Chris van der Heijden: Grijs verleden

Eerst wit dan zwart dan grijs

Chris van der Heijden legt in «Grijs verleden: Nederland en de Tweede Wereldoorlog» de nadruk op de eerste jaren van de bezetting. Daarmee maakt hij duidelijk dat het beeld dat Loe de Jong heeft geschetst in hoge mate vertekend en gekleurd is.

Je kunt je afvragen waarvan Chris van der Heijdens nieuwste boek Grijs verleden: Nederland en de Tweede Wereldoorlog getuigt: van moed of van hoogmoed. Wie pretendeert in nog geen vijfhonderd bladzijden het beeld omver te kegelen dat Loe de Jong in de ruim dertienduizend pagina’s van zijn magnum opus heeft opgetrokken; wie bovendien uitgebreid ingaat op de beeldvorming na 1945; wie de kachel tracht aan te maken met nogal wat historische interpretaties — zo iemand moet niet vreemd opkijken als hem hoogmoed of zelfs arrogantie wordt verweten.

Zelfs als we het eindoordeel nog even opschorten, kunnen we concluderen dat het Van der Heijden niet aan moed ontbreekt. Hij heeft een bondige samenvatting geschreven, waarin hij behandelt wat volgens hem essen tieel is. In een land waar de Tweede Oorlog de nationale mythe bij uitstek is geworden — door de afschaffing van het vak «vaderlandse geschiedenis» in het basisonderwijs heeft de Tachtigjarige Oorlog die functie verloren — is dat een hachelijke onderneming. Veel mensen zullen hierdoor het verhaal dat voor hen zo belangrijk is in het boek van Van der Heijden niet terugvinden.

Loe de Jong gaat er prat op dat hij vermoedelijk de enige Nederlander is die het volledige verslag heeft gelezen van de parlementaire enquête naar het beleid van de regering in Londen. Ook van de velen die ooit het eerste deel van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog hebben aangeschaft, zullen er weinigen de eindstreep hebben gehaald. Niemand kan de duizenden overige boeken over Nederland in de oorlog hebben gelezen. Wie dus met een boek komt dat zich niet met een detail bezighoudt, maar dat een totaalbeeld wil schetsen, zal onvermijdelijk dingen over het hoofd zien. Bovendien is Van der Heijden geen employé van het Niod die na ruim dertig jaar de in de baas zijn tijd vergaarde kennis wil etaleren. Nog maar drie jaar geleden verscheen Van der Heijdens vorige boek: Zwarte Renaissance: Spanje en de wereld, 1492-1536. Wie dat prachtige boek heeft gelezen, had misschien van de hand van Van der Heijden van alles verwacht en gehoopt, maar géén boek over de oorlog.

Van der Heijden heeft dus bewust het risico gelopen de sitting duck te zijn van talloze spe cialisten. Nu zijn er ook best foutjes te vinden in dit boek. Zo lezen we dat op de beruchte Wannsee-conferentie van januari 1942 werd «besloten» tot de vernietiging van de joden, terwijl het ging om een vergadering waarin werd besproken hoe het door Hitler genomen besluit kon worden uitgevoerd. Tussen de brochures vol weidse en hoogdravende toekomstvisioenen die vlak na de bevrijding verschenen, duikt ook het boekje van H. Faber op: Naar wijder horizon: Over de ziekten van dezen tijd en hun genezing door een vernieuwde democratie. Dit geschrift van de voorzitter van de antifascistische volksbeweging Eenheid door Democratie was echter reeds in 1938 verschenen.

Vooral in zijn lapidaire behandeling van de vooroorlogse geschiedenis maakt Van der Heijden vaker kleine misslagen. Uiteraard was de Onafhankelijke Socialistische Partij geen afsplitsing van de CPN, maar van de SDAP. En als je het teruglopende aantal stakingsdagen in de jaren dertig aanvoert als bewijs voor de bewering dat «links» in Nederland niets voorstelde, dan zie je over het hoofd dat er een hevige crisis woedde.

Dergelijke foutjes doen echter niets af aan het lef van Van der Heijden, die ook het risico loopt dat sommigen zijn betrouwbaarheid bij voorbaat willen betwijfelen, aangezien hij de zoon van een Oostfront-strijder is. Maar heeft hij ook een goed boek geschreven? Is hij geslaagd in zijn opzet?

In zijn inleiding schrijft Van der Heijden dat hij de mythe van de oorlog opnieuw tegen het licht wil houden en dat zijn boek niet meer is dan «een poging in verhalende vorm recente inzichten samen te vatten, nieuwe perspectieven naar voren te halen en oude vragen opnieuw te stellen». Vooral dat laatste is volgens hem belangrijk, aangezien men tijdens en kort na de oorlog nuchterder tegen de gebeurtenissen aankeek dan in de jaren zestig. Sinds die tijd is de nuchtere kijk op de oorlog vervangen door een meer heroïsch, romantisch en dus ongenuanceerd beeld. Vanaf de jaren zestig is de oorlog eigenlijk een mythe geworden.

Hoofdverantwoordelijke voor dit onhis torische beeld is uiteraard de beroemdste naoorlogse historicus, Loe de Jong. Als mede werker van Radio Oranje was deze al tijdens de oorlog begonnen aan de constructie van dit beeld, waarin zwart en wit de toon aangaven. De oorlog was overzichtelijk, goed en fout waren duidelijk te onderscheiden, en bovendien had de overgrote meerderheid van de bevolking zich als één man gekeerd tegen de brutale bezetter en de misselijke onderkruipers van de NSB. Van der Heijden daarentegen ziet weinig helden en boeven, maar vooral veel mensen die zich aanpassen aan de gewijzigde omstandigheden. Hij heeft een scherp oog voor «het toeval, de klunzeligheid, de kleinheid».

Om de gruwelijkheid van de bezetting en de heldhaftigheid van het Nederlandse volk te kunnen schilderen heeft De Jong, en in zijn voetsporen duizenden andere auteurs, de nadruk gelegd op de laatste jaren van de oorlog. Hoewel Van der Heijden de ellende van het laatste oorlogsjaar uiteraard niet ontkent, maakt hij door zijn nadruk op de eerste twee, drie jaar van de bezetting duidelijk dat het beeld van De Jong in hoge mate vertekend is. Van de moedige en eendrachtige worsteling met de overmachtige vijand die het laatste restje beschaving had afgelegd en een bloedige terreur uitoefende, was die eerste jaren nog geen sprake. Terwijl voor de houding van het Nederlands volk tijdens de bezetting vaak de Zeeuwse wapenspreuk Luctor et emergo wordt aangehaald, kan men die houding volgens Van der Heijden beter typeren met Flucto et fluo: ik dobber en blijf drijven.

Het grijze beeld dat Van der Heijden schetst — een verhaal van drogredenen, karakterzwakte, gehuichel, opportunisme, egoïsme en kleinzieligheid — is overtuigend omdat alle elementen waaruit het is opgebouwd allang bekend zijn. De meeste zaken zijn ook bij De Jong of in de talloze detailstudies te vinden. Maar door zijn perspectief wordt duidelijk dat het heroïsche beeld van De Jong veel te sterk gekleurd was door wijsheid achteraf. Wat bij De Jong begon als oorlogspropaganda werd later het verhaal van de overwinnaar. Iedereen die voor of in het begin van de oorlog op het verkeerde paard wedde, een onjuiste inschatting maakte of zich niet geheel onverzettelijk toonde, komt er bij De Jong vrij slecht van af. Hetzelfde geldt voor mensen die geen spoorlijnen opbliezen, maar in hun functie probeerden de belangen van de bevolking zoveel mogelijk te dienen. Vandaar dat De Geer bij Van der Heijden niet de karakterloze zwakkeling is die De Jong ons schildert, vandaar dat de burgemeesters en ambtenaren die aanbleven bij hem niet allemaal opportunistische schoften zijn.

Om zijn verhaal in dit beperkte bestek te kunnen vertellen moest Van der Heijden veel weglaten. Anders dan De Jong is hij in deze kunst een meester. Gelukkig is het resultaat niet een bloedeloze samenvatting van ontwikkelingen en gebeurtenissen. Door bepaalde gebeurtenissen te beschrijven in één bepaalde plaats (zo maken we de bevrijding nu eens niet mee in Amsterdam maar in Utrecht) en biografische schetsen op te nemen van mensen die illustratief waren voor bepaalde standpunten, heeft Van der Heijden een boeiend en vaak meeslepend boek geschreven.

Helaas wordt dit mooi geschreven verhaal af en toe onderbroken door eindeloze cijferreeksen die niet altijd verhelderend zijn, en vervalt de auteur soms in dorre opsommingen. Zo geeft hij op het einde van het boek een vrij kleurloze samenvatting van alle «affaires» sinds de jaren zestig waarin het oorlogsverleden een rol speelde. Zijn immense afkeer van Adriaan Venema en andere naoorlogse «verzetshelden» speelt hem hierbij kennelijk parten. Terwijl hij op andere punten juist met meesterhand de belangrijke zaken weet te scheiden van de overbodige details, draaft hij in zijn weerzin tegen «de jaren zestig» enigszins door en resulteert zijn hang naar volledigheid in een aantal minder leesbare bladzijden.

De ondertitel van het boek luidt «Nederland en de Tweede Wereldoorlog». Heel uitdrukkelijk staat er niet «in», omdat het Van der Heijden vooral gaat om het beeld dat Nederland heeft van die oorlog. En dat beeld deugt niet. Zijn aanval op De Jong, die hij dus een onhistorische en onwetenschappelijke visie verwijt, is overtuigend. Ook hier is hij niet de eerste, maar wel de eerste die het zo systematisch doet. In feite heeft Van der Heijden het boek geschreven waartoe Hans Blom in zijn befaamde oratie uit 1983, In de ban van goed en fout, had opgeroepen. Daarna zijn er wel boeken geschreven over aspecten van de oorlog waarin het goed-foutschema werd doorbroken en aandacht was voor het niemandsland tussen collaboratie en verzet, maar een synthese ontbrak.

De oproep van Blom, die ook vooral wilde kijken naar de continuïteit tussen de jaren dertig en de naoorlogse periode, was niet de eerste poging het allesoverheersende beeld van De Jong te nuanceren. In 1974 zond de VPRO de documentaire Vastberaden, maar soepel en met mate uit, waarin de scheidslijn tussen goed en fout heel wat minder duidelijk was en veel aandacht werd besteed aan het geknoei en de lafbekkerij. Bovendien trokken de makers van deze documentaire — Hofland, Keller en Verhagen — juist wel de lijnen door van het interbellum naar de bezetting en de jaren van de wederopbouw. Maar ja, hoewel deze heren qua leeftijd niet tot de generatie van de jaren zestig behoorden, pasten ze er wat betreft hun opvatting wel in, en daar moet Van der Heijden niets van hebben.

Is dit nu de hoogmoed die zich wreekt? Nee, het is Van der Heijdens moed, die soms neigt naar roekeloosheid maar wel een mooi en waardevol boek heeft opgeleverd.

Chris van der Heijden

Grijs verleden: Nederland en de Tweede Wereldoorlog

Uitg. Contact, 470 blz., ƒ 49,90