Het lot van de Bosjesman

Eerst uitgeroeid, nu uitgegeven

Twee eeuwen geleden aarzelden we nog over hun mens-zijn. Tegenwoordig gelden de Khoisan als onze oer-voorouders – en vanwege hun minimalisme en paleo-dieet ook nog eens als voorbeeld voor de zoekende westerling. Maar wat is er over van hun cultuur?

De minachting die Charles Dickens voor de Afrikaanse Bushman ten toon spreidde was intens. ‘Hij is primitief – wreed, vals, diefachtig, moorddadig, verslaafd aan vet, pens en beestachtige gewoontes; een wild dier’, schreef hij in 1853 in zijn essay The Noble Savages. Voor Dickens, de man die het lot van de Londense onderklasse zo empathisch verwoordde, waren de ‘nobele wilden’ vooral een ‘verbijsterende ergernis’. Uiteindelijk wilde hij nog wel toegeven dat de Bushmen tot het menselijk ras behoren. ‘De verlichte, de verfijnde, de hoogstaande, de principiële blanke – ook al wil hij de verwantschap graag ontkennen – is de broeder van de achterlijke Bushman’, noteerde hij.

Daarmee ging hij in elk geval een stapje verder dan de beroemde Zweedse bioloog Carl Linnaeus, die in de achttiende eeuw de Bushmen niet eens bij homo sapiens wilde indelen, maar hen als homo monstrosus monorchidei classificeerde; mensen met monsterlijke kenmerken. In het geval van de Bushmen werd nogal eens gewezen op de vorm van de geslachtsdelen en de achterwerken.

Dickens en Linnaeus zouden raar hebben opgekeken bij het lezen van het onlangs gepubliceerde artikel in het gerenommeerde natuurwetenschappelijke tijdschrift Nature, waarin een groep Zuid-Afrikaanse en Australische onderzoekers concludeert dat de Bushmen directe afstammelingen zijn van de vroegste versie van de moderne mens, die zich in het noordwesten van het huidige Botswana zo’n tweehonderdduizend jaar geleden in leven hield met jagen en verzamelen. ‘Ooit waren we allemaal Khoisan’, verklaarde hoogleraar vergelijkende genetica Vanessa Hayes, die het onderzoek leidde. Die verachtelijke Bushmen zijn, kortom, onze oer-voorouders, waarvan inmiddels resten zijn gevonden die een geschatte vijftigduizend jaar oud zijn. En kijk hoe we daarmee zijn omgegaan: familiemoord.

Eerst enkele verduidelijkingen. Het woord Khoisan, dat Hayes tijdens haar persconferentie gebruikte, is een lastige term. Khoisan verwijst naar twee groepen bewoners van zuidelijk Afrika, de Khoi en de San. De voornaamste overeenkomst zit in de talen die ze spreken, waarin vooral de klikken opvallen, vijf in totaal, variërend van een harde klap die je met je tong achter in je mond maakt tot een tsss-achtig geluid met de tong tussen de tanden. In de schrijftaal hebben die klikken tekens gekregen als !, /, | en ǂ.

Maar daar houden de overeenkomsten op. De Khoi migreerden een kleine tweeduizend jaar geleden uit andere delen van Afrika naar het zuiden. Zij waren landbouwers en veehouders. De Europese kolonisten noemden ze Hottentots, inmiddels een denigrerend woord. De correcte term is Khoekhoen, wat vertaald kan worden als ‘wij, echte mensen’, een verwijzing naar het feit dat de Khoekhoen vee hadden, wat hen, althans in hun eigen ogen, superieur maakte aan de jager-verzamelaars op wie zij tijdens hun zuidelijke migratie stuitten.

Die jager-verzamelaars, dat zijn de San, de oerbewoners van zuidelijk Afrika, die leefden in een gebied dat delen van Angola, Botswana, Namibië en Zuid-Afrika omsluit. Dit zijn de rechtstreekse voorouders van de moderne mens. De kolonisten noemden hen Bushmen, Bossiesmanne of Bosjesmannen. ‘San’ komt waarschijnlijk van het Khoi-woord Sonqua of Soaqua, wat ‘mensen die anders zijn dan wij’ betekent. Tegenwoordig worden de woorden San en Bushmen probleemloos door elkaar gebruikt.

Van de San, die drie taalgroepen en bijna tachtig dialecten kenden, zijn er nog iets meer dan honderdduizend over. Alleen in Namibië is er nog een groep die in een soort reservaat als jager-verzamelaars in haar bestaan voorziet. De Zuid-Afrikaanse San heetten |xam. Die bestaan niet meer. Zij werden in de achttiende en negentiende eeuw uitgemoord, uitgehongerd of besmet met vreemde ziektes. De Nederlanders, die middels de Verenigde Oostindische Compagnie delen van Zuid-Afrika hadden gekoloniseerd, speelden daar een weinig verheffende rol in.

In zijn essay ‘Fated to Perish’: The Destruction of the Cape San beschrijft de Zuid-Afrikaanse historicus Nigel Penn hoe die tragedie zich voltrok. De voornaamste impuls was de expansiedrang van de Hollandse kolonisten, met als vooruitgeschoven team de zogenaamde trekboere die vanuit de Kaap steeds dieper de droge, onherbergzame binnenlanden in trokken, op zoek naar water en grond voor hun vee. Ze stuitten daar op San-volken. Penn schrijft: ‘Terwijl de Hollandse nederzetting in de Kaap zich ontwikkelde tot een kolonie, verplaatste de frontier zich naar het droge hart van zuidelijk Afrika. [De trekboere] verstoorden en vernietigden de levens van de gemeenschappen die dit gebied door de eeuwen heen tot hun thuis hadden gemaakt.’

De historicus spreekt van een strijd op leven en dood, die ging om land, water en wild, de drie essentiële elementen voor het overleven van de San. Het droge landschap met zijn planten, kruiden, dieren, insecten, vogels, reptielen, rotsen en grotten was tevens de basis voor hun cultuur en filosofie. Het landschap gaf hun de mythen en legenden, de verklaring waarom het leven was zoals het was; het was hun bijbel, hun koran, hun thora.

Alleen kun je land niet bijdrukken. Verlies je het, dan ben je alles kwijt. Dat verklaart waarom de San zo fanatiek – en geruime tijd succesvol – weerstand boden aan de invasiemacht. Penn noemt het ‘een suïcidale weerstand’. Hij citeert een ooggetuige: ‘Ze vechten als razenden, tot de laatste man.’ Alles was beter dan een leven als landloze, als veredelde slaaf.

Al snel raakten de Nederlandse koloniale bestuurders ervan overtuigd dat de San-gemeenschap volledig vernietigd moest worden. Aan beweegredenen geen gebrek. De San-cultuur werd in de eerste plaats als minderwaardig afgeschilderd. De Bushmen waren het prototype van de meest gedegenereerde verschijning van ‘de ander’. Ze kenden geen bezit, geen huizen, ze hadden geen politieke of administratieve structuren, zelfs geen leiders. Hun geloof was primitief en draaide onder meer om een medicijnman en voorouders. Hun taal was onbegrijpelijk. Ze waren analfabeet en onhygiënisch. En op de koop toe bezetten ze grond waar de kolonisten een veel betere bestemming voor hadden.

Ze pasten, kortom, op geen enkele manier in het koloniale denken. Ze hadden geen economisch nut, ze waren met hun aanvallen op de boeren en hun veediefstallen vooral tot last. Ze riepen angst op, huiver en weerzin, verachting en haat. Dat gaf de kolonisten de vrijbrief om erop los te moorden. Penn spreekt van ‘genocidale wreedheden’.

Toen de Britten het bestuur van de Kaap in 1795 overnamen, besloten zij, geschrokken van de Hollandse uitwassen, tot wat meer menselijkheid. De San zouden vee krijgen. En een reservaat. En missionarissen moesten hen bekeren tot het christendom. Dit beleid faalde op alle fronten, aldus Penn. Boeren kwamen hun belofte om vee te doneren niet na. De San waren sowieso geen veehouders. Bezit was hun vreemd. De grenzen van het tot Bushmanland gedoopte reservaat werden door de trekboere genegeerd. En in dat rare christendom hadden de Bushmen vooralsnog weinig trek.

De San zijn nu hip, vanwege hun egalitarisme, open grenzen, non-seksisme, hun diepe band met de natuur, hun anti-materialisme en hun eetgewoonten

Bovendien betekende de Britse overheersing niet dat er een einde kwam aan het geweld tegen de San. Het conflict speelde zich af in het onherbergzame frontiergebied, waar recht en orde vage begrippen waren. ‘Rond 1870 werd er op de laatste San gejaagd’, schrijft Penn. Zij die niet werden doodgeschoten, kwamen om van de honger in de stoffige uithoeken van het kurkdroge land. De ‘beschaving’, die combinatie van christendom, vooruitgangsdenken, macht, hebzucht en materialisme, had gezegevierd.

Heel lang bleef dat het dominante beeld: de San waren restanten uit het Stenen Tijdperk, kleine lichtbruine mensen met verkreukelde gezichten en een rare taal, met namen als Vaalbooi en Rimpelvel. In zijn bekendste boek The Lost World of the Kalahari uit 1958 beschreef Sir Laurens Jan van der Post de San nog steeds als wild, primitief, instinctief en kinderlijk, het tegenovergestelde van de witte mens die hij als logisch, redelijk en intellectueel kenschetste.

Eén eigenschap van de San was overigens wel nuttig: het waren uitmuntende spoorzoekers. En dat kwam goed uit in de gewapende conflicten die zich in de jaren zeventig en tachtig in zuidelijk Afrika afspeelden. Eerst rekruteerde het Portugese leger Bushmen om de Angolese onafhankelijkheidsstrijders te slim af te wezen. Daarna nam het Zuid-Afrikaanse apartheidsleger ze over en dienden ze tijdens de langdurige en bloedige Grensoorlog in Namibië en Angola in de legereenheid 31 Battalion.

Maar uiteindelijk kwam de ommekeer. We tekenen 1986. De dan 29-jarige Zuid-Afrikaanse kunstenaar Pippa Skotnes stuit tijdens haar onderzoek naar de rotsschilderingen van de Bushmen op een enorm archief uit de negentiende eeuw over de |xam, het San-volk dat tot diep in de negentiende eeuw in Zuid-Afrika woonde, maar nu is uitgestorven of opgegaan in wat onder de apartheid de ‘kleurlingengemeenschap’ werd genoemd, een verzameling bruine mensen die afstamden van slaven, San, Khoekhoen of mulatten.

Het archief bleek een goudmijn voor iedereen die geïnteresseerd is in de Bushmen. Het omvat onder meer een dertienduizend pagina’s tellende verzameling notitieboeken, alsmede een flinke stapel tekeningen, brieven en andere documenten. De collectie staat bekend als het ‘Bleek en Lloyd archief’, een eerbetoon aan de twee navorsers die eind negentiende eeuw met eindeloos geduld de verhalen van de |xam optekenden en een woordenboek voor hun taal samenstelden. ‘Het legde een grotendeels onbekende geschiedenis bloot’, zegt Skotnes in haar propvolle kantoor op de campus van de kunstacademie in Kaapstad, waar ze hoogleraar is. En het was voor het eerst dat die geschiedenis door de San zelf werd verteld, nauwelijks gefilterd door Europese vooringenomenheid.

Skotnes schetst een beeld van de initiatiefnemers van het archief, de Duitse linguïst Wilhelm Bleek (1827-1875) en zijn zeven jaar jongere Engelse schoonzus Lucy Lloyd. Bleek was in 1855 naar Zuid-Afrika gekomen om de taal van de Zoeloes te bestuderen. Na zijn verhuizing naar Kaapstad raakte hij geïnteresseerd in de Bushmen. Dankzij contacten met de Nederlandse magistraat Louis Anthing kreeg hij toegang tot een handvol San-gevangenen, die bij hem mochten komen inwonen. Samen met Lloyd begon Bleek daarna aan een |xam-woordenboek. Allengs maakten ze zich zinnen en uitdrukkingen eigen, om uiteindelijk ook de verhalen te kunnen optekenen. Ze gingen zo gedetailleerd mogelijk te werk, zodat er ook een schat aan antropologische en etnografische informatie naar boven kwam, inclusief stambomen, plekken van herkomst en gewoonten. Tevens namen ze foto’s en deden ze metingen.

Waar Bleek als wetenschapper vooral gefocust was op de taal, ontpopte Lloyd zich tot degene die de orale historie vastlegde, vertelt Skotnes. Onvermoeibaar schreef de vrouw de duizenden pagina’s van notitieboeken vol, aan de linkerkant de |xam-zinnen en aan de rechterzijde de Engelse vertaling. Bleeks overlijden in 1875 was voor haar geen reden om haar monnikenwerk te staken. Haar huis in de wijk Mowbray in Kaapstad herbergde een bonte verzameling bewoners, wit, bruin en zwart – in de woorden van Skotnes ‘de belichaming van diversiteit’.

Pas in 1884 zag Lloyd zich vanwege geldproblemen en gebrek aan interesse van de koloniale autoriteiten gedwongen haar werk te staken. Ze overleed in 1914, kort nadat ze een eredoctoraat van de University of the Cape of Good Hope had gekregen voor haar bijdragen aan het onderzoek naar de San. Ze was de eerste vrouw die een dergelijke onderscheiding kreeg in Zuid-Afrika.

Pippa Skotnes organiseerde in 1996 een tentoonstelling rond de archieven, inclusief de lijvige catalogus Miscasts: Negotiating _the Presence of the Bushmen. Alhoewel er kritiek kwam op het project, die vooral te maken had met het toen nog niet in zwang zijnde begrip culturele toe-eigening, zette het wel wat in gang. De enorme hoeveelheid informatie die dankzij de archieven vrijkwam riep vragen op over geschiedenis, taal en recht op grond. Een groep mensen die tijdens de apartheid tot ‘kleurling’ was gebombardeerd, en daarmee tot tweedeklasburgers, bleek een ongekend rijke en intellectuele traditie te hebben. Het was het begin van een herwaardering van de San, die in 2000 verder gestalte kreeg toen president Thabo Mbeki het motto ‘!ke e: /xarra //ke’ liet toevoegen aan het wapen van Zuid-Afrika. Die woorden komen uit het |xam en betekenen ‘mensen die verschillend zijn sluiten zich aaneen’.

Onderwijl ging Skotnes als een soort reïncarnatie van Lloyd onvermoeibaar verder met het verwerken van de archieven. In 2009 kwam ze met het 388 pagina’s tellende, prachtig uitgevoerde Claim to the Country: The Archive of Wilhelm Bleek and Lucy Lloyd; een soort San-familiealbum, met daarin naast een serie essays ook uitgebreide biografieën van Lloyd en Bleek, foto’s van de geïnterviewde San, van de notitieboeken, de rotstekeningen, het onherbergzame Kalahari-landschap, de brieven, de gedichten en allerhande andere zaken die ze in de paperassen had ontdekt. Inmiddels is ze bezig met het digitaliseren van het Bushmen-woordenboek van Bleek en Lloyd, zo’n zestigduizend items.

Wat voor Skotnes begon als een interesse in raadselachtige rotstekeningen ontwikkelde zich tot een volledig onderdompelen in een andere werkelijkheid. ‘Mijn fascinatie voor de San kwam mede voort uit de verhalen – het idee van wat een verhaal is’, zegt ze. ‘De San-verhalen hadden geen begin, geen midden en geen einde. Ze behoorden aan plekken. Voor mij was het belangrijk dat de dingen die voor ons centraal staan, de manier waarop wij betekenis geven, niet opgingen voor de San. Er was een totaal andere manier om iets te begrijpen en te interpreteren.’

De wereld van de San kent bijvoorbeeld een ander ruimte-tijd-continuüm, een plek zonder hiërarchie en zonder centrum, waarin mensen en dieren in elkaar overgaan, zoals je kunt zien op de rotstekeningen. De eland is heilig en de sprinkhaan is de bedrieger. De medicijnman, die door de dansers en urenlange muziek in een trance wordt gebracht, communiceert met de voorouders die gewoon voortleven en raad geven.

‘De San hadden ook geen woorden voor kleuren of getallen’, vervolgt Skotnes, die na wat afstandelijkheid op dreef raakt. ‘Niets werd teruggebracht tot een enkele kleur of een enkel getal. Ze wilden de complexiteit van dingen tot hun recht laten komen.’ Zo kenden de San wel honderd verschillende woorden voor rennen. En als ze de rotstekeningen aan Lloyd en Bleek beschreven, hadden ze het niet over de verfkleuren, maar over de materie. Dus in plaats van te zeggen dat ze rode verf hadden gebruikt, vertelden ze over het elandbloed en het bindmiddel, en de precieze plek waar die vandaan kwamen.

In het licht van de herwaardering van de San is het schrijnend dat hun afstammelingen in Zuid-Afrika in bittere armoede leven

‘Ze hadden ook geen lijsten, geen ramen, geen deuren, dus ze beschouwden alles op een heel andere manier’, zegt Skotnes. ‘Om hun werkelijkheid te begrijpen moet je je eigen gewoonten opzij zetten. Je komt dan bij een manier van interpretatie waar geen woorden voor zijn, die onvertaalbaar is.’

Dat is ongetwijfeld een van de redenen voor de exponentieel toegenomen interesse in de Bushmen. Want waar die volken eerst werden ingedeeld bij de ‘monsterlijken’ en waar ze werden tentoongesteld, beschimpt en uitgemoord, gelden ze nu als uiterst gewilde onderzoeksobjecten voor genetici, academici, kunstenaars, fotografen, schrijvers, muzikanten, activisten, dichters en voedingsgoeroes. De San zijn hip. En dat heeft te maken met de eigenschappen die mensen als Laurens van der Post afdeden als kinderlijk en primitief: het egalitarisme, het non-seksisme, de open grenzen, de diepe band met de natuur, het anti-materialisme, de spiritualiteit en zelfs de eetgewoonten.

Het sluit allemaal prachtig aan bij het huidige tijdsgewricht met zijn klimaatangst en wankelend kapitalisme, met een westerse mens die op zoek is naar een andere levenswijze waarin plek is voor spiritualiteit, alternatieve geneeswijzen, minder spullen en eetgewoonten die het milieu geen schade toebrengen. De trance en de rituelen die de San gebruikten zie je op hun beurt terug in de elektronische muziek en in de hernieuwde belangstelling voor experimenten met psychedelische paddenstoelen die kunnen helpen bij het behandelen van depressies. Het populaire paleodieet is rechtstreeks afgeleid van de manier waarop de jager-verzamelaars zich voedden. En het idee van gelijkheid en solidariteit sluit perfect aan op de hernieuwde belangstelling voor het socialisme.

Het gevaar is natuurlijk groot dat de slinger nu naar de andere kant is doorgeslagen, dat er een veel te romantisch beeld wordt geschetst van een volk dat puur door de fysieke omstandigheden gedwongen was tot minimalisme, delen en overleg. ‘In het archief staan al hun verhalen, ook de minder prettige’, weerlegt Skotnes die aantijging. ‘Je leest over diefstal, mannen die hun vrouwen slecht behandelen, conflicten. Het waren geen lieverdjes. Ze noemden de Nama (een Khoekhoen-volk) bijvoorbeeld de teken op een schapenkont.’

In het licht van die herwaardering van de San is het schrijnend om te moeten constateren dat hun afstammelingen in Zuid-Afrika in bittere armoede leven in marginale streken van de Noordkaap, getekend door analfabetisme en alcoholproblemen, vergelijkbaar met de inheemse Amerikanen en de Aboriginals. De San-traditie wordt nu vooral in leven gehouden op plekken als !Khwa ttu, een cultureel centrum dat is vernoemd naar het |xam-woord voor drinkwaterplaats. Het werd twintig jaar geleden opgezet als een non-profit organisatie met het doel de Bushman-cultuur bij een breder publiek onder de aandacht te brengen.

!Khwa ttu, dat jaarlijks zo’n twintigduizend bezoekers ontvangt, heeft vier hoofddoelstellingen, vertelt algemeen directeur Michael Daiber. Het moet toeristen trekken, natuurbehoud stimuleren, en de staf en stagiairs – allen met een Bushman-achtergrond – een opleiding geven waarmee ze in de toeristenindustrie aan de slag kunnen. Tevens is het de plek waar Bushmen uit heel zuidelijk Afrika geregeld samenkomen om hun grieven te uiten.

Het centrum, zo’n honderd kilometer ten noorden van Kaapstad, is gebouwd op een game farm en werd gefinancierd door de Zwitserse antropoloog en filantroop Irene Staehelin. Er zijn inmiddels drie tentoonstellingsruimten waarin de geschiedenis en de cultuur van de San uitgebreid aan bod komen. Daarnaast zijn er een restaurant, gastverblijven, een inheemse tuin, een kippenren en een kwekerij waar onder meer medicinale planten van de San worden verkocht, zoals buchu en kankerbossie.

Mijn gids hier heet Nunke Kadhimo. Ze is dertig, behoort tot het Khwe-volk en werd geboren in Caprivi, de strook tussen Namibië en Angola, toneel van de gruwelijke Grensoorlog. Haar vader was soldaat, eerst voor het Portugese leger in Angola en daarna voor het Zuid-Afrikaanse 31 Battalion. Toen Namibië in 1990 onafhankelijk werd, kozen de San-soldaten uit angst voor vergelding voor een nieuw bestaan in Zuid-Afrika. Daar werden ze met hun families gedumpt in Schmidtsdrift, een troosteloos gat in de Noordkaap.

Daar ging Nunke naar school. Ze deed het goed en doorliep de middelbare school in het diamantstadje Kimberley, tachtig kilometer verderop. Toen een vriendin elf jaar geleden besloot om haar sollicitatie als stagiaire bij !Khwa ttu aan zich voorbij te laten gaan omdat ze liever bij haar vriendje in Kimberley bleef, greep Nunke haar kans en meldde zich aan. Eerst werkte ze er als serveerster, daarna in de winkel en uiteindelijk als gids.

Gids is niet het juiste woord. Waarschijnlijk is er een betere San-term voor wat ze doet. Net als de boeken van Pippa Skotnes brengt Nunke een andere werkelijkheid tot leven. Uren lopen we rond. Ze laat San-hutten zien en vertelt over de heilige eland, waarvan het vet werd gebruikt om baby’s mee in te smeren en de hoef werd vermalen tot hoestmedicijn. Ze praat over de voorouders die communiceren via de specht. Ze komt met een verhaal dat haar moeder haar heeft verteld, over een ontmoeting met een leeuw die een deel van zijn vlees aan Nunke’s ma afstond nadat die hem op hoge toon had verweten dat hij inhalig was. Met haar handen op haar rug spreekt Nunke met de stem van haar moeder een denkbeeldige leeuw streng toe. Ze legt de rol uit van de medicijnman die tijdens de trance-rituelen uit zijn lichaam treedt. ‘Ik heb een man gezien met een grote open wond, en nadat de medicijnman hem had behandeld was er zelfs geen litteken meer’, zegt ze.

Ze vertelt over de San-jagers die na het vangen van hun prooi enkele dagen in afzondering moesten leven om te communiceren met de voorouders. De jacht, dat is duidelijk, is voor de San geen bio-industrie. ‘De beesten en de mensen waren samen, zij waren van elkaar afhankelijk’, zegt Nunke. En ze praat over de Khwe-god die Khayani heet en vrouwelijk is. Zelf is ze christen, Nederduits Gereformeerd, de apartheidskerk. ‘Maar ik geloof wel in de voorvaderen’, zegt ze.

Aan het eind van een ritje door het natuurgebied staan we op een heuvel, uitkijkend over bush die zich eindeloos uitstrekt. Verderop staat een kluitje zebra’s. De elanden zijn te schuw om in de buurt te komen. Nunke vertelt dat ze ook gedichten maakt. Ze neemt een teug adem en draagt er een voor, vol klikken, een conversatie tussen een eland en een mens. Een buitenlandse uitgever heeft zich geïnteresseerd getoond, zegt ze. Een Nederlander.

Ik knik en vraag me af of ze de ironie ziet: eerst uitmoorden, dan uitgeven.