveel kwaliteit van leven daarmee verloren gaat, is de grote vraag die het effectief altruïsme onbeantwoord laat.